door Adriaan van Dis
Indië. De naam valt
steeds vaker als ik mijn
96-jarige moeder bezoek.
Laatst wachtte ze me op
met een oud fotoalbum op
haar knieën en toonde
mij sepiakleurige
foto’s van een jonge
vrouw in een witte jurk
tussen bruine
militairen. Daar stond
ze, midden in de rimboe
van Zuidwest-Sumatra,
omringd door koeboes met
botjes door hun neus, of
aan boord van een
radarboot. (De hekwieler
Johanna II… voor het
eerst van mijn leven
hoorde ik het woord
‘hekwieler’.) Ik had
die foto’s nooit
eerder gezien. ‘Meen
je dat nou?’ vroeg ze
verbaasd. Mijn moeder -
zeer helder van geest -
heeft zo haar eigen
verhalen en zíj bepaalt
tot welke ik word
toegelaten. En wanneer.
Nog altijd hoor ik
nieuwe kampverhalen.
Zoals
de anekdote over een
vriendin die haar bijbel
vel voor vel als
vloeipapier uitventte.
Toen de vrede werd
bekend gemaakt, was ze
net aan de laatste
Openbaring van Johannes
toe - de oorlog had voor
haar niet veel langer
moeten duren. Bij het
vorige bezoek hoorde ik
over de verstikkende
liefde van een Japanse
kampcommandant voor een
vrouwelijke gevangene.
Ik vraag er niet naar.
Meestal worden die
verhalen ingegeven door
een gebeurtenis in het
heden. Toen het land
laatst op z’n kop
stond omdat sommige
asielzoekers bij
aankomst in Nederland
een nieuwe naam of land
van herkomst verzinnen,
haalde ze herinneringen
op aan hoe je in de
oorlog je leven, en
vooral het leven van je
kinderen, soms met een
leugentje moest redden.
Zo
langzamerhand heb ik
heel wat verhalen over
Indië in mijn hoofd.
Iedereen die daar
vandaan komt heeft zijn
eigen geschiedenis. En
ik mag hier vandaag de
mijne vertellen.
Gedetailleerd,
persoonlijk. Niet om
afstand te scheppen,
maar om herkenning aan
te wakkeren, om de
herinnering aan die
oorlog levend te houden.
Ik
ben niet in Indië
geboren. Wel gemaakt.
Maar dat telt niet. Ik
ben in 1946 naar Holland
gerepatrieerd, in de
buik van mijn moeder.
Telt nog minder. Ik heb
de oorlog niet mee
gemaakt. Niet in een
kamp gezeten. Toch hoor
ik bij Indië. Bij het
Indië van mijn ouders
en halfzussen – die ik
altijd zussen heb
genoemd. Mijn moeder
woonde er bijna twintig
jaar. Haar eerste man
die ze op de Koninklijke
Militaire Academie in
Breda ontmoette, kwam
uit een
Hollands-Javaans-Menadonese
familie. Hij werd in de
oorlog door de Japanse
bezetter onthoofd.
(Hoort u hoe netjes ik
‘Japanse bezetter’
zeg? Thuis hebben we het
natuurlijk gewoon over
de Jap.)
Mijn
drie bruine zussen zaten
samen met hun moeder
drie en half jaar in het
kamp. De man die later
mijn vader zou worden,
woonde de eerste dertig
jaar van zijn leven in
Indië. Ook hij diende
bij het Koninklijk
Nederlands Indisch
Leger. KNIL – ik kan
het alleen maar met zíjn
accent uitspreken. Hij
zat als krijgsgevangene
in vele kampen.
Overleefde met een paar
honderd man de
torpedering van de Junyo
Maru, waarbij meer dan
5600 mannen verdronken
– militairen, maar
vooral veel romusha’s
- Javaanse
dwangarbeiders.
Het
vergaan van de Junyo
Maru is nog steeds de
grootste scheepsramp in
de wereldgeschiedenis.
Mijn vader werkte aan de
dodenspoorlijn Pakan
Baru, in midden Sumatra.
Toen hij zich na de
bevrijding in een
evacuatiekamp in
Palembang bij mijn
moeder aandiende, stelde
hij voor haar nog als
vermist genoteerde man
op te sporen. Het was
geloof ik niet echt de
bedoeling dat zich uit
die geste een kind zou
opdringen. Verkeerd
gezocht zullen we maar
zeggen. Maar ik was
welkom. En zo hoor ik
óók bij de oorlog in
Indië. Als vredeskind,
het bewijs dat de oorlog
voorgoed voorbij was.
Maar
was ie thuis voorbij?
We
zongen de kampliedjes
onder de afwas. ‘Heb
je wel gehoord, van de
Jap die is gesmoord in
een pot met bruine
bonen.’ Ik kon tellen
in het Japans: itchi, ni,
san, shi, go, rokku,
shitschi, hatshi, ku,
ju. Maleise woorden als
tampat (de benauwde
slaapplaats in het kamp)
gedek
(kampomheining)
beri beri (hongeroedeem)
hoorden tot de
rijsttafel woorden. Mijn
eerste Engels was:
backpay. En ook dat had
een Indisch accent, want
het verwees naar het
achterstallige salaris
dat de
Nederlands-Indische
regering schuldig was
aan
gouvernementsambtenaren
en KNIL-militairen.
Een
regering die met het
onafhankelijk worden van
Indonesië niet meer
bestond en die haar
verantwoordelijkheid in
schimmige commissies
ontliep. De bloody
limit, ja. Japans,
Maleis, Engels - wat de
oorlog betrof kreeg ik
een internationale
opvoeding. Mijn vader
kon erg goed Jappen
nadoen. En later
Soekarno met een
bloempot op z’n hoofd.
Maar hij dekte ook de
tafel met een liniaal
als een kampcommandant.
Sloot zich overdag op en
lag in het donker te
tellen. Bang dat hij
weer in woede zou
uitbarsten. Een woede
die niemand begreep. Van
een kampsyndroom hadden
we toen nog niet
gehoord. Mijn vader was
niet ziek. Over de
oorlog zeurde je niet.
Wij waren flink.
Zijn
dood, elf jaar na de
capitulatie van Japan,
was een verlossing.
En
nu sta ik als man van
bijna zestig over de
oorlog van mijn ouders
en zussen te praten. Ik
schreef er over. Behoor
tot de tweede generatie.
De oorlog van mijn
familie heeft ook mij
gevormd. Maar ik mag
niet met hun oorlog aan
de haal gaan. Hoe graag
ik daar als kind ook bij
wilde horen - bij hun
kleur, bij hun sterke
verhalen, bij het
heldendom achteraf - het
is hún oorlog. Zij
hebben het meegemaakt,
28.000 kilometer
zuidoost-waarts. Wél
mag ik hun oorlog
herdenken: hun honger,
hun angsten, hun pijn.
De schuldgevoelens van
mijn vader, omdat hij de
torpedering overleefde
en zijn kameraden niet.
Ik herdenk de vader van
mijn zusjes en het
verdriet dat hun door
zijn wrede en vroege
dood is aangedaan.
Ik
herdenk de helden over
wie thuis is verteld. Ik
herdenk de wondere
staaltjes vrouwenmoed.
Ik herdenk hoe dun het
laagje beschaving van de
meeste mensen is,
ongeacht hun kleur of
cultuur.
Ik
sta op een dag als deze
ook stil bij de
vernederingen van ná de
oorlog. De rekening die
mijn vader bij het
ontslag uit de militaire
dienst gepresenteerd
kreeg voor een verloren
uniform omdat hij na
drie en halfjaar
krijgsgevangenschap en
maanden zware
dwangarbeid slechts met
een schaamlap het kamp
uit kwam. Ik herdenk het
gevecht van mijn moeder
om haar eerste man te
rehabiliteren, een
luitenant die buiten het
kamp bleef en een
verzetsgroep hielp
oprichten. Na de oorlog,
in de verwarrende jaren
van de Indonesische
onafhankelijkheidsstrijd,
konden de Nederlandse
autoriteiten maar
moeilijk geloven dat een
bruine man die zo van
zijn land hield toch
voor Koningin en
Vaderland had gekozen.
Zou hij niet als zoveel
anderen met de
nationalisten hebben
geheuld? De bewijzen van
zijn moed kwamen toch
boven water. De
medailles werden postuum
alsnog toegekend. Maar
voor mijn moeder was na
alle beledigingen de lol
er af om ooit bij een
officiële
staatsherdenking aan te
schuiven.
Het
zijn allemaal
persoonlijke dingen, al
besef ik dat er vele
families zijn die een
veel aangrijpender
verhaal kunnen
vertellen. Maar deze
mensen hebben voor mij
geen gezicht, even als
de meer dan 25.000
Nederlandse doden voor
wie het bericht van de
bevrijding in Indië te
laat kwam. Tot ik
nazaten van zo’n dode
ontmoet. Met hen voel ik
een heimelijke
verwantschap, zoals ik
dat met alle door oorlog
aangeraakte mensen voel.
Daarom durf ik hier
vandaag te staan. Zij
het met huiver.
Aan
de ene kant wil ik
stilstaan bij de
lotgevallen in Indië,
aan de andere kant
herken ik ook veel van
dat verleden in het
heden. Nog steeds worden
landen bezet, mensen
achter prikkeldraad
opgesloten of uit hun
land gejaagd. Toch wil
ik de oorlog van toen
niet met hedendaags
onrecht vergelijken. De
neiging bestaat
herdenkingen te
actualiseren. Bang als
we zijn om niet modern
over te komen. Vier van
de vijf Nederlanders is
van ná de oorlog.
Zestig procent van de
schooljeugd heeft geen
grootouders die de
Tweede Wereldoorlog
hebben meegemaakt. We
willen de jeugd er bij
halen. De toekomst van
het herdenken
zekerstellen. Maar doe
je dat door alle
narigheid bij elkaar te
vegen? Alsof het niet
erg genoeg is wat er
toen is gebeurd.
Er
is een groot verschil
tussen herdenken en
denken aan. Toen ik eind
jaren tachtig bij toeval
in de oorlog van
Mozambique belandde en
door dorpen trok waar de
wreedste gruwelen hadden
plaatsgevonden - zoals
het afsnijden van tweeënvijftig
vrouwenborsten die de
rebellen in een kist
gooiden met als
opschrift ‘groeten aan
de president’ - werden
de gruwelen door de
bewoners verzwegen of zo
verdraaid dat het niet hén,
maar een ander was
overkomen, een dorp
verderop. Als ik die
mensen sprak, moest ik
aan mijn vader denken.
Ook hij verschool zich
in andermans oorlog -
die tegen de Duitsers -
en begon het
eigen gruwelverhaal zo
te verdraaien dat het
leek alsof een ander het
had meegemaakt. Mogelijk
schaamde hij zich voor
de eigen vernedering.
Hij wilde vooral niet
zielig zijn.
Zie
ik op het journaal een
kind uit een
gebombardeerd dorp
wegrennen, hangend aan
de rokken van zijn
moeder, dan denk ik: dat
kind zal later het
verhaal doorvertellen.
Ook al zal de moeder
aanvankelijk haar leed
verzwijgen. Uiteindelijk
beheert de volgende
generatie de
geschiedenis. Ik ben nu
even dat kind aan de
rokken van zijn moeder.
Maar ik herdenk niet de
misčre in hedendaagse
opvangkampen. Niet
vandaag. Daarvoor is het
Indisch monument niet
opgericht.
Bij
het herdenken hoort ook
Het Geluk - het verloren
geluk van een jeugd in
de tropen. De vreugde
van het Indisch zijn,
aangeraakt door een
natuur die je altijd in
je mee blijft dragen.
Een verleden dat je een
beetje vreemdeling in
Holland laat voelen. Ik
ken dat verlangen uit de
zondagse
rijsttafelverhalen die
opborrelden als er
‘ooms’ en
‘tantes’ uit het
kamp langs kwamen, ik
ken het zuchten boven
fotoalbums. En ik herken
het ook bij de
nieuwkomers en de grote
stroom vreemdelingen die
Europa thans overspoelt.
Ik denk aan de
onvrijheid, oorlog,
honger en armoe die zij
ontvluchtten, maar ook
aan de moeite die
sommige Nederlanders
hebben om hun wijk of
stad met al die
vreemdelingen te delen.
Mensen die een ander
geloof meebrengen,
minaretten oprichten en
vreemde geurtjes uit hun
keukens laten opdampen.
Hoe zouden de Javanen
destijds hebben gekeken
naar al die witte
Hollanders die hun eigen
cultuur zo zelfverzekerd
op andermans grondgebied
kwamen uitdragen?
Hollanders die kerken
bouwden. Een soos. En
die net deden of ze op
die verre eilanden
thuishoorden. Ja, er
zijn overeenkomsten
tussen kolonialen en
migranten.
Mijn
Indische achtergrond is
bepalend voor mijn
betrokkenheid met deze
tijd.
Maar
vandaag wil ik vooral
herdenken wat er toen is
gebeurd. In de Indische
Archipel. Aan de
spoorweg in Thailand en
Birma. In Japanse
oorlogswerkplaatsen waar
Nederlandse
krijgsgevangenen te werk
werden gesteld. In
Hiroshima en Nagasaki,
waar alles vernietigende
atoombommen vielen die
gevangenen elders
bevrijdden. De bom
waaraan mijn familie het
leven meent te danken.
Laat het verleden tot de
verbeelding spreken.
Door te luisteren naar
die persoonlijke
geschiedenissen,
begrijpen we wat
vernedering met mensen
doet – en daarmee
begrijpen we hopelijk
ook de vernederde mensen
in het heden. De
Indische verhalen die
ons vandaag
samenbrengen, zijn het
waard steeds weer
verteld te worden. Aan
de buitenstaanders, de
nieuwkomers, onze
kindskinderen, van
generatie op generatie.
Opdat men weet wat het
is om met een oorlog en
een verloren land in het
hoofd rond te lopen.
|