door ds. Pieter Lootsma
Wanneer
ik, als kind, te kennen gaf iets niet te kunnen of ergens
niet toe te kunnen komen, zong mijn moeder een koloniaal
spotversje:
Tida
bisa, tida tau,
Tida
ada, tida mau
(ik
kan het niet, ik weet het niet,
het
is er niet, ik wil het niet)
De
afgelopen weken, waarin ik mij op deze herdenking
voorbereidde, bedacht ik dat mijn reactie op dit liedje
telkens opnieuw tekenend was voor mijn relatie met het
land waar de wortels van mijn beide ouders liggen.
Met
haar liedje ging mijn moeder, al dan niet terecht, voorbij
mijn ONMACHT van dat moment. Ik was daar gevoelig voor. Ik
zal daar straks meer over zeggen.
Maar
behalve dat ik mij door haar ontkend voelde, wist zij met
dit versje vooral een HEIMWEE in mij wakker te roepen. Dat
heimwee richtte zich op een wereld waarin mijn ouders nog
geen littekens droegen van de oorlog waarin zij verzeild
raakten. Dat was een wereld die in mijn ogen
paradijselijke trekken vertoonde, zoals eigenlijk alles in
het Indië van vroeger.
Samen
met mijn grootouders, ooms en tantes en een aantal oude
vrienden en bekenden waren zij tegen wil en dank in
Nederland terecht gekomen. Uit het wantrouwen dat mijn
ouders ten aanzien van hun nieuwe omgeving hadden, begreep
ik dat zij hier niet thuis waren. Zij leefden met een
stille, onbegrepen pijn.
Indië
was in mijn beleving van toen niet eens zozeer een plaats
op de kaart, maar veeleer een toestand die ik van foto’s
kende: veel zware bomen, lange, witte jurken, vrolijke
kinderen aan het zwembad, grote auto’s en huizen waar
steevast pilaren voor staan.
Het
was moeilijk voor te stellen dat het mijn ouders en
grootouders waren die op de foto’s stonden. Zij leken,
zoals ik hen kende, volstrekt niet meer op wie zij ooit
moeten zijn geweest. Niet alleen waren zij intussen veel
ouder geworden, maar, en dat was wat mij vooral zo trof,
hun blik was veranderd. Zij hadden in de tussentijd hun
onbevangenheid verloren.
Naar
het hoe en wat daarvan kon ik alleen maar raden. Ik durfde
daar niet naar te vragen. Af en toe werd er over “het
kamp” gesproken. Mijn vader had in het kamp gezeten. Ik
wist dat het erg was, als je in het kamp gezeten had. Al
heel vroeg begreep ik dat alles wat ik voelde of dacht
daarom betrekkelijk was. Ik had niet meegemaakt wat mijn
vader had meegemaakt. Ik moest dus mijn mond houden. Ik
moest mij niet aanstellen. Ik had geen recht van spreken,
net zomin trouwens als iedereen die niet in het kamp
gezeten had.
U
kunt zich intussen misschien voorstellen dat ik hier met
de nodige aarzeling sta. Ook nu ben ik mij er zeer van
bewust dat ikzelf de oorlog niet heb meegemaakt. Dat maakt
bescheiden. Toen ik uitgenodigd werd om hier te komen
spreken leek mij dat een goede gelegenheid om eens voor
het voetlicht te brengen hoe ik het leven met een vader
die in het kamp heeft gezeten, heb beleefd en begrepen.
Ik
hoef u niet te vertellen dat een oorlog niet is afgelopen
als de vijand heeft gecapituleerd. Niet alleen wie de
oorlog meemaakten maar dikwijls ook hun kinderen en
kleinkinderen gaan nog altijd gebukt onder wat er toen
gebeurd is.
Het
is een kwetsbare vraag, die naar het hoe en wat van tweede
en zelfs derde generatie oorlogslachtoffers. Die
kwetsbaarheid zit ‘m daar in dat de wonden van de eerste
generatie andere zijn dan die van de erop volgende. De
littekens die de verschillende generaties met zich
meedragen vertellen verschillende verhalen.
Ik
noemde al dat mijn generatie over het algemeen opgevoed is
met de gedachte dat wij juist géén slachtoffers zijn.
Wij hebben vaak het gevoel gekregen dat ónze ONMACHT en
pijn werden gebagatelliseerd. Omdat wij van ná de oorlog
zijn zouden wij geen aanspraak kunnen maken op medelijden
of medeleven.
Ikzelf
herinner mij als de dag van gisteren hoe genezend het was
toen een aantal vragen waar ik in mijn leven tegenaan
liep, in verband konden worden gebracht met het
kampverleden van mijn vader. De erkenning dat de
gebeurtenissen in de oorlog via mijn ouders ook in mijn
leven een spoor hadden getrokken heb ik als ronduit
verademend beleefd. Het gaf zoveel lucht dat ik daarna
voorzichtig kon beginnen het vertroebelde beeld van mijn
intussen al jaren tevoren overleden vader te herzien.
Weer
later werd mij duidelijk dat ik niet de enige ben die
dreigde te blijven steken in het kampverleden van een
ouder. Het mag merkwaardig klinken, maar ik had mij, mét
talloze andere kinderen van oorlogsgetroffenen, het trauma
van mijn ouders eigen gemaakt. Deze kinderen vinden het
moeilijk de eigen gevoelens en verlangens ernstig te
nemen. Zij hebben de neiging hun gevoelens te ontkennen,
zoals hun ouders hun gevoelens hebben ontkend. Soms
vertonen zij onaangepast gedrag. Vaak gaan zij gebukt
onder ernstige vermoeidheid als gevolg van een uitputtende
machteloze woede omdat zij zich niet gehoord en begrepen
voelen. Die machteloze woede richt zich vaak op hun
ouders. Maar in feite zitten zowel zijzelf als hun ouders
gevangen in de ONMACHT zich aan hun geschiedenis te
ontworstelen.
Dit
is ook daarom zo moeilijk, omdat er in veel door de oorlog
getraumatiseerde families bovendien een kloof in stand
wordt gehouden tussen de eigen familie en de wereld
daarbuiten. Dat staat een open gesprek er over in de weg.
Veel mensen uit Indië missen het gevoel een
vanzelfsprekend deel uit te maken van hun omgeving. In de
oorlog voelden zij zich naakt en niet beschermd. De
Japanners zaten hen zowel letterlijk als figuurlijk te
dicht op de huid. Sinds hun repatriëring hebben zij het
gevoel dat, nu de Japanse bezetting tot een einde is
gekomen, ook hun aanwezigheid in Nederland alles behalve
vanzelfsprekend is. Voor hen en hun verhaal was geen
ruimte. Dat maakte dat zij zich afzijdig hielden.
De
zo ontstane kloof tussen de eigen familie en de wereld
buiten maakt het mogelijk dat excessief gedrag in stand
blijft. Ik ken verhalen van gezinnen waarin de kinderen
met grote regelmaat werden geslagen. En ook dat werd
gerelativeerd met opmerkingen als: “Overal wordt wel
eens een klap uitgedeeld. Jullie moesten eens weten wat
wij in het kamp te verduren kregen”.
Mijn
vader zal niet de enige zijn geweest die zich, in zijn rol
als opvoeder, leek te identificeren met degenen die hem in
het kamp zo te grazen hadden genomen. Hij legde zijn zoons
een discipline op waarbij hij niet alleen zijn eigen
grenzen, maar ook die van zijn kinderen uit het oog
verloor. Hij legitimeerde zijn manier van doen eens
tegenover mij met het argument dat hij mij immuun wilde
maken voor de vernederingen die hijzelf heeft moeten
verdragen.
Paradoxaal
genoeg is de problematiek van tweede en derde generatie
oorlogsslachtoffers veelal ontstaan uit welgemeende
pogingen kinderen niet met hun oorlog te belasten, of hen
op de bedreigingen van een eventuele volgende oorlog voor
te bereiden. Die gedachte heeft mij in toenemende mate
kunnen troosten.
Toch
blijven de HEIMWEE naar een nog niet geschonden wereld en
de ONMACHT om de pijn van de oorlog te verzachten en zo
mijzelf en mijn ouders te bevrijden, karakteristieken van
mijn relatie met de geschiedenis waarop ik sta.
Om
onze HEIMWEE en onze ONMACHT te overstijgen is het nog
altijd van belang om in verbondenheid te blijven luisteren
naar de verhalen die wij elkaar te vertellen hebben.
|