Organisatie --  Agenda -- Verhalen --  Documentatie -- Actualiteiten -- Een gastdocent vertelt -- Aanvragen gastles -- Links -- Index 

  Overwegingen Indisch Monument 15 augustus 2006

 

 


door ds. Pieter Lootsma

 

Wanneer ik, als kind, te kennen gaf iets niet te kunnen of ergens niet toe te kunnen komen, zong mijn moeder een koloniaal spotversje:

 

Tida bisa, tida tau,

Tida ada, tida mau

(ik kan het niet, ik weet het niet,

het is er niet, ik wil het niet)

 

De afgelopen weken, waarin ik mij op deze herdenking voorbereidde, bedacht ik dat mijn reactie op dit liedje telkens opnieuw tekenend was voor mijn relatie met het land waar de wortels van mijn beide ouders liggen.

 

Met haar liedje ging mijn moeder, al dan niet terecht, voorbij mijn ONMACHT van dat moment. Ik was daar gevoelig voor. Ik zal daar straks meer over zeggen.

           

Maar behalve dat ik mij door haar ontkend voelde, wist zij met dit versje vooral een HEIMWEE in mij wakker te roepen. Dat heimwee richtte zich op een wereld waarin mijn ouders nog geen littekens droegen van de oorlog waarin zij verzeild raakten. Dat was een wereld die in mijn ogen paradijselijke trekken vertoonde, zoals eigenlijk alles in het Indië van vroeger.

 

Samen met mijn grootouders, ooms en tantes en een aantal oude vrienden en bekenden waren zij tegen wil en dank in Nederland terecht gekomen. Uit het wantrouwen dat mijn ouders ten aanzien van hun nieuwe omgeving hadden, begreep ik dat zij hier niet thuis waren. Zij leefden met een stille, onbegrepen pijn.

 

Indië was in mijn beleving van toen niet eens zozeer een plaats op de kaart, maar veeleer een toestand die ik van foto’s kende: veel zware bomen, lange, witte jurken, vrolijke kinderen aan het zwembad, grote auto’s en huizen waar steevast pilaren voor staan.

 

Het was moeilijk voor te stellen dat het mijn ouders en grootouders waren die op de foto’s stonden. Zij leken, zoals ik hen kende, volstrekt niet meer op wie zij ooit moeten zijn geweest. Niet alleen waren zij intussen veel ouder geworden, maar, en dat was wat mij vooral zo trof, hun blik was veranderd. Zij hadden in de tussentijd hun onbevangenheid verloren.

 

Naar het hoe en wat daarvan kon ik alleen maar raden. Ik durfde daar niet naar te vragen. Af en toe werd er over “het kamp” gesproken. Mijn vader had in het kamp gezeten. Ik wist dat het erg was, als je in het kamp gezeten had. Al heel vroeg begreep ik dat alles wat ik voelde of dacht daarom betrekkelijk was. Ik had niet meegemaakt wat mijn vader had meegemaakt. Ik moest dus mijn mond houden. Ik moest mij niet aanstellen. Ik had geen recht van spreken, net zomin trouwens als iedereen die niet in het kamp gezeten had.

 

U kunt zich intussen misschien voorstellen dat ik hier met de nodige aarzeling sta. Ook nu ben ik mij er zeer van bewust dat ikzelf de oorlog niet heb meegemaakt. Dat maakt bescheiden. Toen ik uitgenodigd werd om hier te komen spreken leek mij dat een goede gelegenheid om eens voor het voetlicht te brengen hoe ik het leven met een vader die in het kamp heeft gezeten, heb beleefd en begrepen.

 

Ik hoef u niet te vertellen dat een oorlog niet is afgelopen als de vijand heeft gecapituleerd. Niet alleen wie de oorlog meemaakten maar dikwijls ook hun kinderen en kleinkinderen gaan nog altijd gebukt onder wat er toen gebeurd is.

 

Het is een kwetsbare vraag, die naar het hoe en wat van tweede en zelfs derde generatie oorlogslachtoffers. Die kwetsbaarheid zit ‘m daar in dat de wonden van de eerste generatie andere zijn dan die van de erop volgende. De littekens die de verschillende generaties met zich meedragen vertellen verschillende verhalen.

 

Ik noemde al dat mijn generatie over het algemeen opgevoed is met de gedachte dat wij juist géén slachtoffers zijn. Wij hebben vaak het gevoel gekregen dat ónze ONMACHT en pijn werden gebagatelliseerd. Omdat wij van ná de oorlog zijn zouden wij geen aanspraak kunnen maken op medelijden of medeleven.

 

Ikzelf herinner mij als de dag van gisteren hoe genezend het was toen een aantal vragen waar ik in mijn leven tegenaan liep, in verband konden worden gebracht met het kampverleden van mijn vader. De erkenning dat de gebeurtenissen in de oorlog via mijn ouders ook in mijn leven een spoor hadden getrokken heb ik als ronduit verademend beleefd. Het gaf zoveel lucht dat ik daarna voorzichtig kon beginnen het vertroebelde beeld van mijn intussen al jaren tevoren overleden vader te herzien.

 

Weer later werd mij duidelijk dat ik niet de enige ben die dreigde te blijven steken in het kampverleden van een ouder. Het mag merkwaardig klinken, maar ik had mij, mét talloze andere kinderen van oorlogsgetroffenen, het trauma van mijn ouders eigen gemaakt. Deze kinderen vinden het moeilijk de eigen gevoelens en verlangens ernstig te nemen. Zij hebben de neiging hun gevoelens te ontkennen, zoals hun ouders hun gevoelens hebben ontkend. Soms vertonen zij onaangepast gedrag. Vaak gaan zij gebukt onder ernstige vermoeidheid als gevolg van een uitputtende machteloze woede omdat zij zich niet gehoord en begrepen voelen. Die machteloze woede richt zich vaak op hun ouders. Maar in feite zitten zowel zijzelf als hun ouders gevangen in de ONMACHT zich aan hun geschiedenis te ontworstelen.

 

Dit is ook daarom zo moeilijk, omdat er in veel door de oorlog getraumatiseerde families bovendien een kloof in stand wordt gehouden tussen de eigen familie en de wereld daarbuiten. Dat staat een open gesprek er over in de weg. Veel mensen uit Indië missen het gevoel een vanzelfsprekend deel uit te maken van hun omgeving. In de oorlog voelden zij zich naakt en niet beschermd. De Japanners zaten hen zowel letterlijk als figuurlijk te dicht op de huid. Sinds hun repatriëring hebben zij het gevoel dat, nu de Japanse bezetting tot een einde is gekomen, ook hun aanwezigheid in Nederland alles behalve vanzelfsprekend is. Voor hen en hun verhaal was geen ruimte. Dat maakte dat zij zich afzijdig hielden.

 

De zo ontstane kloof tussen de eigen familie en de wereld buiten maakt het mogelijk dat excessief gedrag in stand blijft. Ik ken verhalen van gezinnen waarin de kinderen met grote regelmaat werden geslagen. En ook dat werd gerelativeerd met opmerkingen als: “Overal wordt wel eens een klap uitgedeeld. Jullie moesten eens weten wat wij in het kamp te verduren kregen”.

 

Mijn vader zal niet de enige zijn geweest die zich, in zijn rol als opvoeder, leek te identificeren met degenen die hem in het kamp zo te grazen hadden genomen. Hij legde zijn zoons een discipline op waarbij hij niet alleen zijn eigen grenzen, maar ook die van zijn kinderen uit het oog verloor. Hij legitimeerde zijn manier van doen eens tegenover mij met het argument dat hij mij immuun wilde maken voor de vernederingen die hijzelf heeft moeten verdragen.

 

Paradoxaal genoeg is de problematiek van tweede en derde generatie oorlogsslachtoffers veelal ontstaan uit welgemeende pogingen kinderen niet met hun oorlog te belasten, of hen op de bedreigingen van een eventuele volgende oorlog voor te bereiden. Die gedachte heeft mij in toenemende mate kunnen troosten.

 

Toch blijven de HEIMWEE naar een nog niet geschonden wereld en de ONMACHT om de pijn van de oorlog te verzachten en zo mijzelf en mijn ouders te bevrijden, karakteristieken van mijn relatie met de geschiedenis waarop ik sta.

 

Om onze HEIMWEE en onze ONMACHT te overstijgen is het nog altijd van belang om in verbondenheid te blijven luisteren naar de verhalen die wij elkaar te vertellen hebben.