Een
kleine verantwoording waarom ik hier sta.
Zoals
u weet heb ik de oorlogsjaren in Nederland doorgebracht.
Ik ben in Batavia geboren. In 1938 kwam ik als 7-jarige
hier naar toe. Mijn familie is Indisch, d.w.z. mijn
grootmoeder van moeders kant was een Javaanse. Mijn moeder
was een half-Javaanse vrouw. Ik heb dus bloedbanden met
mijn geboorteland en dat heeft mijn leven getekend. Vlak
na de oorlog kwam onze familie naar Holland en had ik
ineens een immense hoeveelheid Indische tantes. Hun
leventjes heb ik als kind mogen observeren en veel later
heb ik mijn tantes in mijn werk tot leven gebracht. Hun
verhalen – die vaak over de Japanse bezettingstijd
gingen – zijn mij natuurlijk ook toevertrouwd en het is
logisch dat ook die een plaats kregen in mijn werk, o.a.
in mijn boek ‘Lowietjes smartegeld’.
De
Japanse bezettingstijd heeft - dankzij mijn familie –
een groot deel van mijn leven in beslag genomen. Verder
ben ik al meer dan vijftig jaar de vrouw van Rob Keuls die
zijn jeugd in diverse kampen in Java heeft doorgebracht en
die daar ook de Bersiaptijd heeft meegemaakt. Dat is niet
in zijn maar ook niet in mijn koude kleren blijven zitten.
Vandaar dat ik hier dus sta.
Ik
ga u laten kennismaken met twee schrijfsters die het leven
van jonge vrouwen met kleine kinderen in de kampen hebben
beschreven. Zij hebben grote indruk op mij gemaakt.
De
eerste schrijfster is Margaretha Ferguson.
Ze
stierf ruim tien jaar geleden 70 jaar oud tijdens een
vakantiereis in Vietnam, het land dat haar qua natuur zo
aan haar geliefde ‘Indië’ deed denken. Margaretha was
een succesvol Haags schrijfster. Ze schreef al vanaf haar
negende jaar. Stapels dagboeken, die ze verbrandde toen de
Japanners Nederlands-Indië bezetten. Ze was nog maar net
volwassen toen ze met haar zoontje Lucas van Makassar naar
Soerabaja werd geëvacueerd. Voor de acht maanden oude
Lucas was de reis te zwaar. Hij werd ernstig ziek en er
was geen goede medische hulp, er waren geen medicijnen
voor hem. Margaretha mocht haar kind niet behouden.
Overweldigd
door haar verdriet zocht ze een uitweg in haar nieuwe
dagboek: ‘Ik heb het liefste verloren dat ik heb. Ik ben
nu 21 jaar en ik heb het gevoel dat ik al een heel
mensenleven geleefd heb.’ Ze schreef zichzelf door haar
verdriet heen; ze schreef zichzelf in leven.
Haar
man – een koopvaardij-officier – werd geïnterneerd.
Ze
had alleen haar dagboek.
Daarin
noteert ze op 12 juni 1942: ‘Ik ben nu alleen en heel
eenzaam in mijn nieuwe zwangerschap.’
Het
dagboek van Margaretha is het verslag van een moeder die
haar kind in het kamp verloren heeft en die dat verlies
verwerkt tijdens een nieuwe zwangerschap. Maar juist omdat
het in de oorlog plaatsvindt – en zonder echtgenoot –
wordt het intenser beleefd en met een nog grotere angst.
De gewone dingen van het leven, zoals een kind dat voor
het eerst lacht, zich voor het eerst op zijn buik draait,
zich voor het eerst optrekt, het eerste woordje brabbelt,
krijgen in oorlogstijd veel meer diepte. Je ziet een kind
opgroeien terwijl alles om je heen afbraak en vernietiging
is. Het is het leven tegen de dood in.
Het
dagboek verdween na de oorlog in een koffer om daar ruim
dertig jaar te blijven zitten. Een bewuste beslissing van
Margaretha, want ze had een ‘nieuwe’ man. Thomas
Ferguson, haar steun en toeverlaat, wiens naam ze als
schrijversnaam aannam en met wie ze een nieuw leven was
begonnen. Ze had inmiddels acht boeken geschreven en was
bezig met de opzet van een nieuwe roman over de kamptijd.
Tijdens het schrijven daarvan voelde ze de noodzaak om
haar dagboek tevoorschijn te halen. Ze begon te lezen. Ze
werd ineens geplaatst tegenover zichzelf in een rampzalige
situatie en ze werd overspoeld door alle weggestopte
emoties.
Ze
wist dat haar maar één ding te doen stond: ze moest haar
dagboek omzetten in een literaire vorm, in een boek, dat
ze de titel meegaf: ‘Mammie ik ga dood.’ Een
angstkreet, die je naar de keel grijpt. Ooit heeft ze een
kind dit horen roepen in het kamp. Een ijlend, doodziek
kind, midden in de nacht. Later hoorde ze het weer.
Hetzelfde kind, weer ijlend, maar dan op klaarlichte dag.
Nòg angstaanjagender. Ze voelde: dit is de ondertoon van
ons bestaan: dit is wat ons in diepste wezen bezighoudt:
de angst om het niet te overleven.
Oorlog,
Japanse bezetting. Het kamp.
Er
zijn mensen die hun kampervaringen niet willen of kunnen
oprakelen. Onze cultuur is gericht op verdringing.
Margaretha besloot om het wel te doen. Zij schonk ons haar
boek ‘Mammie ik ga dood.’ Aantekeningen uit de Japanse
tijd op Java 1942 -1945. Zij wilde zich bewustworden,
alles onder ogen zien wat zeer pijnlijk was voor haar
persoonlijk leven. Want alles wat een mens overkomt is
belangrijk. Want alles wat een mens overkomt is materiaal
voor de geschiedenis.
De
tweede schrijfster die ik graag onder uw aandacht wil
brengen is Henriëtte van Raalte – Geel. Zij leeft en
werkt in Den Haag. Maar haar geschiedenis begint na Pearl
Harbor (Hawaii, 7 december 1941, Japan vernietigt dan een
groot deel van de Amerikaanse vloot). Daarna, na de slag
in de Javazee (27 februari 1942), komt de weg naar het
eiland Java voor de Japanners vrij. Op 8 maart 1962 geeft
de legercommandant van het Koninklijk Nederlands Indische
Leger, luitenant-generaal Ter Poorten, zich met de
geallieerde strijdkrachten op Java over. Vanaf dat moment
deelt Japan de lakens uit en wordt vrijwel de gehele
Westerse bevolkingsgroep door de Japanners in kampen geïnterneerd.
Ook
aan het heerlijke kinderleventje van de toen tweejarige
schrijfster Henriëtte van Raalte – Geel komt een einde.
Henriëtte’s vader wordt krijgsgevangen gemaakt en haar
moeder, haar twee zusjes en zij worden gedwongen de
gouvernementsstad Buitenzorg te verlaten. Nadat ze eerst
in de gloeiende hitte de hele dag in een afgesloten wagen
op het station hebben gestaan, worden ze op transport
gesteld en na een monstertocht belanden ze in Bandoeng, in
het vrouwenkamp Kareës. Henriëtte beschrijft in haar
boek ‘Mogen we altijd in dit kamp blijven?’ hoe ze
daar met elkaar twee jaar leven.
Overleven,
want die twee jaar zijn een aaneenschakeling van ziekten
en ontberingen. Ze zijn verstoken van de meest elementaire
levensbehoeften en medische verzorging en dat ze het toch
redden is voornamelijk te danken aan de vindingrijkheid en
de moed waarmee de moeder haar kinderen door de ellende
sleept en de Japanners weet te trotseren. En dat hebben al
die moeders gedaan, vandaar de ondertitel van haar boek:
‘Een ode aan de moeders in de Japanse
interneringskampen.’ Dan, op 29 november 1944, beveelt
de Japanse commandant Takahashi dat ze de volgende dag per
trein naar onbekende bestemming worden afgevoerd. Het
wordt weer een barre tocht die eindigt in Buitenzorg. Ze
zijn dus terug bij af. De vrouwen en kinderen moeten een
heuvel oplopen naar het kamp Kedoeng Badak waar vervallen,
verwaarloosde barakken staan, gebouwd van bamboe.
Het
is in die barakken erg benauwd, want op twee hoogten (op
15 en 90 cm) zijn er bamboematten (britsen) opgehangen. Op
deze britsen wordt door hele families geleefd en geslapen.
Het stinkt er vreselijk. Het ontbijt en het avondeten
bestaat uit een soort lijmpap die iedereen doet kokhalzen.
Het is een mensonterend bestaan tussen vuil, ratten,
slangen, vlooien, hoofd-, wand- en kleerluizen. Gelukkig
verblijven ze maar drie maanden in dit kamp. Volkomen
vermagerd vertrekken ze op 15 maart 1945 met een groep van
dertienhonderd vrouwen en kinderen in geblindeerde treinen
naar Batavia. Vandaaruit worden ze voortgedreven naar het
volgende kamp: Kampong Makassar.
Daar
blijkt het nog erger te zijn. Henriëtte’s barak is
volledig vervallen. Er zijn grote gaten in het dak en
omdat het regentijd is, verandert de barak in een
modderpoel. Bovendien is hier nauwelijks te eten. Eén
soeplepel rijst en vier kleffe sneetjes brood per dag voor
een volwassene. Kinderen krijgen de helft. Zo gaat het ook
met de ruimte die wordt toegemeten. Een volwassene mag 65
cm bij 2 meter in beslag nemen. Kinderen slechts 35 cm. In
een doodskist is het beter toeven.
De
ontberingen worden steeds groter. Voedsel wordt nog
schaarser. Ziektes nemen toe. Dysenterie, tropenzweren,
malaria, tyfus zijn aan de orde van de dag.
Als
de nederlaag van Japan in zicht komt, moeten de burger-geïnterneerden
het ontgelden. Urenlang moeten ze in de zon staan. Om een
futiliteit worden ze in een cel gesmeten of in een kooi
midden op het appelterrein of er wordt collectief
gestraft: twee dagen geen eten, geen water om te wassen,
geen gebruik van de latrines, huisarrest en dat betekent
opgesloten zitten in een barak waarin de temperatuur is
opgelopen tot boven de veertig graden, verkommeren in een
stank van ontlasting, zweet en braaksel.
Dan
op 6 en 9 augustus: Hiroshima en Nagasaki. Op 14 augustus
deelt de keizer van Japan zijn volk mee dat de oorlog is
afgelopen. Op 15 augustus gaat de poort van het kamp open
en wordt de Japanse vlag gestreken. Capitulatie, maar nog
geen bevrijding. Eerst komt er chaos, oproer en
ontreddering. De Indonesiërs maken zich vrij van
Nederland.
De
Bersiaptijd breekt aan.
Maar
dan gebeurt het ongelooflijke. Niet alleen Henriëtte,
haar moeder en haar zusje hebben de oorlog overleefd, ook
haar vader keert terug uit krijgsgevangenschap en van haar
grootouders in Den Haag komt bericht dat ook daar allen
leven. Begin december 1945 wordt het herenigde gezin met
de ‘Nieuw Amsterdam’ – het eerste grote repatriëringsschip
– naar de grootouders in Nederland vervoerd, een reis
die door de vele mijnen in de oceanen niet ongevaarlijk
is. Bovendien een reis die drie kinderen het leven kost,
want met aan boord al die ondervoede kinderen die van de
tropenhitte in de winterkou terechtkomen, krijgt een
mazelenepidemie de kans om slachtoffers te maken.
Bij
opa en oma thuis breekt een periode aan van warmte
veiligheid en gezelligheid. Niet meer bang zijn voor
schelle Japanse kreten. Rondscharrelen in flanellen
pyjama’s en op wollen sokken. Een opa die speelgoed
maakt, een oma die voorleest uit een sprookjesboek. Een
ronde eettafel waaraan lang wordt nagetafeld en gelachen.
Hutspot met klapstuk en griesmeelpudding. Een kachel die
brandt. Een eigen bedje waarin benen gestrekt kunnen
worden en eindelijk een vader. En als dan ook nog voor
ieder kind een nieuwe knuffel op tafel staat, is het niet
verwonderlijk dat Henriëtte – die niet beter weet of
het leven speelt zich in kampen af – aan haar opa
vraagt: ‘Opa, mogen wij altijd in dit kamp blijven?’
Twee
schrijfsters, die voor de eeuwigheid hebben vastgelegd wat
de jonge Nederlandse vrouwen met kleine kinderen is
overkomen tijdens de Japanse bezetting die hun hele
bestaan omver had geworpen. Buiten hen zijn er nog zovelen
die dat hebben gedaan. Zij hebben ons voldoende materiaal
voor de toekomst geschonken. Het is aan ons welke lering
wij eruit trekken.
|