| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Een gastdocent vertelt -- Aanvragen gastles -- Links -- Index |
| HET INDISCH VERZET |
| De
Gastdocenten van Leiderdorp hebben op maandag 18 april de mobiele Indische
tentoonstelling van het Museon geopend in de
ROC-school van Leiderdorp.
Aanvoerder was de
heer De Haan.
Het zag er prima uit. |
Door
Hans Liesker
Bij de capitulatie op 8 maart
1942 heeft het Japanse leger niet het gehele KNIL, het Koninklijk
Nederlands-Indisch Leger geïnterneerd. Van de 66.900 man werden er
Restanten van het KNIL en
van de geallieerde troepen, die zich schuil konden houden, kozen als regel voor
de guerrilla. Omdat het Indische Gouvernement rekening had gehouden met een
snelle aftocht en capitulatie van de afzonderlijke eenheden, waren in de
binnenlanden geheime depots ingericht waarin wapens, geneesmiddelen en voedsel
waren opgeborgen. De groepjes soldaten die zich aan de capitulatie wisten te
onttrekken, moesten vanuit deze depots tot de guerrilla overgaan.
Onder
guerrilla wordt hier verstaan het voortzetten van de gewapende strijd.
Daarnaast
was er het verzet, dat spionage, wapensmokkel en sabotage beoogde; ook het
afluisteren van buitenlandse zenders en verspreiding van nieuws.
Guerrilla
en verzet zullen hier apart besproken worden, al zijn er uiteraard overlappingen
in activiteiten geweest.
GUERRILLA![]()
In
de loop der tijd zijn de volgende strijdgroepen zijn bekend geworden:
Op Sumatra trok 1e luitenant Van Zanten in Atjeh de bergen
in en begon een guerrilla tegen de Japanners met een groep van 70-110 man,
waaronder Atjehse olë-balangs. Hij werd gevangen genomen op 10 maart 1943 en op
25 augustus ter dood gebracht. De restanten van zijn groep hielden het vol tot
mei 1944.
In
Padang verzamelde de groep van Van Dijk, Van der Torre en Pattinama
inlichtingen. Deze militairen werden gearresteerd en in april 1943
terechtgesteld, de overige leden kregen lange gevangenisstraffen.
In
Zuid Sumatra werden in juli 1943 ruim 350 inheemse KNIL-militairen opgepakt en
aangeklaagd als lid van een illegale organisatie. Zij werden op Banka in
gevangenissen opgesloten, waar honger en ziekten veel slachtoffers maakten.
Slechts 25 van hen zouden de bevrijding meemaken.
Op Java hielden losse leger-eenheden het op de hellingen van enkele
vulkanen vol tot januari en februari 1943. Enkele honderden van hen die
doorvochten, zijn na hun gevangenneming geboeid of opgesloten in hoge manden of
krandjangs in zee geworpen; daarvoor zijn van midden 1942 tot najaar 1943
schepen uitgevaren uit Priok, Cheribon, Tegal en vooral Soerabaja. Bij deze
liquidaties zijn naar schatting 600 man vermoord, in hoofdzaak Australiërs.
In Celebes vormden de luitenants Van
Daalen en De Jong een groep van 120 man, die met succes de Japanse troepen
bestreed bij het Poso-meer. Zij kregen radiocontact met Australië en vroeg om
wapens en levensmiddelen. Zowel een dropping als twee landingen van
NEFIS-commandogroepen werden door de Japanners onderschept. Na een fors
vijandelijk offensief moest de tot 15 man gedecimeerde groep in juli 1942
capituleren. In augustus werden de beide commandanten met enkele onderofficieren
in Menado geëxecuteerd.
Op de Molukken moeten ook diverse groepen tot midden 1943 guerrilla hebben gevoerd, zoals troepen onder De Fretes en Litama Hoepoeti; na de arrestaties van beide groepen werden 40 personen onthoofd.
Gewapend
verzet gaven de groepen in Timor. Het
waren in hoofdzaak Australische militairen, die in het begin nog enkele malen
door de Australische marine zijn bevoorraad. Tenslotte werd een kleine 200 man
in december 1942 uit Timor opgehaald met de torpedojager Tjerk Hiddes van de
Koninklijke Marine.
In Nieuw Guinea trok het KNIL-garnizoen zich terug in het bergland. Het
ging om een groep van 60 personen. Op acht plaatsen kwam het tot gevechten,
waaronder bij de havenplaats Sorong. Een Japanse colonne werd in een hinderlaag
gelokt en bij een overval werden 35 Japanners gedood en wapens buitgemaakt.
Dramatisch hoogtepunt was een Japanse tegenaanval op 18 april 1944 op de
commandopost Wekari, waarbij 12 man sneuvelden. Kapitein Geeroms werd gevangen
genomen en onthoofd; slechts 17 personen overleefden de aanval, waaronder het
meisje Ayal. Sergeant Kokkelink nam toen het commando over.
Op 30
juni 1944 landde MacArthur bij Sansapor op de Vogelkop. Het duurde nog tot 22
september voordat het restant van 14 personen diep in het binnenland kon worden
bevrijd. Deze groep was de enige formatie van het KNIL, die de strijd in bezet
gebied tot aan de bevrijding wist vol te houden.
Een belangrijke reden waarom de
guerrilla vaak geen kans kreeg, was de passieve houding van de bevolking. Een
deel van de Inheemsen koos, vooral in het begin voor de nieuwe heerser. De
sympathie van de bevolking werd vanaf 1944 snel minder, maar de Kempei had
intussen een geraffineerd kliksysteem ingevoerd: tomarikumi, waardoor de
bevolking geen kant meer uit kon.
Verzetsgroepen
zijn veelal begonnen als bewakingsdiensten tegen het plunderen en molesteren van
blanken, Indo’s en Molukkers na de intocht van de Japanners. Onder de
dekmantel van hulpverlening werden inlichtingen verzameld over Japanse
troepen-verplaatsingen en verschepingen, ten behoeve van toekomstige geallieerde
acties. Ook werden daarvoor achter gebleven wapens verzameld.
Op Java bestond zo in maart en april 1942 een fors netwerk, gedragen
door de groepen van
-
Kramer en Wernink in Batavia, Welter in Buitenzorg en De Lange en captain
Solonsch in Bandoeng;
- de
V-groepen van Korff en Ngdoen in Midden-Java; Siahaya met zijn Ambonese
militairen in de bergen bij Gombong op Midden-Java;
-
kapitein Meelhuysen, luitenant Ferdinandus en mevr. Altmann, Leedekerken en
Colijn in Soerabaja en Koops Dekker in Malang.
De
Japanse militaire politie de Kempei-tai zag kans om de PID (Politieke
Inlichtingen Dienst, de contraspionage van het Indische Gouvernement), volledig
onder haar controle te krijgen en in te zetten tegen de voormalige heersers.
Door verraad maar vooral door de activiteiten van het PID-netwerk is op Java al
in juli en augustus 1942 een aanzienlijk deel van het verzet gearresteerd. Bij
het verhoor hebben de verzetsgroepen aanvankelijk met succes betoogd, dat zij
een anti-rampok organisatie vormden ter bescherming van have en goed. Zij zouden
pas in actie komen, wanneer bij een geallieerde landing een rechteloze situatie
was ontstaan.
Welter
zocht toen contact met Australië. Hij stelde uit verzamelde gegevens een
volledig rapport samen over het verzet op Java, dat in november 1942 door de
RAF-vlieger Coates per prauw naar Australië zou worden gebracht. Deze gegevens
vielen echter in handen van de Kempei-tai.
Veel
arrestaties volgden toen en de processen kregen nu een ander karakter, het ging
nu om sabotage en het voorbereiden van gewapende strijd. Nagenoeg alle leiders
van het verzet werden ter dood veroordeeld en na maart 1943 volgden vele
executies. Vrijwel alle groepen zijn toen opgerold. De groep van pastoor De
Bekker in Bandoeng hield het nog uit tot oktober 1943. Het was geen gewapend
verzet maar een ondersteuningsgroep; die hielp vluchtelingen en onderduikers en
verspreidde nieuwsbulletins.
Bij
Koops Dekker in Malang heeft de bezetter ondanks vele verhoren de waarheid van
zijn beweging niet achterhaald.
Op Java zijn veel onschuldigen gedood vanwege vermeende sabotage bij de spoorwegen en het geven van aanwijzingen via vuurpijlen bij geallieerde bombardementen. In totaal kostte dit het leven aan 120 personen.
Op Sumatra werd
het verzet opgezet vanuit de kazerne door generaal-majoor Overakker en kolonel
Gosenson, gesteund door Chinezen en vrijgelaten inheemse KNIL-militairen uit
Ambon, Timor en de Minehassa: de organisaties van de rode zakdoek en de witte
veer. Met twee razzia's in maart en juni 1943 werd de beweging opgerold: 80
personen werden geëxecuteerd. Overakker en Gosenson zijn in januari
In
Medan werden twee Chinese verzetsgroepen in februari 1943 gegrepen en allen
werden onthoofd.
In
Midden Sumatra is de Kempei-tai in september 1943 hard opgetreden tegen
werkers van de Oembilin mijnen en tegen groepen BB-ers wegens vermeende
spionage; 15 zouden dit niet overleven.
Bij
een razzia op alle Nippon-werkers werden in dezelfde maand september 3000
personen gearresteerd. In oktober 1943 startte tegen 250 van hen in Padang een
monsterproces wegens terrorisme. Van hen kregen er 150 de doodstraf; zij werden
in massa-executies terechtgesteld. Van de 100 die 10-15 jaar gevangenisstraf
kregen, heeft minder dan de helft dit overleefd.
Ook op
Borneo is een waar schrikbewind gevoerd. Hier werd ten onrechte een
omvangrijke organisatie vermoed onder blanken, inheemse adel en Chinezen. In
september 1943 vonden in Pontianak circa 1400 arrestaties plaats. Het proces
eindigde met de executie van 1000 leidende Chinezen en alle 40 regerende sultans
en hun volledige families
Na het
proces tegen gouverneur Haga in december 1943 werden 21 personen onthoofd.
In
december 1944 werden nog eens 130 arrestaties uitgevoerd, slechts 10 ontkwamen
aan de doodstraf.
Door
Nederland zijn commandogroepen opgeleid in Australië. Alle twintig acties van
de NEFIS op Java, Ambon en de Minehassa zijn volledig mislukt. De commando’s
waren slecht geïnformeerd over de veranderingen onder het Japanse bewind en
verkeken zich met name op de loyaliteit van de bevolking. Nagenoeg allen zijn na
korte tijd verraden, gevangen genomen en terechtgesteld.
Een
gelijk aantal acties in Nieuw Guinea en de Damar eilanden na april 1943 had veel
meer succes en leidde tot de bouw van steunpunten op diverse eilanden; bij het
plotselinge einde van de oorlog zijn verdere operaties afgelast.
Deze
schematische inventarisatie schiet ernstig tekort, want het doet geen recht aan
vele incidentele acties als het verzet bij de aanleg van de spoorlijn in Bantam,
West Java; de Ambonese groep van Kaihatu in Batavia, de groep Hilgers in
Buitenzorg, de Timorezen uit Tjimahi, de groep landwachters van IJsseling uit
Kediri, de slachtoffers van Dampit en Glodok, de planters uit Kesilir, de
slachtoffers onder inheemse militairen, die weigerden om Heiho te worden. Zo
zijn er nog tientallen groepen inmiddels bekend geworden en wellicht een gelijk
aantal volledig geliquideerd en nimmer vernoemd. Met name in de kringen van
Molukkers en Chinezen circuleren nog steeds verhalen, die getuigen van een
verbeten, zeer verspreid verzet. Ook de berichten in de toenmalige pers
bevestigen dit; tot in juli 1945, een maand voor het einde van de oorlog
worden voortdurend liquidaties van spionnen en saboteurs gemeld.
![]()
De
folteringen tijdens het onderzoek waren van een ongekende wreedheid.
Een gevangene vertelt
daarover: Terug in de cel wachtte ons een nieuwe schrik: de een na de ander werd
opgeroepen voor verhoor. In Soerabaja hadden we nog de kinderlijke gedachte
gehad, dat het ondervragen en folteren was afgesloten. Dat hele lugubere bedrijf
begon zich hier te herhalen van onder water drukken, brandende sigarettenpeuken,
elektrische schokken, ophanging aan op de rug gebonden polsen, zodat je daarna
je armen niet meer op hun plaats kreeg.
Weer
kreeg je bamboe pinnen onder je nagels en kantige stukjes hout tussen je
vingers, nu werd erop gemept tot er hier of daar een vinger brak. Je probeerde
de schade tot één hand te beperken en de slagen aan één zijde van je lichaam
op te vangen, om je eten nog in ontvangst te kunnen nemen en om tenminste ‘s
nachts nog op een ongeschonden zij te kunnen liggen.
Een
van mijn ondervragers had het vooral op mijn kaken gemunt; hij liep om me heen
en sloeg me dan onverwacht van onder tegen mijn hoofd en zo hard dat ik mijn
kiezen hoorde knappen. Ik vroeg om wat water om mijn afgebroken kiezen te kunnen
uitspugen, maar kreeg een nieuwe opdonder als antwoord.
Het
eten was vanaf toen een weerkerende temptatie; vooral ‘s nachts was de pijn in
mijn kaken niet te harden. Later bleek in de ziekenboeg van Tjipinang, dat op
mijn onderste voortanden na praktisch alles was gebroken.
Af
en toe werd je gelucht, maar het leek er op of het werkelijke doel alleen
intimidatie was. We moesten bij herhaling bestraffingen aanzien voor een of
ander onduidelijk vergrijp. Meerdere keren werd er zonder reden een gevangene
letterlijk doodgeslagen en het was duidelijk dat het dan steeds om een Chinees
ging.
Wie dit niet meegemaakt heeft kan er zich haast geen voorstelling van maken. Het uitzinnig gebrul van de Japanse bewaker, de onophoudelijke regen van stokslagen of zweepslagen, de grote angst-ogen van het slachtoffer, dat eerst nog manmoedig overeind trachtte te blijven, maar dan toch door de knieën ging. Eerst zijn verdediging nog in volle zinnen formulerend, daarna kruipend en stamelend, alleen nog schokkend en jankend om genade. Als de Jap zijn gespleten bamboe’s had stuk geslagen, trapte hij zijn verslagen prooi tenslotte bewusteloos als oud vuil in een hoek, omdat het bij kennis brengen met putsen water geen effect meer gaf. Als de stakker geluk had lieten zij de mishandelde met rood gezwollen kaken en dichtgeslagen ogen liggen in een hoek. Nog volledig in de ban van de panische angst reutelde de stakker zwakjes om genade en stamelde nog flarden van excuus.
Maar
bij een Chinees ging de van razernij bezeten Jap door met trappen en
zweepslagen, tot het bloed uit de oren liep en elk spoor van leven er uit
geslagen was.
Voor
deze bestialiteit scheen geen middel te ver te gaan. Het ging niet om
misdadigers, het waren allen mannen van karakter, die getoond hadden niet te
kunnen buigen voor de bezetter.
Elk
greintje van respect daarvoor ontbrak hier.
Maar
het klimaat veranderde spoorslags: men zei mij dat ik een dapper man was, dat
zij niet hadden kunnen vinden dat ik mij ergens aan schuldig had gemaakt. Ik
kreeg een hand en een sigaret en als ik even wilde wachten zou ik een goede
maaltijd van de heren krijgen. Ik wist niet wat me overkwam, maar had wel meer
gehoord dat Japanners genereus konden reageren op iemands standvastig gedrag,
een houding die in hun ogen respect afdwong.
Inderdaad
werd ik aan een tafel gezet in een apart kamertje en kwam er een kostelijk bord
met dampende bami. Ik was uitgehongerd, maar weifelde of ik deze gunst wel zou
aannemen van mijn vijanden. De bami rook heerlijk, ik koos tenslotte eieren voor
mijn geld. Als ik dit op at, konden ze mij dat in ieder geval niet meer afnemen.
De
ondervragers kwamen weer binnen, stopten mij grijnzend weer de slang in de mond,
knepen mijn neus dicht en zetten de kraan weer open. Weer die benauwdheid met
kramp in keel en maag, Mijn maag werd opgeblazen als een voetbal, ik kreeg geen
lucht meer. Daarna sprongen mijn ondervragers met hun laarzen op mijn middel,
maar het uitbraken was ditmaal zo mogelijk nog veel pijnlijker. Weer zag ik de
wereld om me heen draaien, voor de hoeveelste keer al ?
Ik
kwam weer bij, werd aan handen en voeten gebonden met een lus om mijn nek: de
beruchte Atjeh-knoop. Bij elke kleine beweging trok je je eigen strop verder
dicht. Ze sloegen me met een rubber staaf op hoofd en schouders. Ik kon niet
eens reageren; wilde ik mezelf niet laten stikken, dan moest ik me strak
gespannen houden en de volle mep incasseren.
Verzet
en guerrilla toonden geen massaal karakter maar doken wel op zeer veel plaatsen
op. Ten onrechte was de bezetter er daardoor van overtuigd dat hierachter
een strakke organisatie schuil ging met een vooraf beraamd strategisch plan. Om
het verzet van de vermeende centrale leiding te beroven werden in december 1942
de Gouverneur Generaal en alle hoge officieren vanaf de rang van kolonel met de
‘Special Party’ afgevoerd naar Formosa en Korea.
De
Japanners zijn tegen het verzet en guerrilla zeer fanatiek en bestiaal
opgetreden. Dit heeft duizenden slachtoffers gemaakt, waaronder veel
onschuldigen, en zeer weinig overlevenden. De omvang daarvan is maar bij
benadering bekend. Praktisch alle archieven zijn vernietigd, van honderden
slachtoffers is niets over de toedracht bekend.
Slechts
1.000 vrouwen en mannen hebben in de vuile gevangenissen het einde gehaald. Op
de voormalige executieplaats Antjol bij Jakarta rusten ruim 2100 slachtoffers,
van hen konden bijna 800 niet worden geïdentificeerd.
Over
de omvang van het verzet tastte men lang in het duister. In 1979 besloot het
Nederlandse kabinet, dat het Indisch Verzet niet zou worden toegelaten tot de
voorzieningen van het Nederlands Verzet: het Indisch Verzet was daarvoor te
gering en te weinig effectief geweest.
In 1980 echter werd het aantal
deelnemers aan het Indisch Verzet op 5.000 tot 6.000 geraamd. Dat getal was
gebaseerd op een rapport van de Kempei-tai, dat in Tokyo werd aangetroffen. Aan
slechts 10% van hen is tussen 1981 en 1984 het Verzetsherdenkingskruis toegekend, al dan niet
postuum. Van dit lage percentage is iets te verklaren door de onbekendheid van
deze onderscheiding in Indonesië, maar het zegt veel meer over de wijze waarop
verzetsgroepen met al hun bekenden en familieleden totaal werden uitgeroeid.
Van de gedecoreerden zijn
alle namen bekend, zo niet van de velen die niet achterhaald werden. Van
hen en van vele honderden onbekende slachtoffers die her en der in de hele
archipel begraven werden, zullen wij hun daden nooit vernemen, hun namen
zullen altijd onbekend blijven.
| G. Aalbertsberg | Rapport aan generaal Spoor: verzet op Java | eigen uitgave | 1948 |
| B.R. Immerzeel | Verzet in Nederlands-Indië | SDU | 1993 |
| Dr. L. de Jong 11b | pagina 398-496, verzet en illegaal werk | SDU | 1958 |
| L. Lanzing | De Noorderzon boven Sumatra | Bonneville | 2000 |
| J. Leedekerken | Voorman in verzet en boei | eigen uitgave | 2000 |
| H. Liesker | Onze kleine geschiedenis | KJBB | 1996 |
| E. Melis | Verzet contra de Japanse bezetting | Comité Ancol | 1996 |
| J. Zwaan | Japans Intermezzo | Omniboek | 1990 |