| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Een gastdocent vertelt -- Aanvragen gastles -- Links -- Index |
DE
VERHALEN EN DE HAAGSE POLITIEK
Voordracht voor de Werkgroep Zuidoost
Azië van de stichting
Gastdocenten WOII door oud minister Dr. Elst Borst-Eilers
ter gelegenheid van het derde lustrum.
Bronleek,
30 oktober 2003
Hartelijk
dank voor de uitnodiging om u vandaag. bij de viering van uw 3e lustrum, toe te
spreken Ik ben altijd een groot supporter geweest van het systeem Gastdocenten
WOIl, omdat ik weet dat een persoonlijk verhaal de beste manier is om jongeren
te interesseren voor de geschiedenis waar zo'n verhaal deel van uit maakt.
Bij
het spreken over de Tweede wereldoorlog lijken er wel eens twee werkelijkheden
te bestaan:
1
De werkelijkheid van de mensen die het zelf hebben meegemaakt
2. De werkelijkheid van de politici, met al hun wetten en regelingen
Tussen
die twee werkelijkheden gaapt nogal eens een kloof; zo wordt het althans beleefd
door veel mensen die de oorlog in Nederland of in het voormalig Nederlands Oost
Indië hebben doorgemaakt.
Toen
ik in 1994 minister van volksgezondheid, Welzijn en Sport werd, heb ik het
beleid rond de oorlogsgetroffenen direct overgeheveld van de welzijnsportefeuille
van Staatssecretaris Terpstra naar mijn eigen portefeuille. In tegenstelling tot
Erica had ik de Duitse bezetting bewust meegemaakt en ik dacht dat het beleid
gebaat zou zijn bij die ervaring: dat ik mij misschien iets beter zou kunnen inleven
in al die mensen voor wie onze wetten en regelingen voor oorlogsgetroffenen
bedoeld zijn. Ik ga straks nader in op mijn beleid in mijn ambtsperiode.
Maar
ik begin in dit gezelschap van verhalenvertellers met een verhaal. Met mijn
eigen verhaal over de Duitse bezetting. in Amsterdam en het verhaal van
mijn familie in Indië.
Toen
de Duitsers ons land binnen vielen was ik 8 jaar. Ik woonde in de Rivierenbuurt
m Amsterdam Zuid, een buurt met veel Joodse mensen. Beneden ons woonde een jong
joods echtpaar voor wie ik vaak als 'sabbat goj"optrad. door op sabbat het
licht voor ze aan te doen. Op 6 augustus 1942 tijdens de grote Rivierenbuurt
razzia. werden ze meegenomen door de Crüne Polizei. Mijn ouders en ik stonden
machteloos toe te kijken; het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen.
De
hele bezettingsperiode was ik een angstige en machteloze toeschouwer In
1941 verdween mijn joodse lerares en vertrokken mijn Joodse klasgenootjes naar
een aparte Joodse school. Op 12 maart 1945 - ik zat toe in de eerste klas van
het Barlaeusgymnasium- werd ik op weg naar school aangehouden op het
Weteringsplantsoen met andere kinderen en volwassenen werd ik gedwongen om naar
de executie van 12 gevangenen uit het Huis van Bewaring te kijken
Al
die gebeurtenissen leidden tot een permanent gevoel van machteloze woede en tot
een vurig verlangen naar de dood van Hitler, in de naïeve veronderstelling dat
met hem het kwaad uit de wereld zou verdwijnen.
In
de laatste oorlogswinter, toen Zuid-Nederland al was bevrijd, kwamen daar in Amsterdam
de kou en de honger bij. Beschaamd stalen wij hout uit door Joden verlaten woningen,
voor onze noodkacheltjes. Het schamele voedselrantsoen vulden we aan met
suikerbieten en tulpenbollen, waar mijn moeder op dat noodkacheltje nog heel
eetbare koekjes van wist te bakken Maar ik bleef vermageren en eind maart werd
ik - op dringend advies van de huisarts - naar verre familie op een boerderij in
Noord Holland gebracht. Dat heeft mijn leven gered. In redelijke gezondheid kon
ik in mei onze bevrijders toejuichen.
Het grootste deel van
mijn familie was tijdens de oorlog in Nederland. Maar de jongste broer van mijn
moeder woonde met zijn vrouw en 5 jonge kinderen op Noord-Sumatra, in Kabandjahe. Mijn oom was
tijdens de korte oorlog met Japan in actieve militaire
dienst. In 1942 werd hij als krijgsgevangene via de havenplaats Belawan naar Birma
getransporteerd, waar hij de rest van de oorlog aan de beruchte spoorlijn moest werken, onder
de u bekende erbarmelijke omstandigheden
Mijn tante werd al snel
na de capitulatie met haar 5 kinderen geïnterneerd in het kamp in Brastagi
Ze had één zoontje, maar die was pas 1 jaar oud en kon dus de hele oorlog in
het vrouwenkamp blijven. In 1945 werden ze - zoals de meeste Europeanen op Noord-Sumatra,
overgebracht naar een van de 'verzamelkampen" rond Rantauprapat. Geert
Mak schrijft daarover in zijn boek "De eeuw van mijn vader": ook zijn moeder,
broers en zusje kwamen daar in 1945 terecht (p.325).
Het hele gezin van mijn
oom heeft de ontberingen overleefd en werd na de Japanse capitulatie herenigd
in Sabang, op een klein eilandje ten Noorden van Sumatra. Mijn oom had geelzicht
en zag "knal-oranje" maar hij werd toch direct - samen met vele andere
halfzieke of uitgemergelde Nederlandse militairen
weer ingezet in actieve krijgsdienst, dit maal tegen de Indonesische
rebellen.
Pas enkele maanden na de bevrijding bleek, hoe het kampleven mijn tante had geschonden. Zij ontwikkelde een ernstige depressie en maakte in mei 1946 een eind aan haar leven. Mijn oom keerde met 5 kinderen terug naar Nederland en bracht ze onder bij zijn broers en zussen. Zelf moest hij weer terug naar zijn werk in Indonesië.
Bij ons in huis kwam een
nichtje van mijn leeftijd te wonen. Het ging allemaal wel goed, maar het was
natuurlijk geen ideale situatie. Gelukkig hertrouwde mijn oom enige tijd
later, waarna het gezin weer herenigd kon worden.
Van mijn nichtje en de
andere kinderen heb ik natuurlijk veel verhalen uit het kamp gehoord, die met vrij veel
nuchterheid verteld werden. Ze hebben zich later gelukkig allemaal goed gered in
het leven.
Dames en heren, met deze eigen ervaringen in mijn bagage werd ik in 1994 minister met in mijn portefeuille - naast véle andere onderwerpen - het beleid voor oorlogsgetroffenen. In die functie had ik uiteraard ook een rol bij de jaarlijkse herdenkingen in mei en augustus ik legde dan samen met de minister-president de krans namens de Ministerraad. Het eerste jaar waarin ik dat deed, 1995, was natuurlijk meteen een bijzonder jubileumjaar: 50 jaar na de bevrijding. We beleefden toen eerst de plaatsing van de Indische Klok bij het Indisch Monument en daarna de herdenking op 15 augustus in aanwezigheid van HM de Koningin.
In
de 8 jaar van mijn ministerschap heb ik regelmatig overleg gevoerd met het
Indisch Platform: de vertegenwoordiging van de Indische Gemeenschap. In dat
overleg getuigde het IP herhaaldelijk van de onvrede die er bij velen in de Indische
Gemeenschap
leefde. Die onvrede betrof de kille ontvangst in Nederland
na de repatriëring, het onbegrip voor het doorgemaakte leed in en buiten de
kampen en voor de ellende tijdens de bersiap periode. Men voelde zich miskend
er weggezet als een stel "zeurpieten". Dat gebrek aan erkenning en begrip
leek kwetsender te zijn dan de materiële schade die men had geleden en waarvoor
al jaren vergeefs compensatie had gevraagd. (b.v. de "backpay
kwestie") Ik heb dan ook veel tijd en energie gestoken in het enigszins repareren van dat
gevoel van miskend zijn. Maar na zoveel jaren is dat helaas niet eenvoudig.
Een positief moment in
de contacten met de Indische gemeenschap was het tot stand komen van liet
Indisch Huis in de Javastraat in Den Haag. Ook daar is een hele geschiedenis van
problemen en onderling spanningen aan vooraf gegaan, maar we zijn er goed uit
gekomen.
Er
waren ook minder positieve momenten. Het bezoek van de Japanse keizer was er zo
een. Samen met de Minister President en de Minister van Buitenlandse Zaken heb ik een aantal
keren met het Indisch Platform over dat bezoek gesproken. Het Platform zag het
bezoek aanvankelijk als een goede gelegenheid om excuses en herstelbetalingen te
eisen, maar dat zijn zaken die zich moeilijk verdragen met het bezoek van
een bevriend staatshoofd. Over het oorlogsleed heeft de keizer uiteindelijk wel
iets gezegd.
Een andere spanningsvolle
periode beleefden we hij de voorbereiding van het kabinetsbesluit Om een
financieel
gebaar te maken naar 3 grote groepen oorlogsgetroffenen: de Joden, de Indische
groepering en de zigeuners. Deze kwestie startte toen de papieren van de LiRo
bank opdoken waarin keurig geadministreerd stond wat er allemaal aan geld,
sieraden en waardepapieren van Joodse Nederlanders was ontvreemd door de bezetter.
Dit leidde tot besprekingen over een financieel gebaar van de overheid, ter
gedeeltelijke compensatie van
Het kabinet heeft tenslotte
op min of meer arbitraire wijze de omvang van het "gebaar" vastgesteld.
Omdat de
Joodse mensen ook geld van banken en verzekeraars kregen. was het bedrag per
persoon daar hoger dan voor de twee andere groeperingen. Voor sommige leden
Men heeft het "Gebaar"
tenslotte geaccepteerd zoals het was, maar er is uit deze hele
Tot slot nog iets over de wetgeving. We hebben in Nederland een beter stelsel van wetten voor oorlogsgetroffenen dan veel andere Europese landen, Maar die wetgeving is pas laat tot stand gekomen:
-
de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (WUW) is van 1973
-
de Wet uitkeringen Burger oorlogsslachtoffers (WUBO) van 1984
-
de Wet Buitengewone Pensioenen Indisch Verzet (WIV) van 1986.
Minister
d'Ancora heeft in haar regeerperiode (l989-1994) nog iets aan de wetten verbeterd,
maar heeft toen tevens met de Kamer afgesproken dat we de wetten verder met rust
te laten. Want iedere wijziging, met alle Kamerdebatten die
daarbij horen, geeft weer veel commotie bij de doelgroepen.
Toch
heb ik mij geroepen gevoeld om ook nog een wetswijziging door te voeren. Ik
wilde namelijk niet voorbijgaan aan het toenemend aantal signalen dat de procedures bij
de uitvoering in toenemende mate als belastend werden ervaren. Het ging dan
net name om de zogenoemde causaliteitseis: het moest aantoonbaar zijn dat de
lichamelijke en psychische klachten, op grond waarvan men een uitkering aanvroeg
(voor huishoudelijke hulp, extra vakantie of psychosociale begeleiding), direct
voortvloeiden uit de oorlogservaringen. Dit werd, naar mate de oorlog verder
achter ons lag, natuurlijk steeds moeilijker.
Daarnaast
werden sommige kortingen als onrechtvaardig beleefd. In 1998 heb ik daarom een
Adviescollege Uitvoering Wetten voor Oorlogsgetroffenen ingesteld.
Ik vroeg dit college advies over mogelijke vereenvoudigingen hij de uitvoering
van de WUV, de WIV en de WUBO. Het college deed een aantal zinnige voorstellen,
die ik heb gebruikt om in augustus 2000 een voorstel tot wetswijziging in te
dienen. Zowel de Tweede
- het vervallen van de
causaliteitseis voor mensen boven de 70 jaar
-
het
introduceren van het recht op tijdelijke voortzetting van een aantal voorzieningen na het
van de gerechtigde, ten behoeve van de partner
- voortzetting van de ziektekostentoeslag na het 65e levensjaar
-
verbetering van de AOW kortingssystematiek
- het vervallen van de
korting voor arbeidsinkomsten boven de 65
- de mogelijkheid van de formele erkenning als
oorlogsgetroffene, ook als men
niet voor een
Dames en henen,
Ik denk dat we als Haagse
politici tussen 1994 en 2002 erin zijn geslaagd om op een aantal punten het
leven van oorlogsgetroffenen in ons land te veraangenamen. Maar voor veel
mensen blijft het toch "too little, to late. Zo is voor veel Indische
Nederlanders de terugkeer in Nederland een teleurstelling geweest waar ze niet meer
overheen zijn gekomen. Gelukkig geldt dat niet voor iedereen. Maar het lijdt
geen twijfel dat Nederland tekort is geschoten in begrip, In warmte en in
belangstelling voor wat u en anderen in de oorlogsjaren in het voormalig
Nederlands Oost lndiê hebt doorgemaakt. Men was hier natuurlijk vol van het
eigen doorstane leed, naar dat is toch geen excuus
Ik hoor vurig dat er geen volgende keer komt, maar als die zou komen moeten we het beter doen.
Intussen
moeten we de volgende generaties blijven vertellen wat er is gebeurd. Je
geschiedenis kennen is een eerste voorwaarde om in de toekomst minder fouten te
maken; het is helaas geen garantie. Er is op vele plaatsen in de wereld ellende
door oorlogsgeweld Ook nu komen er mensen naar Nederland die elders vreselijke
dingen hebben meegemaakt en hun verhaal willen en
Ik
wens u dan ook veel succes bij de voortzetting van uw werk.
Dr. Els Borst-Eilers
___________________________________________________________