Organisatie --  Agenda -- Verhalen --  Documentatie-- Actualiteiten -- Een gastdocent vertelt -- Aanvragen gastles -- Links -- Index 

Het oudste wezen op aarde, en de mensch
uit
Waar Mensch en Tijger buren zijn
Legendarisch overlevering over voorvaderen en onzichtbare wezens.
(Opgetekend in 1927 door L.C. Westernenk)

 

 

Permandjika Alla ( 1 ) tikte een stofje van achter het oor...
zóó ontstond de eerste vaste stof in het heelal. Het werd grooter en grooter, en toen het acht vadem in het vierkant mat, zette God zich er op neer.
Toen God nu naar beneden zag, ontstond de aarde, en toen hij opkeek naar boven, strekte zich daar de groote hemel uit.

En bij het zien naar links en naar rechts werd de zee geschapen, door het blazen van de wind.
Naast God waren de aartsengel Israpel, Mikaïl en Djabraïl, en de vijfde was Allah ta'ala, Onze Lieve Heer.
Toen sprak God: "Laat ons nu Adam scheppen!"
En er werd klei gehaald van Modjopahit, en Onze Lieve  Heer en de aartsengelen kneedden het, om Adam te vormen.
Maar God zag, dat het schepsel vier beenen had, en Hij sprak: "Dit is Adam nog nog niet", en de goddelijke adem blies het schepsel naar de aarde en het was daar De Oudste, Setoewó, de Tijger.
Nu werd nieuwe klei van Modjopahit gehaald, maar de engelen vormden er schepsels uit van negen, acht en zeven vadem lang, en zij werden tot goddelijke wezens: de Dewá, negen in aantal, en de acht
 Déwata's (déwa, déwata: Hindoesche goden)  en de zeven Déwa's, maar Adam was nóg niet gelukt.

Toen maakte Onze Lieve Heer  een schepsel met vier pooten en een lange staart. Maar God wist hoe Adam zijn moest, noemde dit wezen Alilias en liet het in zee vallen, den Krokodil.
Toen zeide God den aartsengel Djabraïl zich te spiegelen in het stille water van een diepe rivierbocht, en naar het beeld, dat het water weergaf, werd Adam gevormd, en God noemde hem Ali Mohammad.

Nu gaf God een menschenziel aan Onze Lieve Heer, liet hem die goed in de gesloten hand houden om haar aan Adam te brengen en hem die ziel in te blazen.

Tot 4 maal toe opende Onze Lieve Heer onderweg de hand, eerst de vijfde maal kreeg Adam zijn ziel.
Toen sprak God: "Gij hebt vier malen uit uw hand laten vallen, wat ik u gegeven had. Gaat heen en ziet, wat daaruit geworden is!"
En nu zag Onze Lieve Heer, dat op de plek, waar hij de eerste maal zijn hand had geopend, pisang's (bananen) waren opgeschoten; op de plaats, waar het voor de tweede maal was gebeurd, groeide kladi (eetbare colocasia); mais zag hij op de derde plek, en rijst was het laatste der gewassen, welke, door de wijsheid en goedentierenheid van God, aan de mensch waren vooraf gegaan om hem te voeden.

_._._._._._._

1
Permandjika Allah, een verbastering van het Arabisch firman Allah, het goddelijke woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de residentie Benkoelen, is een kostelijk voorbeeld van vermenging van mohammedaansche, uitheemse en daardoor onbegrepen zaken, en bekoorlijke zielsuitingen van den "heiden" met zijn terugblik naar de Hindoe-Javaanschen  tijd (de klei van Modjophit!), met zijn goden en zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot "ouderen" van den mensch.
  

 

 

 

 

 

 

 

            Opgetekend februari 1927