organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

 

 

1. van 1590 tot 1940 Naar index geschiedenisNaar het volgend hoofdstuk

 

 

 

1.1 NOTEN EN NAGELEN

Al voor de middeleeuwen was de Indische archipel in Europa bekend om haar specerijen: die verhoogden de smaak en de houdbaarheid van het voedsel. Zij werden door karavanen over land aangevoerd en waren peperduur. Bereikbaarder werden deze specerijen toen Venetië in het jaar 1212 het eiland Kreta veroverde, dat een centrum werd voor de specerijen-handel op Europa. De Arabieren voerden hier ook specerijen over zee aan, onder meer vanuit de zuidelijke havenplaats Muscat in Oman. Palla-noten heten in Europa sindsdien noten uit Muskaat.  

Een meer directe belangstelling van Europa voor Zuid-Oost-Azië ontstond in de 15e eeuw, toen zeevarende naties zeilschepen hadden ontwikkeld, waarmee het oversteken van oceanen mogelijk werd.

Spanjaarden en Portugezen beten het spit af en zochten hun weg naar China, Japan en Indië. De Spanjaarden wisten dat de aarde rond was, zij zochten die weg ook westwaarts en vonden in 1492 naar hun overtuiging de oostkust van het Aziatische Indië. Het nieuw ontdekte land bleek later een heel nieuw werelddeel te zijn. Dat de naam Indianen iets met Indië te maken heeft is bekend: dat komt voort uit deze misvatting. De naam Indië zelf is van veel oudere datum: Alexander de Grote breidde zijn rijk uit naar het oosten, tot aan de rivier de Indus. Toen werd de naam Indus het synoniem voor landen met een specerijen-cultuur.

Indonesia betekent in het grieks: de eilanden voor de rivier de Indus.

 De Portugezen vonden behalve Voor-Indië ook de weg naar de Molukken en bouwden daar hun handelsposten, de Spanjaarden nestelden zich in de Philippijnen.

Daarna volgden in de 16e eeuw de Engelsen en Hollanders als nieuwe zeevarende mogendheden. Holland moest zich door het ontbreken van voldoende middelen toeleggen op de bouw van goedkope schepen met minder kostbare details, een simpeler tuigage en eenvoudiger bediening. De Zaanlandse "Fluit" kon een kwart meer lading vervoeren dan vergelijkbare zeilschepen. Het Amsterdamse "spiegel-retourschip" was goedkoop zowel in aanschaf aJan Huyghen van Linschotenls gebruik. Beide typen werden in seriebouw gemaakt en door andere landen nagebouwd.

De Hollanders en Zeeuwen dachten net als de Spanjaarden gebruik te maken van het feit dat de aarde rond was. Maar zij waren niet zo fortuinlijk en hun pogingen om de noordelijke doorvaart te vinden strandden tenslotte in 1595 op Nova Zembla.

De eerste stap in de goede richting werd gezet door Jan Huyghen van Linschoten, de eerste Hollander die aan boord van een Portugees schip in 1583 naar het huidige India voer. Zijn ervaringen heeft hij in 1593 vastgelegd in een Reys-Gheschrift en Itenario, vol aanwijzingen en kaarten. Zij werden de directe aanleiding voor de "eerste schipvaert naer Oost Indiën".

Cornelis de Houtman, kapitein op de eerste zeiltocht, vertrok met vier schepen en 250 man uit Texel op 2 april 1595 en bereikte met 180 overlevenden de rede van Bantam op 22 juni 1596. Commercieel werd deze tocht geen succes: met drie schepen, 89 man en weinig peper keerde men terug in augustus 1597. Maar de weg was gevonden: vijf vloten met in totaal 22 schepen vertrokken in 1598, gelokt door de lucratieve handel in noten en nagelen. Van Neck keerde in mei 1599 met een rijke buit terug, zo ook Van Heemskerck in mei 1600 en Van Warwijck in augustus 1600.

Op zijn tweede tocht sneuvelde De Houtman in 1599 voor de kust van Atjeh, zijn broer Frederik werd daar gevangen genomen. De relatie met Atjeh werd in 1601 hersteld door een Zeeuwse vloot onder De Roy en Bicker: Frederik werd bevrijd. Op de terugtocht naar Holland reisde in 1602 een delegatie uit Atjeh mee, zij bezocht Prins Maurits. Het hoofd van de delegatie stierf dat jaar in Middelburg en werd daar begraven

____________________________________________________