| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index |
1.
van 1590 tot 1940
1.3 HET BATIG SLOT 1816-1900
Na de Franse bezetting onder Daendels, de Britse bezetting onder Raffles en het Wener congres kwam Indië in 1816 weer onder Nederlands bestuur. De instelling van de ambtenaren was wezenlijk anders: geen overheersend winststreven meer, belangstelling voor de bevolking. Een bestuur dat volstaan kon met een handjevol Nederlandse ambtenaren, dat voor de uitoefening van het gezag steunden op de inheemse vorsten en regenten. Dat deze inheemse hoofden niet altijd in hun waarde werden gelaten, toonde al snel de Java-oorlog.
Prins Diponegoro was de oudste zoon van de sultan van Yogya. Toen zijn Vader overleed werd zijn jongere halfbroer sultan. Deze nieuwe sultan werd vergiftigd en na diens dood werd Diponegoro door het Yogyase hof opnieuw gepasseerd ten gunste van een jong neefje. In de toen volgende successie-oorlog koos het gouvernement de zijde van de kleine sultan en diens regent. Prins Diponegoro echter kreeg veel steun van inheemse regenten en religieuze leiders. Dit leidde tot de langdurige Java-oorlog (1825-1830), waarbij veel militairen omkwamen.
Eerst kon het gouvernement geen vuist maken omdat haar leger te klein was en een moeizame strijd streed in Zuid-Celebes. Daar had de beeldschone zuster van de vorst der Boeginezen tot twee maal toe een opstand ontketend tegen haar broer en tegen het gezag van Batavia.
Toen die strijd ten einde was, kreeg het leger in Midden-Java nog geen voet aan de grond. Het werd geplaagd door cholera en
tropische ziekten, door het lage gehalte van de troepen en vooral door een foutieve strategie. Die maakte het leger tot een te makkelijk slachtoffer van de snelle ruiter-uitvallen van Sentot, de jonge, militante aanvoerder van prins Diponegoro.
Generaal
H.M. de Kock herstelde vanuit een netwerk van versterkingen (bentengs) orde en
rust, zodat het economisch leven weer zijn loop vond. De prins zag toen dat de
steun van de plaatselijke hoofden en de bevolking geleidelijk verdween.![]()
Toen
ook zijn generaal Sentot overliep zag de prins geen uitweg meer. Hij trok met
zijn getrouwen naar Magelang om zich over te geven; het zogenaamde
"verraad van Diponegoro" berust op een artistieke fictie. Hij
verkocht zijn huid duur. Overeengekomen werd dat hij een jaargeld kreeg, en
een kraton met hofhouding in Makassar.
De schatkist van Nederland was volslagen leeg door de Napoleontische oorlogen, de Belgische opstand en de Java-oorlog. Van den Bosch ontwierp een welvaartspolitiek voor Indië, waarbij hij ook een lots-verbetering voor de inlander zocht. Hij ging uit van het Engelse systeem van de landrente, waarbij 40% van de opbrengst van de bodem aan het gouvernement werd afgedragen. Hij stelde voor dit kwantum tot 20% te verlagen, maar dan wel te leveren in produkten, die het moederland via de Nederlandsche Handel-Maatschappij met succes in Europa kon verkopen. De inlandse tani's kregen hiervoor een plantloon, dat destijds zeer redelijk was. De herendiensten konden dan worden afgeschaft.
Dit cultuurstelsel bleek in het begin een succes te zijn voor beide partijen. Van het plantloon konden de bevolking nu textiel uit Twente kopen, ook kon elke dessa zich een gamelan permitteren.
Ook op termijn waren de effecten
gunstig: in het binnenland werd geïnvesteerd, de bedrijvigheid nam toe, er
kwamen bruggen en de wegen werden ook begaanbaar in de natte tijd.
Later
bracht het stelsel voor Nederland wel de winst, maar voor den Inlander lang
niet altijd de beoogde lasten-verlichting. Willekeur van residenten, verhoging
van het aandeel en handhaven van herendiensten staken de kop op. De
financiering van meerjarige gewassen als koffie, het transport van suiker, de
intensievere bewerking van de grond, dit alles verminderde voor de bevolking
het resultaat. Dat was niet het doel, waar Van den Bosch als
commissaris-generaal en als minister van koloniën tussen 1828 en 1840 zo voor
ijverde. De teelt van koffie, daar zag de bevolking wel het nut van in, maar
de verbouw van indigo putte de grond te sterk uit en het planten van suiker
vroeg veel arbeid en ontnam water aan de sawah's.![]()
In
Nederland kwam veel kritiek los in de Tweede Kamer. Niet in het minst na het
verschijnen in 1860 van de Max Havelaar van Eduard Douwes Dekker, de befaamde
literator, wiens boek in tientallen talen werd vertaald. Hij gold als het
idool van menig
jonge BB-ambtenaar. Toch bestreed hij niet primair het
cultuurstelsel. Hij wenste een rechtstreeks ingrijpen door het gouvernement in
gevallen van knevelarijen door lokale hoofden. Dat ingrijpen liep vaak uit op
grote onvrede bij de inheemse regenten en de bevolking, zoals daarvoor bij de
Java-oorlog was gebleken. Het gouvernement koos er daarom voor, om de
bestraffing van het inheemse hoofd te leiden via de inheemse regenten. Douwes
Dekker wilde daar niet op wachten en nam in 1857 ontslag. In datzelfde jaar
werd het knevelende inheemse hoofd gekapitteld en het districtshoofd
ontslagen, nu met instemming van de regenten.
Tussen 1848 en 1867 verschoof de zeggenschap over de kolonie van de Koning naar de Staten-Generaal. In 1863 werd een voormalig planter uit de Oost, de liberaal Franse van der Putte, minister van koloniën. Hij keerde zich tegen "het batig saldo uit dwangarbeid" en schafte veel van de verplichte cultures af, met uitzondering van suiker en koffie. Na 1870 werd ook het suiker-program afgebouwd. Koffie verdween pas in het begin van de vorige eeuw.
In 1879 kreeg hij ook de steun van de Anti Revolutionaire Partij, die in haar program de staats-exploitatie van Indië verwierp: "Ik heb niet het recht om van den akker van mijn buurman te leven", aldus A. Kuyper.
Intussen
was oo
k het Nederlands gezag in de archipel gevestigd. Dat ging niet overal
zonder slag of stoot: in 1849 werd Bali bezet, in 1854 werden de Chinezen van
Montrado in Borneo verslagen, in 1862 volgde prins Hidajat in Banjermasin.
Expedities werden uitgezonden naar Bantam
(1888) en Deli (1893). Dit alles riep weinig kritiek op in het moederland, maar
dat werd anders in de Atjeh-oorlog, vooral toen dat lang ging duren. De strijd
werd daar in 1873 ingezet met de benteng-tactiek uit de Java-oorlog, maar dat
werd hier een fiasco. Overste Van Heutsz verliet deze defensieve aanpak,
verzekerde zich van de steun van de lokale hoofden en van de bevolking, door het
platbranden van sawah's en dessa's te verbieden. Hij kon daardoor in 1901 met
zijn beweeglijke marechaussee-brigade de dynastie opsporen van opstandige
elementen als Tuku Umar en Panglima Polem. Hij sloot daarop met de Atjehers een
voor hen eervolle vrede.
Het
optreden van Van Heutsz wordt vaak verward met dat van zijn opvolger Van Daalen,
die in 1904 de niets ontziende tocht naar de Gajo en Alas-landen ondernam. Van
Heutsz, inmiddels gouverneur-generaal trachtte Van Daalen tot andere gedachten
te brengen, maar die had daar geen boodschap aan. Deze starre houwdegen werd
daarop door Van Heutsz in 1907 ontslagen.
_____________________________________________________________________