| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index |
1.
van 1590 tot 1940
1.4 DE ETHISCHE POLITIEK 1900-1930
Aan het einde van de 19e eeuw waren de meeste verplichte cultures van het zogenaamde "Batig Slot"-stelsel afgeschaft; een nieuwe aanpak kwam daarna.
Het waren vooral de geschriften van Van Deventer en Raden Adjeng Kartini waardoor rond de eeuwwisseling "de ethische politiek" als het nieuwe uitgangspunt gold en Nederlands-Indië niet meer als wingewest werd beschouwd.
Mr. C. van Deventer (1857-1915), ooit griffier bij de Raad van Justitie in Ambon, schreef: "De grote meerderheid der Inlanders is tevreden of niet ontevreden, of weet niet beter. Maar les ideés marchent, zelfs in Indië." Dit was in 1899 te lezen in De Gids, waarin hij zijn artikel "Een Eereschuld" publiceerde. Hij berekende daarin, dat Nederland sinds 1867 aan Indië 187 miljoen gulden had onttrokken, "de restitutie daarvan dat is de Eereschuld van Nederland."
Raden
Adjeng Kartini (1879-1904) was de dochter van de verlichte regent van
Japara. Omwille van de traditie stemde zij toe in een
gearrangeerd huwelijk met de Regent van Rembang. Tien maanden daarna
overleed
zij bij de geboorte van haar eerste kind. Haar brieven geschreven in
onberispelijk nederlands zijn pas in 1911 in Den Haag uitgegeven. Haar
kritiek op het Nederlands bestuur en haar betoog voor de Javaanse
vrouwen-emancipatie maakte in Nederland diepe indruk. Bij de inheemse adel
op Java was er echter veel weerstand.
Voor de "inlossing van de Eereschuld" en de "opheffing van den Inlander" werden welvaartscommissies ingesteld; in de Nederlandse begroting verschenen aanzienlijke bedragen voor ontwikkelingsprojecten.
Van Heutsz ontpopte zich daarbij als "Empire Builder": na de pacificatie van Atjeh en andere opstandige gebieden zorgde hij, als gouverneur-generaal, voor de 3-jarige dessascholen en hij subsidiëerde Indonesische kranten en volkslectuur. Waar nog het militair gezag van het KNIL heerste, werd dit vervangen door het Binnenlands Bestuur, een corps dat bestond uit slechts enkele honderden europese ambtenaren. Deze zorgden door middel van de regerende inheemse regenten en hoofden voor een gecoördineerd beleid en de bestrijding van knevelarijen. Van Heutsz maakte deze inheemse regenten via de korte verklaring allen tot betaalde ambtenaren van het gouvernement. Hij stelde ook voor om Indonesiërs op hoge ambtelijke posten te benoemen, maar dit werd door de Nederlandse regering niet overgenomen.
Ook pleitte hij voor de "gelijkwaardigheid van alle rassen" binnen het koninkrijk.
In het huidige Indonesië wordt Van Heutsz in ere gehouden als bouwer van het eilandenrijk: hij heeft het niet alleen bijeen gebracht, maar ook bestuurbaar gemaakt en de ontwikkeling van het volk ter hand genomen.
De infrastructuur werd hiervoor aangepakt; allereerst door met de Koloniale Marine de zeeroverij en smokkel tegen te gaan. Haar opvolgster de Gouvernements Marine zorgde bovendien voor kartering, bebakening en kustverlichting. Toen er eenmaal veilige zeeverbindingen bestonden tussen de eilanden kwamen er havens, prauwenvaart en scheepvaart-maatschappijen als de KPM, de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij. Om een goede toevoer vanuit het binnenland te garanderen ontstond een beter wegennet naar de havens. Op Java kwam een spoorwegnet voorzien van bruggen over de diepe ravijnen op zeer hoge peilers.
Hierdoor kon de invloed van het gouvernement worden uitgebreid naar gebieden, die tot dan voor bestuurambtenaren moeilijk bereikbaar waren. Mede hierdoor kwam er nu een definitief einde aan de slavernij. Die was in 1860 formeel afgeschaft, maar was in verschillende vormen blijven voortbestaan in moeilijk toegankelijk gebieden.
Eenvoudig was dit alles niet: de statische inheemse samenleving en gevestigde belangen van planters moesten keer op keer overwonnen worden. Zo bleek de situatie van de koelies in Deli verre van fraai te zijn. Na het Rhemrev-rapport uit 1904 werd de Arbeidsinspectie in 1908 ingesteld en in 1915 kwam een nieuwe wet op het aanmonsteren van koelies. Dat verbeterde de arbeidsomstandigheden, ook in Deli.
Binnen de ethische politiek werd er nog meer aangepakt, de gezondheidszorg en het onderwijs werden versterkt. In 1914 werd de 3-jarige school een 6-jarige opleiding bij de Hollands-Indische School, op Kartini- en Van Deventer-scholen. In 1938 waren er 21.000 scholen met 50.000 onderwijskrachten en kreeg 30% van de kinderen lager onderwijs.
Ook de rechtspraak en het gevangeniswezen werden hervormd. Er kwamen moderne gebouwen met goede werkplaatsen. Het gemiddeld aantal gevangenen liep terug van 56.000 personen in 1922 tot 42.000 in 1928, en dat bij een bevolkingstoename van 22%
Woekerpraktijken werden tegengegaan door de oprichting in 1903 van een Volkskredietbank en pandhuizen; dit ter bestrijding van de omvangrijke woekerpraktijken tegen rentepercentages van 100-120% per jaar.
De
landbouw werd gestimuleerd door het verbeteren van de irrigatie, waardoor
ook in hoger gelegen gebieden stromen werden afgedamd en natte rijstbouw
mogelijk werd. Ongeslepen zilvervliesrijst en maïs werden als nieuwe
gewassen ingevoerd; in de strijd tegen de malaria werd eetbare vis uitgezet in
plassen en meren. De modelwoning en de modelkampong verschenen: holle bamboe
en atapdaken verdwenen daar ter voorkoming van de pest, en werden vervangen
door hout en pannen.![]()
_______________________________________________________________