Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

Vorig hoofdstukNaar index geschiedenisVolgend hoofdstuk

1. van 1590 tot 1940  

 

1.5 DE JAREN DERTIG  1930-1940

In de Indonesische samenleving waren kort na de eeuwwisseling de eerste symptomen zichtbaar van een nationalistisch besef. Vooralsnog beperkte zich dit tot de voorgangers in bepaalde lagen van de inheemse bevolking: bij de religieuze leiders, de middenstand en bij de Indonesische studenten aan de universiteiten in Nederland en Nederlands-Indië. Bewegingen als Boedi Oetomo, de Sarekat Islam en de Perhimpoean Indonesia beleefden korte perioden van hoge belangstelling. Maar in weerwil van lokale opstanden in 1915 en 1926 kwam het niet tot een brede en duurzame volksbeweging.

Daarin kwam verandering toen Ir. Soekarno, afgestudeerd aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, zich rond 1930  stond niets minder voor dan de totale opheffing van het Nederlands gezag. Daarmee nam het afstand van groeperingen, die weliswaar hetzelfde doel van zelfbestuur nastreefden, maar dan op langere termijn. Het was vooral de inheemse adel, die meende dat een geleidelijke overdracht van het gezag de culturele, economische en educatieve ontwikkeling van het land veilig zouden stellen.

In 1929 brak de grote wereldcrisis uit. Op de salarissen werden een kwart tot een derde gekort, de cultures kregen een nekslag toen de wereldhandelprijzen terugvielen tot beneden de kostprijs: dit werd het begin van massale ontslagen. De export liep van 3,3 miljard gulden in 1920 terug tot / 1,1 miljard in 1938. Mede onder invloed van sociaalpacifistische stromingen als "het gebroken geweertje" werden de defensieuitgaven sterk geredu­eerd, hetgeen de aanzienlijke verzwakking van de strijdkrachten inleidde.

Voor ontwikkelingsgelden was ook geen ruimte meer toen jaar na jaar de rijksbegroting werd teruggeschroefd. De onrust die dit veroorzaakte werd onder andere zichtbaar bij de Koninklijke Marine: op de Zeven Provinciën brak in 1933 een muiterij uit. Matrozen kwamen in verzet tegen de opnieuw verlaagde gages. Evenals in het moederland zat de angst voor een communistische staatsgreep er diep in: de salarisopstand werd ineens gezien als een politiek signaal. Het schip werd gebombardeerd, de muiters gestraft.

Helaas is het achteraf duidelijk geworden, dat de ethische politiek haar eigen graf heeft gegraven. De nieuw aangetrokken ambtenaren, artsen, docenten, landbouwdeskundigen en technici hadden vaak niet de instelling om het land en zijn bevolking te ontwikkelen en op termijn binnen het Koninkrijk tot zelf bestuur te brengen. Zij woonden in europese stadswijken, waar weinig of geen contact was met de bevolking. De wanden van hun huiskamers werden niet meer gekapoerd, maar met papier beplakt; het indische eten verdween van het menu. De eertijds veel verguisde inheemse "huishoudster" had ooit haar blanke Toewan naast het maleis ook de lokale taal geleerd en hem de zeden van haar volk bijgebracht. De heren van de thee, de suiker en de koffie stonden dicht bij de bevolking en kenden hun zorgen en verlangens. Die rol was uiteraard niet alleen voorbehouden aan de "njai", BB-ers en planters hadden vaak hun inheemse raadsmannen, vertrouwenslieden die waakten over een goede verstandhouding met de bevolking.

Dat gold niet meer voor de nieuwkomers, die spraken vaak slecht maleis, laat staan een andere taal en kenden het binnenland nauwelijks. Zij werkten vol ambitie aan hun project, aan hun irrigatie, aan hun spoorwegen. Alleen een voortbestaan van het blanke gezag kon op den duur deze moderne infrastructuur in stand houden, meenden zij. De resultaten van het verbeterde onderwijs aan de inheemsen waren immers "te pover". Ook binnen het Binnenlands Bestuur verschraalde de invloed van de ethische groep, niet in het minst omdat haar greep op de ontwikkeling van het land nu versneld werd afgebouwd en afvloeide naar het beleid van de nieuwe specialisten.

Leden van de progressief liberale beweging "De Stuw" en de conservatieve "Vaderlandse Club" stonden polemisch recht tegenover elkaar. Deze controversie werd nog versterkt door het bezoek van Anton Mussert in 1935 aan de Indische NSB. Zijn tocht was een succes, het oranje-blanje-bleu wapperde van menige vlaggestok. Hij werd zelfs twee keer ontvangen door gouverneur generaal De Jonge. Mussert wees op het groeiende gevaar van Japan, de nieuwe Aziatische imperialist. Mussert's ideeën over de blanke suprematie wakkerde het verzet aan tegen de ethische politiek, die nu openlijk in de pers werd bekritiseerd.

De leiders van de PNI werden in 1934 naar Boven Digoel verbannen, de gouverneurgeneraal De Jonge had daarvoor welis­waar de wettelijke macht; er volgde echter geen proces.

De Nationalisten werden actief in de Volksraad, een adviserend orgaan uit 1918, waarin sinds 1929 de Indone­siërs de meerderheid hadden. Maar ook de voorstanders van de geleidelijke overdracht roerden zich. Bij de petitie van Soetardjo in 1937 werd een RijksConferen­tie voorgesteld over de toekomst van het Koninkrijk om binnen tien jaar te komen tot autonomie voor Nederlands-Indië binnen het Rijksverband. De motie kreeg de meerder­heid in de Volksraad, maar een negatief advies van de Gouverneur Generaal Tjarda en vier departementshoofden. De petitie haalde in Nederland de Tweede Kamer niet en werd in 1938 bij Koninklijk Besluit afgewezen.

 

In februari 1940 werd in de Volksraad weer over autonomie gesproken, drie moties werden aangenomen: van Thamrin, Soetardjo en Wihoho. Deze laatste bepleitte de instelling van een Rijksraad van vier gelijkwaardige en zelfstandige Rijksdelen. De onderzoekcommissie Visman bepleitte kort daarop de directe belofte om de dominionstatus te realiseren binnen vijf jaar. Ook nu kwam er een negatief advies van de Gouverneur Generaal. Het antwoord van de regering in Londen kwam in maart 1941: na de oorlog zou in een Rijks Conferentie over de toekomst van het Koninkrijk worden gesproken.

Roeslan Abdoelgani zou hierover later zeggen: Gij hebt goed over ons geregeerd, maar U hebt steeds zònder ons geregeerd. En de toenmalige voorzitter van de Volksraad Jonkman schreef: Wij hebben ons spelregels opgelegd die ons het spel mòèsten doen verliezen.

 

In april 1940 kwam in de Volksraad de behandeling van het vlootplan voor drie slagkrui­sers. De Nederlandse en Indische strijdkrachten waren nodig aan modernise­ring en uitbreiding toe. Maar toen de Volksraad dit vlootplan goedkeurde was Nederland bezet.

Het zag er somber uit: de as Berlijn-Rome uit 1937 werd in september 1940 uitgebreid tot Tokyo. Al in augustus 1936 had de Japanse regering laten weten dat haar plannen voor het Groot Aziatische Dai Nippon zich uitstrekten tot en met de Philippijnen en Neder­lands Indië.

_______________________________________________________________