Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

Naat het vorige hoofdstukNaar index geschiedenisNaar het volgende hoofdstuk

 2 De Japanse
 aanval

 

2.3 INDIË WEERBAAR

In mei 1940 stak de strijd in midden China weer de kop op: in juni woedde de slag om Ichang, voor de doorstoot naar Tsjoengking, de tijdelijke Chinese hoofdstad. In juli 1940 werd door de Japanners kort en goed de toegang tot Frans Indo China opgeëist; het duurde tot eind septem­ber voor Japan zijn zin kreeg. Daarna golfde de strijd weer terug naar China en wel helemaal naar het noorden naar de havenplaats Wei Hai Wei.           

In Indië was het toen wel duidelijk, dat Japan eens zou doorstoten naar het zuiden, richting het andere lege continent Australië. Groot was de verbazing toen Japan in september 1940 doodleuk een delegatie naar Batavia stuurde om de aankoop te regelen van de olie, die het voor zijn oorlogsinspanning nodig had. De vraag naar olie was acuut geworden omdat de Verenigde Staten sinds augustus 1940 een strikt olie embargo hanteerde. 

De onderhandelingen sleepten zich ruim negen maanden voort, pas in juni 1941 zou Japan er zich bij neerleggen, dat er uit Indië geen drup te halen was. Vooral Dr. Van Mook toonde zich een taai onderhandelaar. Hij werd daarbij flink geholpen door onze Indische codebrekers, die er voor zorgden, dat hij de Japanse politieke manoeuvres al kende voordat ze uitgespeeld werden.

Later zouden de Indische codebrekers in het "Wind-code telegram" het voorbericht van de Japanse aanval in de Pacific onderscheppen. De Amerikanen onderschatten toen de betekenis hiervan. Later zouden zij de Indische techniek van het decoderen actief gaan benutten. Bij de grote zeeslagen en de duikboot-oorlog hebben zij grondig geprofiteerd van de vooraf bekende bewegin­gen van de Japanse marineschepen en vliegtuigen.

In de laatste maanden van 1940 begon de operatie Indië Weerbaar: na de Landstormdienstplicht voor ouderen, kwamen de Stads- en Landwachten, de Hulppolitie, de Lucht Beschermings Dienst, het Vrijwillig Vlieger Corps, de COVIM met cursussen luchtbescherming en eerste hulp en de VAC chauffeuses.

Er kwam nieuw militair materieel, daarvan waren de vliegtuigen het meest opvallend. Eerst de Curtiss Hawk, later de Curtiss Interceptor, die ooit bedoeld was geweest voor Nederland. Verder verschenen jeeps, toen nog Blitz Buggies genoemd. Een jaar later zou de Brewster Buffalo geleverd worden: ogenschijnlijk een korte felle horzel. Maar bij de ML, de luchtvaartafdeling van het KNIL, wist  men dat dit toestel zich niet kon meten met moderne toestellen als Spitfires, Hurricanes en Curtiss P-40, maar er was niets anders te koop.

Bij de modernisering van het leger wreekte zich het probleem, dat het KNIL was opgezet als politieleger. Een betrekkelijk kleine macht van 40.000 man moest overal in de gehele archipel inzetbaar zijn; elk bataljon moest autonoom kunnen optreden. Er was geen centraal commando, geen centrale logistiek. De mobiliteit was daardoor hoog. Maar er ontbrak een centrale strategie, zowel in tactiek, training als mentaliteit. Men miste de organisatie en de ervaring van het gecoördineerd optreden van grondtroepen met veldgeschut, pantservoertuigen en vliegtuigen. Recente ervaring opgedaan in Europa was niet vastgelegd noch doorgegeven. Evenals alle koloniale legers der geallieerden bleef het Indische leger wat het was: een groot aantal, zelfstandig opererende kleine eenheden. Bataljons die getraind waren op de aanval: "poekoel teroes!" en slecht voorbereid op de verdediging.

De oorlog in het westen had een heel andere wending genomen: het was Italië dat van zich liet spreken. In september 1940 viel Italië vanuit hun protectoraat Libië nu Egypte binnen. Albanië was al in april 1939 onverhoeds en zonder strijd bij Italië ingelijfd. In oktober 1940 viel Italië vanuit Albanië ook Griekenland aan. In de Italiaanse opzet van de "Mare Nostrum" paste dat goed, maar het was duidelijk dat het echte doel van deze dubbele actie het Suez-kanaal was. Als dat bereikt werd hadden de As-mogendheden de Middellandse zee praktisch onder controle.

Maar het liep anders: de Grieken vochten venijnig terug, ze versloegen de Italianen bij het Pindusgebergte en in november achtervolgden ze hen tot ver in Albanië. Vlak daarop begon ook het Britse tegenoffensief in Egypte en daar werd Sidi Barani snel heroverd. In Libië vielen daarna Toebroek en Benghazi in Britse handen en ook in Ethiopië vielen de Engelsen binnen en kregen de Italianen het zwaar te verduren.

De Italianen kregen dan wel harde klappen, maar de Duitsers waren allerminst verslagen. De Luftwaffe bracht drie Engelse oorlogsschepen tot zinken in de Middellandse Zee, bombardeerde Benghazi en wierp mijnen in het Suezkanaal. Twee beschadigde Duitse vestzakslagschepen, de Scharnhorst en de Gneisenau konden uit het Skagerak ontsnappen naar de Noordzee en ongehinderd in reparatie gaan in de Franse haven Brest. 

Nog ernstiger was het Duitse offensief in de Balkan, dat ging verschrikkelijk snel. Even leek het of de minderjarige koning Peter van Yoegoslavië met een staatsgreep enige weerstand kon mobiliseren. Maar in april 1941 al werd zijn land, na Hongarije en Bulgarije, onder de voet gelopen, en daarna volgde ook Griekenland .

Ook in Noord-Afrika snelde de Wehrmacht de Italianen te hulp en met groot succes: Benghazi werd door de Britten weer ontruimd voor de aanstormende Rommel. Dat de RAF zijn eerste aanvallen op Berlijn uitvoerde scheen Hitler niet te hinderen: eind 1941 heeft de As de geallieerden verslagen, schreeuwde hij.                 

In Indië kwam er begin 1941 een nieuwe actie om de Engelsen te helpen bij de oorlogsvoering. Er werd nu aluminium ingezameld en menig pannenstel vond zijn weg naar de vliegtuigindustrie. Ook werd er een actie gestart om een maand salaris af te staan.

In de Verenigde Staten werd de lendlease bill ingediend: de neutrale VS kon oorlogsmaterieel aan de geallieerden lenen of verpachten. Churchill kon nu de kostbare oorlog financieren en kreeg vrije toegang tot de Amerikaanse industrie en diens ongekende mogelijkheden.

Vliegers van de ML, de luchtvaart-afdeling van het KNIL, gaven zich op als vrijwilliger voor de RAF; drie van hen vertrokken in december 1940 naar Engeland. Slechts een van hen, vaandrig Jan Daanen zou het er levend van afbrengen. Hij keerde een jaar later terug met het vliegerskruis en zou aan de Indische vliegers zijn oorlogservaring overdragen. Maar daar kwam weinig van terecht, want Nederlands-Indië beschikte niet over radar en kreeg ook geen moderne jagers. Tientallen waren er cadeau gedaan aan de RAF, maar toen Indië die zelf nodig had en ook vooruit betaalde, toen kregen het nul op rekest: de vliegtuigfabrieken in de UK en de US moesten eerst aan hun eigen luchtmachten leveren.  

Midden mei 1941 zette de Engelse marine de achtervolging in van het Duitse slagschip de Bismarck. Dat werd een zwaar karwei: op 24 mei werd de Engelse slagkruiser Hood door een Duitse granaat in het munitie-magazijn getroffen. Het schip rees in zijn volle lengte op uit zee en verdween daarna binnen vier minuten; van de 1400 man overleefden er maar 3. De lamgeschoten Bismarck ontsnapte zowaar, samen met de zware kruiser Prinz Eugen. Het laatste schip ontkwam tenslotte, de Bismarck werd drie dagen later ontdekt en door de vliegtuigen van de Ark Royal tot zinken gebracht. Daarbij konden 110 van de 2000 man gered werden. 

Een jaar later in februari 1942 zou de Prinz Eugen opnieuw ontsnappen, nu uit de haven van Brest en samen met de vestzak-slagschepen Scharnhorst en Gneisenau.

De Britse Home Fleet was verre van onoverwinnelijk.

Duitse luchtlandingstroepen waren met groots machtsvertoon op Kreta geland en bezetten dit eiland snel. In juni 1941 liep een Britse tegenaanval in Libië op niets uit.

De meest ongedachte ontwikkeling was de operatie Barbarossa: de inval in Rusland met een leger van ruim drie miljoen man. Duitse colonnes trokken door de Russische akkers en steppen als hete messen door de zachte boter; duizenden Sovjetvliegtuigen werden vernietigd en enorme hoeveelheden krijgsgevangenen gemaakt. 

Maar toen de winter naderde, stagneerde de Duitse oorlogswals; de winter in Rusland was veel te vroeg ingevallen en was ongekend streng: 30 graden vorst. De Duitse aanval liep vast, enkele tientallen kilometers voor Moskou. Kort daarop kwam het tegenoffensief van generaal Zhukov. De door Hitler voor het einde van het jaar geclaimde eindoverwinning draaide uit op een onmenselijke overwintering.

In Noord-Afrika startte het geallieerde offensief tegen Rommel en al gauw werd de Egyptisch Libische grens gepasseerd. De Italianen moesten de laatste stad in Ethiopië ontruimen. Het gevaar van het verlies van het Suezkanaal was geweken: de verbindingsroute tussen de Middellandse Zee en de Indische Oceaan was nu stevig in Britse handen.

Op 13 oktober 1941 kwam in Indië een rampbericht over de radio: generaal Berenschot was op weg naar de gouverneur-generaal met een Lockheed Lodestar neergestort bij Batavia, alle inzittende hoge militairen en de vliegers waren omgekomen. Dit onverwachte verlies van een nauwelijks te vervangen legercommandant bracht een enorme verslagenheid. Er doken direct geruchten op over sabotage. Maar een onderzoek wees uit, dat het toestel was weggegleden in een te krap genomen bocht.

De oorlogsdreiging was sterker dan ooit. Ook al was de Japanse delegatie dan vertrokken zonder toezeggingen voor de gevraagde olie, zij had er bij de onderhandelingen geen twijfel over gelaten, dat Japan het leiderschap van Zuid-Oost Azië opeiste. Daarna waren veel Japanners uit Indië vertrokken en hun bezittingen in Indië werden geconfisceerd. Japan bracht een miljoen man onder de wapenen en riep al zijn schepen terug naar eigen havens en bezette bases in Frans Indo-China.

Amerika riep een totale boycot uit en Japan vroeg om onderhandelingen, maar daar wilde de VS niet aan: eerst China en Indo-China ontruimen.

In Zuid-China verloor het Japanse leger de slag om Changsa met een verlies van 40.000 man. Op 18 oktober viel in Tokyo de Japanse regering en er kwam een nieuwe premier, generaal Tojo. Die stemde alsnog in met onderhandelingen met Amerika over terugtrekking uit China en Indo-China. Koeroesoe en Nomoera begonnen hun langzaam voortslepende gesprekken met Cordell Hull. Iedere morgen was dat in het radionieuws, er zat niet veel schot in, maar bedreigend was het evenmin.  

Begin december 1941 viel de klap en die kwam hard aan: in Hawaii werden de meeste slagschepen van de Amerikanen vernietigd, op de Philippijnen verloren zij de helft van hun bommenwerpers. De twee enige slagschepen van de Britten in Azië: de Prince of Wales en de Repulse gingen ten onder, alles onder het geweld van het uiterst perfecte wapen van de Japanse luchtmacht. De geallieerde slagkracht ter zee en in de lucht was goeddeels gebroken.

Pal daarop volgden de landingen in Malakka en Thailand, en op het eiland Guam.

Daarna volgde de landing op de Philippijnen.

De gouverneur-generaal verklaarde in een toespraak als eerste der geallieerden aan Japan de oorlog. Het was toch om onze olie begonnen, wist men, en dit gebaar van solidariteit zou ons, anders dan in mei 1940 verzekeren van forse geallieerde steun. In september 1941 was de inheemse militie ingevoerd: ook Indonesiërs konden nu voor het leger worden opgeroepen.

Onze onderzeeboten voeren uit naar de Oostkust van Malakka en de Westkust van Brits Noord Borneo, bij Kuching. Ook onze vliegers trokken direct met hun vliegtuigen naar Singapore om de Engel­sen te helpen. Dat versterkte niet bepaald het geloof in onze oorlogspartners.

Japanners, die Indië nog niet verlaten hadden, werden geïnterneerd.

Japanse bezittingen in Nederlands-Indië werden geconfisceerd, hun warenhuizen werden met een halve-prijzen-actie leegverkocht.

___________________________________________________