| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index |
2.6
VERLIES VAN DE ARCHIPEL, december 1941- februari 1942
De Japanners hadden voor hun oorlogsmachine dringend olie nodig en hun eerste doel in de Indische archipel was dan ook het olie‑eiland Tarakan voor de oostkust van Noord-Borneo.
Op 30 en 31 december 1941 gingen bij de lucht-aanvallen 6 Brewster Buffalo's verloren. Die konden zich niet meten met een volslagen onbekende Japanse jager de Mitsubishi A6M2 Rei Zen of Navyo.
Na de luchtaanvallen was van het vliegveld weinig meer over. De twee laatste jagers vertrokken met de 6 bommenwerpers naar het veiliger vliegveld Samarinda II in het binnenland van Zuid-Oost Borneo. Twee Navyo's en een bommenwerper waren het verlies aan de andere kant.
Op
zaterdag 10 januari werd de invasie-vloot gesignaleerd. Vanaf 4 uur 's middags
werden op het eiland alle olie installaties stelselmatig vernield, 's
nachts stond alles in lichterlaaie. Tarakan werd verdedigd door 1300 man
KNIL en Marinepersoneel met 5 kustbatterijen, 2 batterijen veldartillerie, 4 secties luchtdoelgeschut en een mijnenlegger. De Japanse
vloot van 14 jagers, 6 mijnenvegers, een lichte kruiser en 16
transportschepen zette diezelfde nacht ruim 6.000 man van de Sukaguchibrigade
aan wal. Zij schenen de situering van batterijen en versterkingen goed te
kennen: die lagen aan de zuid-west kant, de landing kwam aan de oostzijde. ![]()
Op 11 januari trachtte de mijnenlegger de Prins van Oranje te ontsnappen. Het schip werd onderschept en getorpedeerd door een Japanse torpedojager en zonk in ondiep water. De ruim 120 drenkelingen werden op zee gemitrailleerd; wie kans zag levend aan wal te komen werd daar gefusilleerd. Slechts 6 man ontkwamen en werden later gevangen genomen.
Een tegenaanval werd op maandagmorgen om 5 uur met artillerie ingezet. Toen het veldgeschut eindigde, gebeurde er echter niets. De middag daarvoor hadden de Japanners zeer geroutineerd steeds vuurcontact uitgelokt. 's Nachts waren deze plaatsen door commando's beslopen en met messen en handgranaten werden veel verdedigers maar vooral hun commandanten omgebracht. Enige honderden zijn die nacht omgekomen; de situatie was hopeloos. Maandag 12 januari 1942 was om 12 uur de capitulatie een feit, maar de kustbatterijen konden toen niet meer worden bereikt: de telefoonlijnen waren doorgeknipt. De volgende dag bleek, dat 200 man in een geïmproviseerde stelling zaten op de uiterste zuidpunt van het eiland. Zij waren daarheen geslopen nadat zij hun kustbatterijen een voor een prijs moesten geven. Vanuit de laatste positie hadden zij de vorige middag nog twee Japanse mijnenvegers in de grond geboord en daarna ook de sloepen tot zinken gebracht. Dat gebeurde dus na de, voor hen onbekende, capitulatie.
De Japanse legercommandant oordeelde, dat de artilleristen daarvoor niet gestraft zouden worden. Dat lag niet zo voor de hand: maandag nog waren 30 KNIL militairen met de bajonet afgemaakt, omdat ze de vorige dag geweigerd hadden de Japanse troepen de weg te wijzen.
Een paar dagen later ontdekte de Japanse bezetter, dat van het olie eiland niets meer te halen viel, alles was grondig vernield. De marine commandant liet de artilleristen aan zich overdragen, na een soort van krijgsraad werden ze ter dood veroordeeld. Op maandag 19 januari 1942 werden luitenant Joop van Adrichem en zijn 215 man aan boord van een Japans schip gebracht, twee aan twee ruggelings aan elkaar gebonden en met mitrailleurs gedood. Hun lichamen werden in zee geworpen op de plek waar de beide Japanse mijnenvegers waren gezonken.
De
Japanners stuurden op vrijdag 16 januari 1942 de kapiteins Colijn en
Reinderhoff naar de tweede olie-winplaats, Balikpapan aan de kust van Z.O.Borneo.
De boodschap die ze meekregen was kort en duidelijk: als ook hier de
olie installaties vernietigd werden, zouden alle Nederlandse officieren,
soldaten en andere Nederlanders zonder uitzondering worden gedood. Na vier
dagen bereikten de twee kapiteins Balikpapan, maar de commandant daar liet
onmiddellijk de vernietiging inzetten.![]()
Op 21 januari vertrokken de Japanners met 15 transportschepen uit Tarakan, beschermd door een kruiser en 7 torpedojagers. Deze vloot werd wel aangevallen: door de vliegtuigen uit Samarinda ll, door 4 oude Amerikaanse torpedojagers en door Nederlandse duikboten, de K-14 en de K-18, bekend van de wereldreis in 1936. Dat kostte de Japanners 6 transportschepen en drie patrouilleboten.
In de morgen van de 24e volgde de landing, maar alles wat voor de Japanners enige waarde kon hebben was vernietigd, en het garnizoen had zich teruggetrokken in het oerwoud. Enkele dagen later werden twee bestuursambtenaren op het strand onthoofd, 26 andere Nederlanders werden de zee in gedreven en een voor een gefusilleerd voor de ogen van de opgeroepen bevolking.
Op 23 januari 1942 hadden 28 Kawasaki Ki-21 (Sally) lichte bommenwerpers zonder jagerescorte een aanval gedaan op het vliegveld van de derde oliestad: Palembang-I op Zuid Sumatra. Dat werd verdedigd door 10 Curtiss Hawks, die 12 bommenwerpers ernstig wisten te beschadigen; met rokende motoren konden die nog ontsnappen. Van de Hawks landden er 3 met treffers: bij een was de lege benzinetank lek geschoten.
Op 14 februari werd de stad verrassend door Japanse para's aangevallen, de dropping was midden tussen de raffinaderijen. Hoewel later door twee compagnieën Javanen en Menadonezen de parachutisten werden verdreven, lukte het maar voor een deel om de vernielingen uit te voeren. De angst die was ontstaan na de berichten over de represailles in de andere oliesteden, zat er diep in. Na twee dagen strijd bezetten de Japanners Palembang en Djambi.
Singapore,
de onneembare vesting, capituleerde na een beleg van een week op 15 februari
1942. Net als in Hongkong gingen de Japanners als beesten te keer: artsen,
verpleegsters en patiënten werden met de bajonet vermoord, tweehonderd
militairen gefusilleerd en vijfduizend Chinezen in zee verdronken. ![]()
Het werd langzaam aan duidelijk dat de archipel in de tang werd genomen door twee sterke aanvalsvloten: de westelijke groep had het gemunt op Malakka, Singapore en Sumatra, de oostelijke op Borneo, met Tarakan, Balikpapan in het oosten en Bandjermasin in het zuiden. Dan was er nog een derde aanval, nog oostelijker op weg gegaan naar Celebes en de Molukken. Die was op 10 januari 1942 ingezet met landingen bij Menado.
Steeds meer berichten bevestigden dat de geallieerden van de Japanse wapens, de jachtvliegtuigen en torpedo's niet terug hadden.
Alleen op de Philippijnen gaven de Amerikanen en Philippino's de Japanners flinke tegenstand. Op Corrigedor werd tot mei 1942 doorgevochten. Daarvoor hebben de Japanners zich na de overgave gewroken op de krijgsgevangegenen. Bij de dodenmars op Bataan joegen zij 70.000 man met gewonden in een geforceerde mars over een afstand van 90 km. Wie niet mee kwam werd neergeschoten. Daarna volgde een transport in volgestouwde treinen: bij aankomst was 20% omgekomen.
Op Java werden de zaken nu beter aangepakt. Er kwam een algemene mobilisatie en grote schoolgebouwen werden gevorderd als legeringsplaats: overal verschenen de groene uniformen en de vrachtauto's. Er ontstond een tekort aan leraren: in haast werd iedereen opgetrommeld, die ooit een onderwijs-akte had gehaald, om de mobilisatie-vacatures weer op te vullen. Begin januari 1942 werd het onderwijs hervat, vaak in een onbekend gebouw met veel nieuwe leraressen, waarvan de meeste er als huismoeders geen notie van hadden hoe de orde te bewaren.
De
luchtbescherming, die na de eerste euforie in 1940 was verwaarloosd, werd
weer opgezet. Schuilkelders werden opgeknapt en nieuwe bijgebouwd voor de
scholen, langs de openbare wegen en door particulieren. Scholen, kerken en
grote gebouwen werden groen geschilderd, straatverlichting gedoofd, auto's
mochten alleen met geblindeerde koplampen rijden. Eerst werden de lampen
blauw geverfd, later afgedekt door kappen met onderin een kleine, naar boven
afgeschermde, lichtstrook. Om het risico van rondvliegend glas te ontlopen
werden alle ruiten kruiselings afgeplakt met stroken papier, later ging daar
nog het blauwe afschermpapier overheen.![]()
Onze vliegers kwamen terug uit Singapore, verbitterd dat er zoveel kameraden waren neergeschoten door de Navyo's. In totaal had de ML, de luchtvaart-afdeling van het KNIL, daar al 21 toestellen verloren: 16 Glenn Martin bommenwerpers, eenzaam weggestuurd als verkenners, en 5 Brewsters.
Al op 3 februari werden Soerabaya, Madioen en Malang tegelijk aangevallen door in totaal 134 Japanse vliegtuigen. Madioen werd bezocht door 45 Japanse toestellen: 27 bommenwerpers, 17 Navyo's en een verkenner. De verdediging bestond uit 8 Curtiss Hawks, waarvan er 3 al bij de start werden neergehaald. De anderen beschadigden toch nog 5 bommenwerpers en moesten daarna doorvliegen naar Soerabaya. Twee Hawks werden daar door Japanse jagers getroffen: de motor van het derde toestel liep vast, de vlieger sprong er ongedeerd uit met zijn parachute, maar brak een dijbeen bij het neerkomen.
In de marinehaven van Soerabaya was de schade enorm. Bij die massale aanval die dag verloor de ML, de luchtvaartafdeling van het KNIL, 13 jagers en de MLD, de luchtvaart-afdeling van de Koninklijke Marine 12 vliegboten en drijvervliegtuigen.
Op 9 februari 1942 deden de Japanners een venijnige aanval op Tjilitan bij Batavia met 16 Zero's en 2 verkenners. Slechts één Navy-0 werd aangeschoten, die ging verloren bij de terugkeer. Op Tjilitan echter werden 5 van de 11 Brewsters neergeschoten. Verder werden nog 4 toestellen op de grond vernield voor ze op konden stijgen. De Technische Dienst in Andir bij Bandoeng maakte overuren om alle beschadigde toestellen te herstellen. Half februari moesten alle Curtiss Hawks nog uit de vlucht worden genomen, omdat daarbij op de meest onverwachte momenten motorstoringen optraden.
Op
vrijdag 20 februari kwam de eerste Japanse aanval met 9 bommenwerpers en 27
jagers op het vliegveld Andir bij B
andoeng. Na de aanval ontstond er op de weg
naar Andir een volslagen chaos, omdat iedereen wilde kijken en er geen kip meer
door kon. Er waren hangars uitgebrand: 5 Curtiss-jagers, 4 Brewsters en een
Amerikaanse B17 waren verloren. Van de oorspronkelijke verdediging
van Bandoeng van 16 Brewsters waren nu nog maar 5 bruikbare toestellen over. Hun
benzinetanks werden maar half gevuld, dan waren de jagers wat wendbaarder. De
Japanners verloren één jager, die moest bij Batavia een noodlanding op zee
maken. De piloot werd gered door een Japans drijvervliegtuig, zijn jager ging
verloren.
Er kwamen meldingen, dat ML en MLD-vliegtuigen soms waren neergehaald door eigen luchtdoelartillerie, omdat hun oranje driehoeken verward werden met de Japanse rode bol. Die zondag werd de driehoek vervangen door de eigen driekleur.
Dinsdagmiddag 24 februari 1942 verschenen in Bandoeng aan de horizon 17 Japanse bommenwerpers en 14 jagers. De 5 Brewsters, waarvan er een zijn landingsgestel niet kon intrekken, gingen de overmacht tegemoet. Het luchtdoelgeschut schoot onophoudelijk. Veel treffers maakte het niet: de vuurleidingsapparatuur, die in Nederland zo effectief was geweest, ontbrak hier helaas.
Na het eerste luchtgevecht verdwenen de Brewsters in de wolken. Voordat de Japanse bommenwerpers Andir bereikten, stegen nog 3 Curtiss Interceptors op, maar ook die waren snel onzichtbaar. De vijf Brewsters konden veilig landen, een van de Interceptors werd neergeschoten. Op de grond was het raak geweest: liefst 3 Amerikaanse B17 vliegende forten werden vernield.
De
druk op Java werd steeds groter, de luchtvaart-afdelingen van leger en marine
waren sterk uitgedund. De aanval op
Java kon niet lang meer uitblijven![]()
________________________________________________