Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

Naat het vorige hoofdstukNaar index geschiedenisNaar het volgende hoofdstuk
2 Japanse aanval


2.7 DE SLAG IN DE JAVA ZEE, 26 en 27 februari 1942

Toen half februari de Japanners de slag om Singapore, Palembang en Djambi inzetten kreeg de Combined Striking Force opdracht de Japanse invasievloot bij de oostkust van Sumatra aan te vallen. In de nacht voeren 4 torpedojagers naast elkaar voorop: de Van Ghent, de Banckert, de Kortenaer en de Piet Hein, overdag vormde dit brede scherm de achterhoede. Dit was nodig om de 5 achter elkaar volgende geallieerde kruisers en 6 Amerikaanse jagers te beschermen tegen de Japanse onderzeeërs.

Zondag 15 februari om half vijf in de morgen liep de Van Ghent vast op een rif. Het schip werd verlaten en daarna opgeblazen; de bemanning werd door de Banckert naar Soerabaya gebracht. Met twee torpedojagers minder koerste men naar de Japanse landingsvloot die beschermd werd door 7 kruisers (vijf zware en twee lichte) en 9 torpedojagers.

Japanse vliegtuigen ontdekten rond negen uur de geallieerde schepen, die daarop tegen twaalf uur werden aangevallen door Japanse bommenwerpers. De aanvallen gingen de hele middag door totdat de avond viel en het donker werd. Door scherp te manoeuvreren konden de schepen alle aanvallen ontlopen; zodra door de verrekijker gezien werd dat de Japanse bommenluiken zich openden, veranderde men van koers. Maar van een vlootformatie kon niet meer gesproken worden; de schepen voeren kris kras door elkaar en elk verband was zoek.

Het tekort aan eigen verkenningsvliegtuigen en het ontbreken van inlichtingen maakte Schout bij Nacht Doorman hoogst onzeker. Hij wist nauwelijks hoe sterk de tegenstander was, wist ook niet dat de Japanse transportschepen de landingen bij Palem­bang en Djambi al hadden uitge­voerd en weer naar het noorden opstoomden.

Doorman besloot terug te keren naar Java. Hij wist dat hij tegen die Japanse vloot in de naaste toekomst opnieuw moest uitva­ren en deze eerste mislukte poging riep bij hem de som­berste voorgevoelens op. De Kortenaer keerde terug naar Tjilatjap aan de zuidkust.

Woensdag 18 februari was het zover: een nieuwe aanval zou bij Bali worden ingezet. De Kortenaer vertrok die avond maar raak­te in de bochtige haventoegang aan de grond voordat de Indische oceaan was bereikt. Doorman voer uit met de eerste aan­valsgolf: de beide Nederlandse kruisers De Ruyter en Java, de Piet Hein en nog 2 Amerikaanse torpedojagers. Daarna volg­de vanuit Soerabaya het tweede smaldeel: de lichte kruiser Tromp en 4 Ameri­kaanse jagers uit de eerste wereldoorlog. Bij de gevechten in straat Badoeng in de nacht van donderdag op vrijdag ging de Piet Hein ten onder, 64 marinemannen kwamen daarbij om het leven. Een Amerikaanse jager werd getroffen en moest terug naar Soerabaya; verder verloor Doorman ook de Tromp, die tien treffers kreeg en naar Australië moest voor reparatie. Drie Japanse schepen werden beschadigd.

Woensdag 18 februari waren de Japanners geland op Bali; de volgende dag vielen hun landingstroepen en parachutisten Timor aan. Java was nu aan het westen en het oosten geïsoleerd.

De Kortenaer was in Tjilatjap woensdagnacht bij het opkomen van de vloed weer vlot gekomen en naar Soerabaya gevaren en daar in het dok gegaan. De schade was snel gerepareerd.

Vanaf zondag 22 februari werd elke nacht door de geallieerde schepen uit Priok en Soerabaya langs de noordkust van Java gepatrouilleerd, omdat het leger onmogelijk de lange kustlijn effectief kon bewaken. Overdag bleef men op de rede heen en weer koersen om geen al te gemakkelijke prooi te worden voor de overal opduikende Japanse luchtmacht. Schepen en bemanning waren hierdoor dag aan dag in touw. Van het eigen Indische luchtwapen was geen bescherming te verwachten, daarvan was niet veel meer over.

Drie dagen later, woensdag 25 februari naderden twee Japanse invasievloten Java. De omvang daarvan is pas later achterhaald: vanuit het westen kwamen 55 transportschepen onder dekking van 6 kruisers en 19 jagers; vanuit het oosten 42 transportschepen met een bescherming van 3 kruisers en 14 jagers. Donderdagmiddag werd de oostelijke vloot waargenomen aan de zuidelijke toegang van Straat Makassar door een vliegboot van de Marine Luchtvaart Dienst. Doorman kreeg opdracht in de nacht uit te varen om eerst de Japanse dekking van de oostelijke vloot op te sporen en daarna met de westelijke af te rekenen. En dat alles zonder vliegtuigen, de laatste toestellen werden achter de hand gehouden om ingezet te worden tegen de landingsschepen. Om onduidelijke redenen (brandgevaar? uitzicht belemmerend?) waren zelfs de drijvervliegtuigen van de Marine niet aan boord van de schepen. In Soerabaya was sinds de zware bombardementen van de week daarvoor praktisch al het havenpersoneel gedeserteerd. Marinevrouwen moesten de trossen van de Kortenaer los gooien.

De Japanse vloten werden ondanks de volle maan niet opgespoord. Na een hele nacht vergeefs speuren trok Doorman weer naar Soerabaya om te bunkeren en de bemanning even rust te geven. Vlak voordat hij binnenvoer kwam om half drie 's middags de melding dat 25 transportschepen met 2 Japanse kruisers en 6 torpedojagers waren waargenomen. Doorman gaf zijn 5 kruisers en 9 jagers opdracht om te keren en aan te vallen. De Japanse verkenners zagen deze wending echter en daarop voegden 4 Japanse kruisers en 13 jagers uit het westelijke eskader zich bij de waargenomen oostelijke vloot.

Onder de Japanse oorlogsschepen waren de zware kruisers Nachi en Haguro, die met hun geschut veel verder kwamen dan de geallieerden; die moesten de Japanners van dichterbij bevechten. Deze zware kruisers begonnen om vier uur 's middags de slag, die de hele nacht zou duren. Keer op keer viel Doorman aan met zijn slinkende vloot, alsmaar zoekend naar het konvooi transportschepen dat hij nooit heeft gevonden. Tot de eerste slach­toffers behoorde de zware kruiser Exeter, die zwaar beschadigd terug­keerde naar Soerabaya: zes van de acht ketels waren uitge­vallen. Vlak daarop, om vijf uur 's middags werd de Kortenaer mid­scheeps getroffen door een torpedo van de kruiser Haguro. Het schip brak in tweeën. Wie op het voorschip zat kon zich nog redden, het achterschip zonk bijna onmiddellijk, 56 man kwa­men daarbij om.

In de nacht werden ook de beide Nederlandse kruisers en twee jagers tot zinken gebracht. Bij de Japanners werd maar een torpedojager beschadigd. Doorman kwam om met de 345 slachtoffers van de De Ruyter.

De kruiser Java werd getorpedeerd en dreef stuurloos verder. Daarbij zijn 505 marinemannen verdronken: door de uitstromende brandende olie kwamen velen in de vlammen om. Slechts een vijftigtal van hen werden gered.

De slag was verloren.

_____________________________________________________