| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index |
2.8 CAPITULATIE, 1- 8 maart 1942
De volgende morgen 1 maart 1942 was in alle vroegte de ML, de luchtvaartafdeling van het KNIL, met alles wat nog kon vliegen opgestegen op weg naar de drie Japanse landingsplaatsen op de noordkust van Java. Er was weinig of geen Japanse luchtdekking. Keer op keer vlogen de weinige jagers laag over het strand, alles verschieend wat zij aan munitie hadden. Zij hadden geraakt wat ze raken konden, maar er was geen houden aan: er waren zoveel Japanners en zo weinig vliegtuigen dat het zwemmen was tegen de stroom in. De landingstroepen waren in de kortst mogelijke tijd geformeerd en trokken op naar het vliegveld Kalidjati, 40 km verderop, en dat was al om elf uur die morgen, nagenoeg onbeschadigd, in hun handen gevallen.
De dag daarop, op maandag, werd de stemming weer wat positiever; er waren geruchten dat er een tegenaanval werd beraamd, soldaten hadden vanaf de vrachtauto's en pantserwagens geroepen, dat ze Kalidjati gingen heroveren. 's Middags meldde de geruchtenmolen al, dat Soebang weer in handen van het KNIL was, maar in de officiële bulletins stond er niets over.
Dinsdag 3 maart, na twee dagen van betrekkelijke rust werden de Japanse luchtaanvallen op Andir heviger, nu vanuit Kalidjati.
De
tegenaanval was bij Soebang vast gelopen, onder een vernietigend
luchtbombardement
waren de twee colonnes uit elkaar geslagen. De teruggekeerde militairen
vertelden, dat eerst de voorste voertuigen door de Japanners in brand
waren
geschoten en dat direct daarop het eind van de colonne was aangevallen. Van de
ruim 200 voertuigen ging driekwart verloren. Daarna waren de vluchtende
troepen in de sawah's beschoten; vooral de staartmitrailleurs van de lichte
Kawasaki bommenwerpers hadden hen het leven zuur had gemaakt. Eerst hadden ze
machteloos in de slokan moeten afwachten of ze niet opgemerkt werden, wie het
lef had om terug te vuren kreeg direct de volle laag. Maar juist, als ze na
een duikaanval opgelucht opveerden, kregen ze nog een venijnige vuurstoot over
zich heen. Eigen vliegtuigen hadden ze niet gezien; door het aanhoudende
bombardement op Andir konden de toestellen daar niet opstijgen.
Woensdag 4 maart, de Amerikanen trokken weg, de achtergelaten B-17 en een paar P-40's werden aan de Nederlanders gegund. Een stroom van vluchtelingen kwam Bandoeng binnen uit Batavia. Ook velen na een chaotische tocht uit Semarang, waar op zondag al de vernielingen waren ingezet en het binnenlands bestuur en de politie de stad hals over kop hadden verlaten.
Donderdagmorgen
5 maart om half zeven begon in Bandoeng het luchtdoelgeschut met enorme
dreunen te vuren, pas daarna begonnen de luchtalarm-sirenes te loeien. Het
ging maar om een paar Japanse toestellen, 3 bommenwerpers en 3 jagers. Ze
doken op het vliegveld af. Enorme explosies en donkere rook maakten duidelijk
dat het weer raak was geweest.![]()
Bandoeng werd een frontstad, uit alle hoeken kwamen gevluchte militairen, vaak zonder distinctieven en buiten troepenverband. Overal langs de weg stonden militaire voertuigen, van alles door elkaar. Ook de staf uit de olieplaats Tjepoe zag kans in een pantserauto de dans te ontspringen. De Japanners hadden hen in het begin zo op de hielen gezeten, dat ze naar achteren vurend zich de aanvallers van het lijf moesten houden.
Die dag werden Batavia en Buitenzorg prijsgegeven: van de grote steden waren alleen Soerabaya en Bandoeng nog niet bezet. Er kwamen steeds meer berichten van plunderaars, die het in de verlaten gebieden vooral op de zaken van de Chinezen hadden begrepen.
De Tjiater-stelling ten noorden van Bandoeng werd belegerd, vliegtuigen had het KNIL niet meer en in de lucht waren alleen de Japanse Army-1's, die in de bergen ten noorden van Bandoeng boven het front patrouilleerden en schoten op alles wat bewoog.
Zondag 8 maart, om negen uur sprak generaal Ter Poorten over de radio, het was voorbij. Na het verlies op vrijdag van de Tjiater-pas was zaterdagmiddag de laatste stelling in Lembang ook gevallen. Er was hard en dapper gevochten op de Bandoengse hoogvlakte, maar na het wegvallen van onze vliegtuigen en de bevoorrading was het een hopeloze zaak geworden. Bandoeng, een stad vol vluchtelingen, zou gebombardeerd worden en dat maakte verder verzet onverantwoord. Elk uur werden de capitulatie voorwaarden herhaald: wapens, munitie en voertuigen verzamelen, vernielingen staken, manschappen binnen de kazernes houden en als teken dat alles zo was geregeld, moest elke militaire post de witte vlag hijsen. Het was benauwend stil die morgen, weinig verkeer, geen vliegtuigen.
Er was al eerder aangeraden sterke drank weg te laten lopen en sieraden op te bergen: de op handen zijnde capitulatie was toen in de geruchten al aangekondigd.
Er
kwamen berichten binnen over het verloop van de laatste dagen. Bij de
Tjiaterpas waren KNIL-soldaten, na het stoppen van de gevechten, in groepjes
van drie aan elkaar gebonden en door de Japanners met mitrailleurs
neergeschoten. Wie daarna nog leefde werd met de bajonet gedood. Een
aalmoezenier
en een predikant waren voor het laatst gezien in Lembang, vastgebonden
op een Japanse tank. Jaren later werden hun lichamen in een massagraf terug
gevonden.![]()
De omroepers van Nirom Bandoeng lazen op ontspannen wijze de eindeloze stroom berichten voor over het wel en wee van burgers en militairen, uur na uur, dag na dag. De zender bleef tot ieders verbazing de uitzendingen 's avonds besluiten met het Wilhelmus en hield dat tien dagen vol. Toen werden de drie betrokken medewerkers gearresteerd, ze zijn daarna veroordeeld en op 7 april onthoofd.
Dinsdag hielden de Japanners hun intocht in Bandoeng. Kort daarop werd gelast dat voor iedere Japanse militair gebogen moest worden. Het viel op, dat veel Inheemsen voor iedere schildwacht keurig halt en front maakten, en vriendelijk glimlachend een punctuele buiging maakten.
Veel scholen werden gevorderd, in elke grote stad verscheen op een gebouw "Polisie Militer Nippon", dat stond met zwarte halen op een plank bij de ingang. Omwonende Nederlanders moesten als tolk fungeren bij een verhoor, en uit hun verschrikkelijke ervaringen viel op te maken, dat het wemelde van de verklikkers en dat de kleinste verdachtmaking iemand al tot slachtoffer van de Kenpeitai kon maken.
Voor hun eigen mensen waren de Japanners ook zonder mededogen: een vrachtwagen vol lijken maakten duidelijk dat eigen plunderaars werden geëxecuteerd. In Bandoeng op de Braga werd door een officier een soldaat neergeschoten, die een dame een tas afhandig had gemaakt. Een inheemse plunderaar werd op de aloon-aloon, het centrale plein, terechtgesteld door hem een pen door het hoofd te slaan.
De wegen waren nog goeddeels gebarricadeerd, veel bruggen en spoorlijnen opgeblazen en dat was te merken. De prijzen van enkele artikelen klommen met het uur. Een briket zout, normaal een dubbeltje, deed een gulden of meer. Brood was schaars: enkele bakkers experimenteerde met zuurdeeg, maar dat was niet te eten. Bakkerij Valkenet had wel gist en moest zo'n enorme vraag beantwoorden, dat er broodvormen te kort waren en de broden zo op de plaat werden gebakken. Elke middag uren in de rij en maar een brood per man.