Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

Naat het vorige hoofdstukNaar index geschiedenisNaar het volgende hoofdstuk

4 De tegenaanval


4.3 Nieuw Guinea

Juli 1942 - juli 1944.

Op land werd tussen juli en september 1942 de opmars van het Japanse leger in Australisch Nieuw-Guinea tot staan gebracht. Ooit hadden de geallieerden gemeend het Japanse leger in de woestijnen van Australië te moeten opwachten, maar MacArthur koos onverwacht voor de tegenaanval in de rimboe. De Australische en Amerikaanse troepen dreven op Australisch Nieuw-Guinea de Japanners terug over het centrale bergland heen, het terrein waar de Japanners ooit als onoverwinnelijk golden.

Het echte keerpunt volgde pas in juli 1943 na de gezamenlijke inzet van de Amerikaanse en  Australische strijdkrachten in de Bismarck-Archipel. Na de slag om Midway lieten de Japanners hun plannen voor landingen op Australië varen en besloten tot een defensieve oorlog. Zij concentreerden zich op een linie van de kleine Soenda-eilanden naar Nieuw-Guinea: daar werden door dwangarbeiders en krijgsgevangenen tientallen vliegvelden aangelegd.

In deze periode beraamden zowel het Amerikaanse leger als de marine elk een eigen plan voor de herovering van de Pacific.Karel Doorman

Generaal MacArthur wilde eerst naar het westen: leap frogging, in een soort van haasje over langs de noordkust van Nieuw-Guinea. Met amphibische landingen zou keer op keer de vijand in de rug worden aangevallen, net zoals YamashNimitzita Malakka veroverde. Daarna voerde zijn plan noord­waarts via de Philippijnen en de Rioe-Kioe eilanden naar Japan.

Admiraal Nimitz daarentegen wilde na de verovering van de Salomons-eilanden en de Gilbert-eilanden doorstoten naar het noorden tot de Marshalleilanden en dan naar het westen: island hopping, springend van eiland tot eiland naar Guam en Saipan van de Marianen-eilanden. Vandaar zou via Iwo-Jima de finale aanval op Japan volgen.Franklin Rooseveld

President Roosevelt deed geen keuze uit beide plannen, maar besloot in augustus 1943 tot een combinatie: wanneer de Japanners langs twee routes werden aangevallen zouden ze niet weten waar zij het zwaartepunt in hun verdediging moesten leggen. Deze dubbele aanval was alleen uit te voeren dankzij de opbouw van een enorme oorlogs-industrie; een produktie-capaciteit die Japan ten ene male miste en hen nu definitief op achterstand zou zetten.

In november 1943 begon de Amerikaans marine na landingen in Bougainville op de Salomons-eilanden, met Tarawa op de Gilbert-eilanden. Tarawa was evenals Dieppe in Europa een zware, eerste les. Het effect van het scheepsbombardement was onvoldoende, de vijand had zich ingegraven en had zich verscholen in grotten en gangen. Sedertdien zouden de Amerikaanse troepen met vlammenwerpers en explosieven het ene weerstandsnest na het andere gaan uitbranden.

Enkele maanden later ging het noordwaarts; in februari 1944 volgden de gevechten bij Kwajalein en Eniwetok op de Marshall-eilanden.

Op 30 maart 1944 startte MacArthur met zijn stoutmoedige plan voor Nieuw-Guinea. Tot nog toe waren zijn sprongen op het oostelijke deel van het eiland betrekkelijk klein geweest. Hij besloot om niet te landen in Madang, halverwege de Australische helft, maar om ineens de sprong te wagen naar Hollandia, in het midden van het eiland aan de noordkust, op Nederlands-Indisch grondgebied. De Japanse luchtbases op de omringende eilanden Palau en Yap kregen het na 30 maart zwaar te verduren; de landingen volgden op 22 april 1944 op drie plaatsen. De amfibische strijdmacht werd gesteund door 20 vliegdekschepen. Vier dagen later waren drie vliegvelden in Amerikaanse handen en kon de luchtmacht van hieruit de taak overnemen in plaats van Port Moresby aan de zuidkust. De tegenstand was gering: men had meer verwacht van een garnizoen van 14.000 man. De Japanners verloren 1800 doden en bijna 400 krijgsgevangenen, en trokken zich terug in de rimboe. Daar raakten de troepen geïsoleerd in het binnenland. Japan kon geen schepen sturen voor een evacuatie omdat daarvoor de luchtdekking ontbrak.

Anders ging het op het zwaar versterkte eiland Biak in de Geelvinkbaai. De landingen begonnen op 27 mei, er was eerst geen tegenstand. De Japanners hadden zich echter verschanst bij de vliegvelden; vanuit grotten, holen en tunnels werd de strijd weken volgehouden en de gevechten eindigden pas op 2 juli 1944.

Kort na de aanval op Biak was Nimitz op 15 juni en 21 juli 1944 begonnen met landingen op de veel noordelijker gelegen eilanden Saipan en Guam van de Marianen.

Wetend dat op westelijk Nieuw-Guinea de plaatsen Sorong en Manokwari zwaar verdedigd zouden worden, landde MacArthur op 30 juli 1944 te Sansapor op de Vogelkop. Op dit derde, meest westelijke doel op Nieuw-Guinea boden de Japanse verdedi­gers geen tegen­stand en ook zij trokken de jungle in.

Het volgende doel van het leger zou Morotai worden, halverwege Nieuw-Guinea en het zuiden van de Philippijnen; de vesting Halmaheira met zijn negen vliegvelden werd hierdoor ontweken. Bij de inleidende gevechten vanaf vliegdeksche­pen verloren de Japanners 500 vliegtuigen en 100 vrachtschepen. De landing vond plaats op 15 september 1944; binnen een dag daarna  begonnen 70 landings- en 20 Liberty-schepen het materiaal te lossen, waarmee 12.000 geniesoldaten in vijf weken Morotai konden omvormen tot een indrukwekkende luchtbasis voor de aanval op de Philippijnen en Borneo.

Dit alles was niet mogelijk geweest zonder de suprematie van de geallieerde luchtmacht. Op elk veroverd eiland werd door genietroepen met grote spoed een vliegveld aangelegd en van daaruit konden vliegtuigen iedere poging van de Japan­ners beletten om een garnizoen of basis te bevoorraden of te versterken.


Morotai als uitvalbasis naar de Philippijnen en Borneo

____________________________________________________