Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

Naat het vorige hoofdstukNaar index geschiedenisNaar het volgende hoofdstuk
5. DE ONAFHANKELIJKHEIDSSTRIJD

VAN DE INDONESIËRS

   

5.1 DE REPUBLIEK INDONESIA

Na de benoeming van Van Mook, Kerstens en Soejono als Indische ministers in de uitgeweken Nederlandse regering, kwam er in 1942 een kentering in het denken over de positie van de koloniën. Dit mondde uit in de regeringsverklaring, uitgesproken door Koningin Wilhelmina op 7 december 1942. Men meende dat deze rede in het bezette Indië een welkom antwoord zou zijn op de Koningin Wilhelmina moties, aangenomen in de Volksraad kort voor de Japanse inval. Deze moties en de koninklijke boodschap voorzagen in een Rijksconfe­rentie en een opbouw van het Rijk in volledig deelgenootschap. Het bericht uit Londen heeft echter haar bestemming niet bereikt: blanken waren geïnterneerd, radio's konden de korte golf niet meer ontvangen.

In kamp 5 van Tjimahi, of het Baros-kamp, waar tijdens de oorlog de top van het Binnenlands Bestuur was geïnterneerd, werd ook gedacht aan een nieuwe opzet. Men kende de rede van 7 december 1942 niet, maar ook hun BB-plan voorzag in zelfstandig­heid van de vier rijksdelen binnen Rijksverband. Ook bij de onderhandelingen in 1946 op de Hoge Veluwe en daarna in Linggadjati was dit het uitgangspunt van de Nederlandse Regering.

In Indonesië waren de bordjes echter verhangen. In voorjaar 1945 had Japan toegestemd in het gebruik van de rood-witte vlag, de naam Indonesia werd ingevoerd, commissies deden voorstellen. Een aantal organisaties maakten zich gereed voor de nationale zaak, waaronder militaire en semi-militaire eenheden. Deze laatste omvatten een groot aantal personen:

-     het vrijwilligers-leger PETA                                                                                                             37.000 man

-     het leger van HEIHO-hulpsoldaten (geronselde inheemse KNIL-militairen)                     15.000 man

-     het hulpkorps van KEIBODAN-politie agenten                                                                   1.250.000 man

-     diverse korpsen: Barisan Brani (zelfmoord),
 Hisboelah (Islam), Pelopors (voorlopers) en studenten                                                      200.000 leden

-     Pemoeda's (SEINENDAN-jeugdgroepen)                                                                               600.000 leden

De capitulatie op 15 augustus 1945 werd een week lang door het lokale Japanse gezag verzwegen. Dit schiep een gezags­vacuum: vooral de Indonesische jongeren vreesden, dat hierdoor het proces van nationale onafhankelijkheid zou gaan stagneren. In die spanning werd met dwang van deze jSoekarnoongeren op 17 augustus 1945 de Repoeblik Indonesia uitgeroepen door Soekarno en Hatta.

De oorspronkelijke geallieerde plannen voor de Indische archipel voorzagen in 7 tot 10 Amerikaan­se divisies, die snel orde op zaken moesten stellen. De Nederlandse regering verzette er zich niet tegen toen deze taak werd overgedragen aan de Britten: binnen de UK zou men wel meer begrip kunnen opbrengen voor een koloniale politiek. Maar er werden slechts drie divisies uit India naar Java gezonden, en die bleken nauwelijks in staat om de vier grote steden op Java te beveiligen. Gedreven door een roerig India koos de Britse opperbevelhebber Mountbatten onverbloemd partij voor de jonge Republiek en beperkte zich tot het bevrijden van geïnterneerden.

Bij de overgave was bedongen dat Japan alle locale en regionale  legers zou ontbinden. Zo ook in Indonesië, maar dit ontnam de nieuwe Republiek de strakke en gedisciplineerde organisatie van haar Peta- en Heihostrijdkrachten. De gedemobiliseerde militairen sloten zich aan bij de losse jeugdgroepen van Pemoeda's en Pelopors. Daar ontstond al snel diepe rivaliteit tussen de Petavrijwilligers, de voormalige KNIL-Heiho hulpsoldaten en de religieuze Hisboelah en Darul Islamgroepen. In december 1945 werd door een correspondente van het Rode Kruis alleen op WestJava al een dertigtal zelfstandig opererende legers en legertjes geteld.

Eén mening hadden deze groepen gemeen: zij hadden hun eigen land onder oorlogsomstandigheden drie jaar draaiend gehouden, waren geïndoctrineerd door het Japanse denken van nimmer opgeven en dachten er niet aan om op welke wijze dan ook de zeggenschap over hun land nog met iemand te delen: "100% MERDEKA!"

Het uitblijven van de geallieerde troepen tot oktober 1945 en de passieve houding van de Britten nadien heeft deze groepen alleen maar in deze houding gesterkt. Veel van de uit internering teruggekeerde Nederlanders werden als "spion" geliquideerd, waaronder een aantal ambtenaren van het Binnenlands Bestuur, die naar hun standplaats terugkeerden om hun taak weer op zich te nemen. Vrouwenkampen werden aangevallen en beschoten, soms met handgranaten en sluipschutters. In Bandoeng en Semarang moesten Japanse krijgsgevangenen herbewapend worden om de terreur te keren. Op 28 oktober 1945 vielen de Indonesiërs in Soerabaya de Britse troepen aan, op 30 oktober werd de Britse brigade-generaal Mallaby vermoord. In de eerste week van november sloegen de Britten hard terug, bevrijdden 6000 Nederlanders en Indische Nederlanders uit de gevangenis, enkele honderden van hen werden door de Indonesiërs gedood. Nog 5000 gevangenen werden naar het binnenland afgevoerd, lopend tot aan Ngawi toe, en bleven nog anderhalf jaar gevangenen van de Republiek.

Het ziekenhuis in Magelang en de vrouwenkampen in Ambarawa moesten eind oktober door Ghurka's worden ontzet, nadat de Japanse bewaking een week eerder naar Semarang was gevlucht. Daarna waren de kampen dagen achtereen met mortieren en later met artillerie bescho­ten. Eind november werden Magelang en Ambarawa ontruimd en vielen de geallieerden met 28.000 bevrijde kampbewoners terug op Semarang.

In die maanden lieten veel Indische Nederlanders en Chinezen het leven, of werden samen met opnieuw geïnterneerde Nederlanders gegijzeld. Het aantal slachtoffers van de periode augustus 1945 tot januari 1946 is niet geregistreerd; schattingen vermelden aantallen van 3500-5000 doden en 50-60.000 gevangenen.

Deze aantallen zijn het resultaat van twee aparte ontwikkelingen: de omgekomen slachtoffers waren het gevolg van de terreur-acties van losse strijdgroepen of rampokbenden tegen alles wat blank, Indo of Chinees was. Maar de interneringen kwamen goeddeels voort uit de reactie daarop vanuit de leiding van de jonge Republiek, waar men begreep dat deze moordpartijen de reputatie van de nieuwe staat ernstig konden benadelen. Men koos voor massale internering door de politie van de bedreigde groepen. Hoewel het beleid in de vele kampen niet altijd het karakter droeg van bescherming, is het zeker dat hiermee erger is voorkomen. Voor de geïnterneerden duurde het soms nog tot voorjaar 1947 voor zij uit de Republikijnse kampen werden vrijgelaten.

_______________________________________________________________