The Oranje
(from Marian Bruinvels)

When I embarked on the Oranje, in the harbour of Tanjong Priok, it was 31 January 1947.

 I was 11 years old and I had spend my pre-war years in a quiet neighbourhood of Batavia. 

During the war I was, together with my mother and sister, an inmate of the Japanese camps Cideng, Tangerang and ADEK. After the war, during the Bersiap period and later, we lived with my uncle’s family near our former home.

My father, who was a geologist/mining engineer for KPM (Royal Shipping Company), successfully applied for a job with his former employer and was furthermore able to find temporary housing for the four of us in Holland. At that moment he booked passage for my mother and her two daughters on the Oranje. Apparently, his assignment – writing the history of the shipping company during the devastating war years – allowed him to send his family to Holland on the very best of conditions.

 He booked us ‘semi luxury class’; which implied a roomy cabin for three persons and an adjoining bathroom, with a tub (seawater), shower (drinking water), basin and toilet. 

Meals for my mother were served in the first class dining room: a marvel of oval form, ceiling lights in pink, green and orange and impressive dining tables. 

Forgive me if I am mistaken, but this is imprinted in my childhood memory. Much to my disappointment, the children had their meals in separate children’s dining rooms, in the care of professional supervisors.

We could amuse ourselves in a beautiful swimming pool; play games on various decks and spent an absolutely wonderful time after the hardships of World War Two.

 The Oranje was the most beautiful ship we had ever seen; and she was guaranteed to be free of rolling. Or so we were told. At the first high winds, however, the rolling of the Oranje became almost unbearable and we were very sick indeed.

The ship sailed to Colombo, Aden, Suez, and the Suez canal. Camels moved with the same velocity as the ship; the Oranje was so huge that it was not possible to see the shores. 

In Port Said the climate changed and we had to don our woollen winter clothes – every POW had one set handed out prior to the voyage.

It was a severe winter. In Port Said the temperature was only 10 Centigrade and further North our journey became very grim indeed. Storms raged in the Gulf of Biscay, the ship rolled heavily and the English Channel was covered in ice. In Southampton we children saw the first snow in our lives and, to cross the Channel to the port of IJmuiden, a small ice-breaker had to cut the ice in front of the bow of the Oranje.  

After our passage, the ice shoals closed upon themselves in a matter of seconds. IJmuiden’s youth marvelled at the sight of our beautiful ship; we begged them for snowballs, which they threw at our decks. We returned  oranges in exchange.

In the old port of Amsterdam heavy guns were roaring: a Royal Princess was born. It was 18 February, and on that same date the Oranje had broken all records, sailing from Batavia to Amsterdam in eighteen days!

My father was waiting on the quay. He was happy to close us in his arms again, but, on the other hand,  he did not particularly like the story my mother told him about our bathroom. She told him that on the first occasion she wanted to use our luxurious bathroom on the Oranje, the door was closed and she heard the splashing of a happy bather. He lived in the cabin next to our bathroom and discovered to his delight that the purser had left the adjoining door unlocked. So we had to share our private bath with a stranger. ‘But I have paid for it all!’, my father cried and discovered once again that his wife was more tender-hearted than he. ‘The gentleman was so fond of bathing!’ my mother exclaimed.

And this is the story as remembered by an 11 year old war victim who lived three unforgettable weeks on board of the Oranje.

Marian Bruinvels

De Oranje
(Door Marian Bruinvels)

Op 31 januari 1947 gingen we in  Tanjong Priok aan boord van de Oranje.

Ik was 11 jaar oud en had voor de oorlog in een rustige buurt van Batavia gewoond.

Gedurende de oorlog zat ik samen met mijn moeder en zuster in de Japanse kampen Cideng, Tangerang en ADEK. Na de oorlog, gedurende de Bersiap periode en daarna, woonden we bij mijn oom’s familie vlak bij onze vroegere huis. 

Mijn vader, een geoloog en mijnbouwkundig ingenieur bij de KPM, Koninklijke Pakketvaart Maatschappij, solliciteerde met succes bij zijn vroegere werkgever en vond voor ons vieren een tijdelijke huisvesting in Nederland. Hij boekte toen passage voor mijn moeder en haar twee dochters op de Oranje. Blijkbaar had zijn opdracht, om de geschiedenis van zijn scheepvaart maatschappij gedurende de verschrikkelijke oorlogsjaren te beschrijven, hem instaat gesteld zijn familie onder de beste condities naar Nederland te sturen.

Hij boekte ons in voor de semi-luxe klasse, wat inhield een ruime cabine voor drie personen en een aangrenzende badkamer met een badkuip (zeewater), douche (drinkwater), wastafel en toilet.

De maaltijden voor mijn moeder werden in de eerste klasse eetkamer geserveerd: een prachtige ovale zaal, met roze, groene en oranje plafondverlichting en indrukwekkende eettafels.

Vergeef het mij, wanneer ik het fout heb, maar dit is in mijn kinderbrein ingebrand. Tot mijn grote teleurstelling kregen de kinderen hun maaltijden in de kindereetzaal onder de supervisie van professionele toezicht.

 Wij konden ons vermaken in een mooi zwembad, op verschillende dekken spellen spelen en brachten werkelijk een prachtige tijd door na de ontberingen van de 2e Wereld Oorlog.

De Oranje was het mooiste schip dat wij ooit hebben gezien en het zou gegarandeerd niet heen en weer rollen tijdens hoge golfslag. Dat werd ons verteld. Maar met de eerste sterke windvlagen rolde het schip zo erg, dat we allemaal goed zeeziek werden.

Het schip voer naar Colombo, Aden, Suez en door het Suezkanaal. De kamelen bewogen zich net zo snel als het schip; de Oranje was zo enorm groot, dat het niet mogelijk was de oevers te zien.

In Port Said veranderde het klimaat en we moesten onze wollen winterkleding aandoen, iedere POW-er had voor de aanvang van de reis één stel gekregen.

Het was een strenge winter. In Port Said was de temperatuur maar 10 ºC  en meer naar het noorden werd onze reis werkelijk beangstigend. Stormen raasde in de golf van Biskaje, ons schip rolde heel erg en het Engelse Kanaal was met ijs bedekt.  In Southhampton zagen wij kinderen voor het eerst van ons leven sneeuw, om het Kanaal over te steken naar de haven van IJmuiden moest een kleine ijsbreker het ijs voor de boeg van de Oranje breken.

Achter ons sloten binnen enkele seconden de ijsschotsen zich weer direct aaneen. De jeugd van IJmuiden was verrukt over ons mooie schip; wij vroegen hen om sneeuwballen, die zij vervolgens op onze dekken gooiden. Wij gooiden sinaasappelen terug.

In de oude haven van Amsterdam bulderden zware kanonnen: een Koninklijke Prinses was geboren. Het was de 18e februari en op die zelfde dag had de Oranje alle records gebroken, van Batavia naar Amsterdam in 18 dagen gevaren!

Mijn vader wachtte ons op de kade op. Hij was blij ons weer in de armen te sluiten, maar niettegenstaande vond hij het verhaal van mijn moeder over de badkamer maar niets. Zij vertelde hem, dat  bij de eerste gelegenheid dat zij van onze luxueuze badkamer op de Oranje gebruik wilde maken, de deur op slot zat en dat zij het plenzen van een gelukkige badgast hoorde. Hij zat in de cabine aan de andere zijde van de badkamer en ontdekte tot zijn grote vreugd, dat de hofmeester de aangrenzende deur open had gelaten. We moesten onze privé badkamer dus delen met een vreemdeling. ‘Maar ik heb ervoor betaald!’ riep mijn vader en ontdekte weer eens, dat zijn vrouw zachtmoediger was dan hijzelf. ‘Die heer was zo gek op baden’ legde mijn moeder uit.

En dit is het verhaal, zoals een 11-jarig oorlogsslachtoffertje zich herinnerde over de onvergetelijke reis van drie weken aan boord van de Oranje.

Marian Bruinvels

Terug / Back