Organisatie -- Agenda -- Verhalen --  Documentatie-- Actualiteiten -- Een gastdocent vertelt -- Aanvragen gastles -- Links -- Index 

 

Het Koninklijk Nederlands Indische Leger

1830 - 1950

Het Koninklijk Nederlands Indische Leger

In de periode 1795-1813, de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland en de inlijving bij Frankrijk, waren de Nederlandse overzee gebieden bijna allemaal verloren gegaan alleen aan de Goudkust en Decima bleeft de Nederlandse vlag wapperen.
De ná 1813 herkregen vrijheid werden er met Engeland onderhandelingen gevoerd over teruggave van de koloniën Tijdens de conventie va
n Londen in 1814 werd bepaald dat Engeland alle  op Nederland veroverde koloniën zou teruggeven, met uitzondering van Ceylon, de Kaapkolonie en Essequebo, Demerary en Berbice. Nederland oefende formeel het gezag uit over een gebied dat ongeveer overeen kwam met wat nu behoort tot de Republiek Indonesia.
Ongeveer omdat de aanspraken op Nieuw Guinea omstreden
waren, Atjeh er nog buiten viel en het Noordwestelijk gedeelte van Borneo onder het gezag van Engeland kwam. Hoe verder men van Java kwam hoe meer de Nederlandse invloed minder werd. Wel waren er enkele steunpunten voor het Nederlands gezag zoals Palembang op Sumatra,  de Molukken en wat kustgebieden op Celebes en Borneo.
Tegen deze achtergrond moet het optreden van het leger in Indië gezien worden

Om de belangen van de Nederlandse kolonialen te beschermen werden
expeditietroepen uitgezonden. Tijdens de Java oorlog van 1825/1830 werden in 1826 en 1827 extra troepenmacht uitgezonden. Deze troepen vormden deel van de Nederlandse Krijgsmacht. 
Langzamerhand ontstond de situatie dat militairen die naar Indië werden gezonden feitelijk niet meer tot het Nederlandse leger behoorden. Van het uitgangspunt dat zij na verloop van tijd afgelost zouden worden kwam niets terecht. Rondom 1817 was de benaming "Indische leger" algemeen spraakgebruik geworden. Het besluit  van de Gouverneur-Generaal Johannes van den Bosch

van 4 december 1830 "Algemeene Orders voor het Nederlandsch-Oost-Indische leger" waarbij een nieuwe organisatie voor het leger in Oost-Indië werd vastgesteld, geldt als het begin van een afzonderlijk Indisch Leger.  In 1836 kreeg het leger het predikaat ‘Koninklijk’, op gezag van Willem I, maar het woord Koninklijk werd bijna een eeuw niet gebruikt, en werd het het Indisch Leger genoemd. Pas nadat minister-president Hendrik Colijn, zelf voormalig officier in het koloniale leger, in 1933 het Koninklijk Besluit van 1836 in herinnering had gebracht, raakte de officiële benaming Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, afgekort tot KNIL, ingeburgerd. In 1948 kwam de laatste verandering in de naam 

" Koninklijk Nederlands-Indonesisch Leger".

Het Leger had 3 basistaken:

     De civiele activiteiten van het KNIL.
         Het KNIL had een indrukwekkende taak op het terrein van civiele werkzaamheden.


     Het optreden tegen inheemse tegenstanders en onlusten.
        
Eigenlijk was het KNIL tot aan de eerste wereldoorlog in gevechtssituaties verwikkeld.

    Het beschermen tegen agressie van andere mogendheden.
       De taak is slechts 1 keer voor gekomen: de Japanse invallen in Zuidoost Azië.




DE LAATSTE LOODJES WEGEN HET ZWAARST

_________________________________________________________________________

  De personele opbouw van het KNIL.
Ongeveer 2/3 van de manschappen waren van inheemse landaard en vooral bij de troepen vormden zij het grootste deel. De Europeanen diende hoofdzakelijk in de officiers- en kaderrangen.
Het KNIL had tevens de zorg voor de gezinsleden van inheemse beroepsmilitairen.
Daardoor ontstonden grote kampementen, die men "tangsi" noemde waarin alle ongehuwde militairen (m.u.v. officieren) werden ondergebracht. De gehuwde niet Europese  onderofficieren kregen een huisje aan de rand van de tangsi. Zo ontstonden er complete tangsi-buurten. Een normaal beeld in Nederlands Indië.

    De Militaire Luchtmacht van het KNIL. (in ontwikkeling)

    De laatste 5 jaar van het KNIL.   (in ontwikkeling)
Zwaar gehavend kwam het KNIL uit de oorlog. 25 % van de manschappen hadden de oorlog niet overleefd en vele militairen waren ondervoed en ziek en verspreid over de Indische archipel waar ze onder onmenselijke omstandigheden slavenarbeid hadden verricht.

    De opheffing en ontbinding van het KNIL.(in ontwikkeling)
Met de soevereiniteitsoverdracht werd ook het KNIL ontbonden. De manschappen hadden de keuze om ingelijfd te worden in het Indonesische leger of het dienstverband te beëindigen. Voor sommige Indonesische bevolkingsgroepen was die keus er niet. Zo konden de Molukse militairen niet terugkeren naar hun geboorte eilanden aangezien de Indonesische leiders bang waren dat de Molukken daardoor hun onafhankelijkheidsideaal zoude kunnen realiseren met deze goed getrainde militairen. Zij werden, in weerwil van hun contract, naar Nederland gebracht.

Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin de Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen van 19 juli 1950, Afdeling Militaire Personeelszaken, No. 1:

         Gelet op:

Het bepaalde in Hoofdstuk IV (reorganisatie van de Regering van Indonesië (Nederlands Indonesische Overheid) van de "Regelingen betreffende de onder Nederlands bevel staande landstrijdkrachten in Indonesië na de Souvereiniteitsoverdracht"(Wet Souvereiniteitsoverdracht Indonesië, Staatsblad J 570);

     Hebben goed gevonden en verstaan:

I. Te bepalen dat het Koninklijk Nederlands Indonesisch op 26 juli 1950 te 0.00 zal hebben opgehouden te bestaan;

II.  Onze bijzondere dank en grote waardering gaat uit aan alle tot genoemd Leger behorende en behoord hebbende militairen ongeacht rang of stand voor de onder dikwijls moeilijkste omstandigheden betoonde daden van moed, plichtsbetrachting, opofferingsgezindheid en trouw.

Onze Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Soestdijk, 29 juli 1950.

Juliana

De Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen,

J.H. VAN MAARSELEVEN  

Uitgegeven de een en twintigste Juli 1950.

De Minister van Justitie

          STRUYKEN.       

 

Wilhelmus