| Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index |
Kinderkamptijd
door
Inge Dümpel, Veghel
I
Het
begon zo mooi. Surabaya, 23 september 1941.
1941
Ze
zeiden: nog net geen oorlogskindje
Wat een schatje, wat is ze blank!
Indische komaf is nauwelijks te zien(?)
Toch te bruin voor het interneringskamp. Goddank!
Oorlogsdreiging?
Ja. Maar het leek nog zo ver weg. Dan, op 8 december 1941 schrikt de wereld op.
Pearl Harbour.
Mijn vader vertelde mij vele jaren later:“Ik moest me melden en stond over de
wagen gebogen waar jij in lag. Een lachje brak door op je gezichtje en mijn hart
brak. Zou ik jou ooit terugzien?”
Ja,
wij zagen elkaar terug. Ik was inmiddels vijf jaar. Na een reis die in Malang
begon en eindigde in Surabaya, per vrachtauto, vliegtuig, boot en weer een
vrachtauto, de omweg die men toen moest maken vanwege de extremisten; vechten,
schieten, donkere mannen met tulbanden op hun hoofd die vriendelijk naar ons
glimlachten.
Vriendelijk?! Ik herinner me flarden van een liedje:
‘Alle wolken, alle plassen, alle meren, kunnen Gurkha’s niet meer
deren…’
‘Kijk ze maar niet aan,’ zei mijn moeder.
Nee, mijn zusjes en ik mochten geen enkele man aankijken, en glimlachen al
helemaal niet.![]()
En plotseling stonden we dan voor een grote man en mijn moeder vloog hem om de
hals. Minuten stonden ze zo. Vreemd, ik weet nog precies wat ik dacht, zo jong
als ik toen was: ‘Ze zien elkaar terug.’ Waar ik die gedachte vandaan haalde
weet ik niet!
Er
kwam een gevoel bij me op dat ik mijn moeder op dat moment verloor. Ze deed wat
ze ons altijd met klem verboden had. Ik voelde het als een verraad!
Toen waren mijn zusjes en ik aan de beurt. Maar we bleven stokstijf staan zoals
ons was geleerd: handjes vasthouden, oogjes neer.
Mijn
vader toverde uit een grote mand allerlei verrassingen voor ons, maar nee hoor.
Hij stond in de ene hoek van de kamer en wij in de andere, handjes vast,
oogjes… schuin omhoog naar de poppen die hij in zijn handen hield.
Mijn
jongste zusje was de kordaatste en bepaalde dat het nu maar moest
gebeuren.“Ja”, fluisterde ze, “maar wel samen”.
En
daar gingen we. Samen naar voren, pop in ontvangst nemen, achteruit lopend terug
naar de hoek van de kamer.
Op een dag ontdekte ik iets op de rug van mijn vader en vroeg wat die strepen
waren. Ik legde er mijn pinkje op om te meten hoe breed zo’n streep was.
Op
de dagen dat hij moeilijk liep, vroeg ik waarom zijn voeten zo dik waren.![]()
“Stil!”
Doorvragen
mocht niet, dat weet u. En zo zijn vele vragen helaas onbeantwoord gebleven.
Mijn Paatje
De oudste zoon uit een deftig gezin
Met bediendes die voor hem bogen
En twee auto’s voor de deur
- moeder chauffeert ook -
Hij lijkt de oudste in het Jappenkamp
Met zijn grijze haar, de rug gebogen
Om zweepslagen te incasseren
- ja, ze sloegen hem ook -
Zijn wonden heelden niet van binnen
Nu zijn voor mij de vragen gebleven
en wat ik hem wilde zeggen:
Pap, ook de mijne niet.
Mijn
vader was een hardwerkende, zeer rechtschapen man, die geen onrecht kon zien,
vooral als het kinderen betrof. In de jaren na de oorlog hadden wij daarom vaak
kinderen in huis uit wat men nu ‘probleemgezinnen’ zou noemen. Soms bleven
ze een paar weken, soms een paar jaren. Bijna dertig pleegkinderen heb ik zien
komen en gaan. En nooit hebben mijn ouders een cent van iemand gekregen.
Volgens mij hebben zowel mijn vader als mijn moeder het begrip ‘harmonica’
tafel uitgevonden.
Hij
was uiterst streng en, zoals in zoveel Indische gezinnen toen, was vaders wil
wet. Ik trouwde op jonge leeftijd.
Ik
verbeeld me dat er in de meeste huwelijken een dikke stevige draad loopt van de
ene naar de ander. Een draad, een koord van vlammende liefde.
Ik heb gezocht naar losse eindjes die ik kon knopen aan de losse eindjes die ik
bij hem vond.
Ik moest voorzichtig zijn, want de draadjes waren kort en door elke bruuske
beweging konden ze knappen.
De contradictie in het geheel was dat ik me niet slecht voelde in deze broze
relatie. Één rukje, en ik was los. Jaren en jaren later las ik een stukje van
Okke Norel in een nummer van Nines Nieuws uit 1993 over Buitenkampkinderen dat
ik kort samenvat:
“…
angst voor nieuwe bindingen, losse contacten. Door de noodzaak destijds
niet op te vallen camouflerend kameleongedrag vertonen. En solitair gedrag, dat
wil zeggen een voorkeur om alleen te wonen en als ze al samen wonen, vaak een
eenzelvig gedrag.”…
Zijn
oorlog in Europa, zijn werk bij de ondergrondse, zijn vlucht uit een kamp in
Duitsland, verborgen in een vrachtwagen met kolen.
De bombardementen in Den Haag waar hij zelfs dag en uur van wist, de gesmokkelde
briefjes, de angst, de angst, de angst.
De oorlog bleef hem voor altijd achtervolgen. Hoofdpijn, helse hoofdpijn… een
hersenbloeding.
Ik stond erbij met het kind in mijn armen, ik zág het gebeuren.
Ik
ontdekte dat je hart écht zeer kan doen.
Ik
dekte mijn oorlog toe en ging over tot de orde van de dag.
Er
moest brood op de plank. Een kantoorbaan lag me niet, het onderwijs wel.
Ik
studeerde met de dood in mijn nek, elk jaar was er eentje volgens de neuroloog.
Dat werd stampen, hardop de vervoegingen leren van Oud-Engels, Middel-Engels.
Ic
‘gemunde’–
ik herinner me
Ic
gemunde Elvis Presley,
zong ik voor mijn zoontje die zich daar altijd mateloos aan irriteerde…Maar
hij weet het nu nog.
Kan
een mens zich zó vastklampen aan het leven?
Toen
gebeurde het.
Samen
wachtten wij
hand-in-hand
op het einde
Stil was het
en het werd
steeds stiller
Ik wist
nu sta je voor de poort
tot hier kan ik
je begeleiden.
Ga maar
je hoeft niets meer
het is goed
…
de draad knapte …
Vaar
wel…Vaarwel
Mijn
oorlog kwam weer bovendrijven. Van binnen werd ik één brok woede, ik
vertrouwde niemand. Van binnen kon ik razen en soms vroeg ik me wanhopig af
waarom ik steeds zo boos was. Maar uiterlijk merkte bijna niemand iets. Beter
dan best zijn en een eeuwige glimlach op je gezicht.
Mijn
leven ging verder. Niet te veel voelen, niet te veel hechten, niet aarden, dat
kan je duur komen te staan. Je kunt zo bezeerd worden. Gelukkig heeft de tijd
hem en mij milder wat rustiger gemaakt.
Ik
wil eindigen met een gedicht dat ik opdraag aan alle kampkinderen.
KINDERKAMPTIJD
Ze
ging het kamp in aan moeders hand
En
bekeek het huisje aan de waterkant
Is
dat leuke huisje voor ons, vraagt het kind en lacht
Ja,
hier gaan wij nu wonen, zegt moeder zacht
Waar
is pappa, vraagt het kind, want die ging niet mee
Pappa
zit in een ander kamp.
Deze
oorlog, denkt de moeder, wordt een grotere ramp
dan
men heeft kunnen vermoeden, en dat blijkt waar.
Ze
pakt de koffer uit en is snel klaar.
De
foto van pappa hangt ze aan de muur
‘Geef
hem maar een kusje,’
zegt
ze elke avond op hetzelfde uur.
Drie
jaar gaan voorbij,
“onze
kamer” wordt langzaam “ons bed”
Want
tenslotte wordt er
in
alle hoeken
een
matras neergelegd
Het
kind ziet haar moeder met een patjol gaan
en
zegt: vroeger had pappa dat gedaan
Het
kind is gegroeid, maar haar geest groeide sneller
honger
en angst maakten haar feller
Ik
wil niet buigen voor die lelijke Jap
gilt
ze heel hard… en … haar moeder krijgt een klap
en
nog een… het kind breekt, maakt haar buiging
de
moeder staat op, voorbij is de dreiging
Samen
met mamma op een hoekje van het bed
Dat
ze inmiddels op de achtergalerij hebben gezet
Samen
met mamma watersoep eten
Samen met mamma door kutu busuk gebeten
Samen
met mamma de Bersiap Periode in
Samen
door rijen mensen met bambu runcing
Het
kind vóélt de dreiging die ze niet kan verwoorden
Sst!
Stil! Ze kunnen je vermoorden!
Het
kind hóórt de stilte, hoort hartverscheurend huilen
Loopt
mee naar het gedek om kleren te ruilen
Het
kind komt terug met een pak van het Rode Kruis
Mamma
zegt: de oorlog is voorbij, we gaan weer naar huis.
En…ja,
na de oorlog zijn ze weer een gezin
De
vader en de moeder… tegenóver het kind
Stelt
haarscherp vast: maar niet haar bondgenoot
Het
wordt een eenzame tocht naar volwassenheid
Verloren
jeugd, verloren kindertijd
Dit
kind dat leerde luisteren en observeren
Tegen
beelden en herinneringen opgeslagen in haar brein
Wás
het wel zo? Ik was toen nog zo klein!
Inge Dümpel