Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie  -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

 COBI’S KAMPVERHAAL

 

 

Aan Rolien en Albert Jan, aan mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen 
en ter gedachtenis aan mijn mannen, die altijd zo goed voor mij hebben gezorgd.

 

 Het Engelse bedrijf Francis Peek had drie Ranau ondernemingen ( plantages) op de berghellingen bij het Ranaumeer in Zuid Sumatra, op de grens van de residenties Palembang en Benkoelen. Afdalend van boven naar beneden: thee, koffie en rubber.

Wij woonden op de koffie onderneming. Wij, dat waren mijn man Adam Evers, ons driejarig dochtertje Rolien en ikzelf. Een heerlijk leven in een heel kleine Hollandse gemeenschap met als een van onze beste vrienden de vrijgezel Piet Meek, die daar ook werkte. Soms landde er een Catalina vliegboot van de Marine Luchtvaart Dienst op het meer en kwamen de officieren bij ons een kopje koffie halen, want we waren sinds drie maanden in oorlog met Japan.

De “onneembare “vlootbasis Singapore was gevallen en de Japanners waren al op Sumatra geland.

Mijn man Adam kon nog een evacuatie per boot voor Rolien en mij regelen. Ik kreeg een etui mee, waar later  onze waarde- papieren in bleken te zitten, alleen de fotoalbums  konden niet mee, die hebben we dus nooit meer teruggezien. Adam kon als waarnemend administrateur ( directeur ) zijn onderneming niet in de steek laten.

Het schip lag vol met soms zwaar gewonde Engelse militairen, die het vliegveld van Palembang hadden proberen te verdedigen. Eigenlijk konden ze niet vervoerd worden, maar de laatste trein van Palembang naar Tandjoenkaran, de haven op de Zuidpunt van Sumatra, vanwaar wij vertrokken, was nog hun enige kans op evacuatie geweest. Zelf kregen we een fraaie eerste klasse hut. Ik ben toen meteen naar de gezagvoerder toegegaan om onze hut als onderkomen voor die gewonden aan te bieden, wij konden beter op dek slapen dan die stakkerds. De gezagvoerder vond het maar niks, maar vooruit!

Vanuit Batavia ( nu Jakarta ) konden we met het laatste vliegtuig nog naar Bandoeng vliegen. Daar hadden we uit familiebezit twee huizen, natuurlijk aan andere mensen verhuurd, maar Adam had geregeld, dat wij  het paviljoen van een van die twee tot onze beschikking kregen, aan de Heytinglaan 20. Ik kon het daar nog  inrichten voor ons tweetjes, maar contact met Ranau was niet meer mogelijk.

Heel snel daarop viel ook Java in maart 1942.

Nederlands Indië was een Japans wingewest geworden met ons Nederlanders als ongewenste vreemdelingen. En erger dan dat. De nog loslopende mannen werden opgepakt, salarissen en pensioenen werden niet meer uitbetaald, bankrekeningen geblokkeerd. De vrouwen en kinderen mochten nog vrij rondlopen, maar moesten zich wel al laten registreren (op eigen kosten).

Zelf kon ik nog met een vriendin een frisse neus halen in  Soekaboemi, een bergdorpje dichtbij Bandoeng, bij “Omi van Delden”, het plaatselijke hotel , vlak naast de politiekazerne. Onze kebon ( tuinjongen ) had van de kebon van de politiekazerne gehoord, dat daar krijgsgevangenen tijdelijk zouden worden opgesloten, om later over zee te worden afgevoerd.

Ik stond in de voortuin te kijken, die hoger lag dan de weg, toen die gevangenen onder Japanse bewaking aan kwamen lopen. Wie hoorde ik daar ? “Cobi!” 

Ik keek wat beter, dat was Piet Meek! Ik riep terug: ”Hoe is het met Adam?” Hij riep:”Heel slecht!” Een Japanse soldaat begon Piet met zijn bajonet te porren. “Is hij dood?”riep ik. Piet knikte zwijgend.

 De Japanse soldaten begonnen nu ook dreigend naar ons te kijken, ik durfde niets meer te roepen. Piet heeft nog kans gezien vanuit de kazerne een briefje naar buiten te smokkelen, met daarin o.a. dat de moordenaar gepakt was. Daarna verdween hij voor de rest van de oorlog uit mijn gezichtsveld.

Pas na de oorlog heb ik gehoord, dat mijn lieve Adam in de chaos van het wegvallend koloniaal gezag op 16 of 17 februari 1942 gewoon vermoord is, om hem te beroven. (Hij had net de tas met geld voor de maandelijkse uitbetaling van het personeel in huis). De dader was dus nog opgepakt, hoe het hem verder vergaan is blijft onbekend; ook waar Adam begraven is, zal ik nooit weten.

Hoe ging het verder met ons in Bandoeng? In 1943 werden we geïnterneerd, zeg maar opgesloten, in het Tjihapit kamp, wel in vooroorlogse woonhuizen, maar dan nu helemaal volgepropt met mensen, in ons huis 49. Zelf had ik door voorspraak van mijn oude vriend, dokter de Bruyn, nog het voorrecht, samen met Rolien een piepklein kamertje voor onszelf alleen te krijgen.

De kinderen hadden al in geen dagen eten gehad en zelf hadden we nog wel wat havermout e.d. in pakjes bij ons, maar dat moest gekookt worden en het gas was afgesloten. We hebben toen de aanvoerpijp van het gas in de tuin opgegraven, daar met een spijker gaten in geslagen en die allemaal aangestoken (dat gaf een enorme steekvlam). Heel doeltreffend, maar de Japanse kamp commandant Murui had het allemaal over de schutting gezien.

We werden met ons allen opgepakt en afgevoerd naar de kampgevangenis, een oud nonnenklooster, ook weer apart afgerasterd binnen ons kamp. Ik kon nog net Rolien mèt het etui met documenten kwijt bij mijn vriendin mevrouw van Rooyen. Want we zouden niet alleen daar apart opgesloten worden, maar ook ter dood gebracht, wegens onze zware misdaad van het kapotmaken van de gasleiding. Misdadig en onverantwoordelijk riskant (dat laatste was natuurlijk wel een beetje zo). Bij binnenkomst kregen we een aantal vers gedolven graven te zien, waar we in zouden komen. De spades waren ernaast rechtop in de grond gestoken, om de boel daarna weer dicht te gooien.

Een keurige, lange, wat lichtgetinte Japanse officier kwam ons in het Engels vertellen, dat er diezelfde avond in vergadering besloten zou worden, hoe we gedood zouden worden. Ik blufte, dat ik het hele verhaal zeker ook met minstens de naam van de kampcommandant het kamp uit gesmokkeld had, dat die gegevens zeker hogerop zouden komen en dat na de oorlog de daders zeker gestraft zouden worden. Was het doden van weerloze vrouwen wel in overeenkomst met de eer van het roemruchte Keizerlijke leger? De officier gaf toe van niet, hij zou in de komende vergadering een goed woordje voor ons doen.

Die zelfde avond kwam hij weer bij ons terug. Onze straf was teniet gedaan. We beloofden dat we het nooit meer zouden doen.

We gingen weer terug naar het gewone kamp en ik kon Rolien weer ophalen! Een wonder? Of had Onze Lieve Heer mijn moed en overtuigende bluf beloond? (Of is dat hetzelfde ).

In 1944 werden we per trein afgevoerd naar Batavia. Het gerucht ging, dat we vandaar verder over zee getransporteerd zouden worden, maar het bleef gelukkig Batavia. Het Adek kamp, waar we terecht kwamen, was op zich al erg genoeg. In de eerste plaats werden alle jongens van elf jaar en ouder weggehaald en naar jongens- en mannenkampen gestuurd. Hartverscheurend voor hun  moeders en voor hun zelf en je kon er helemaal niets tegen doen.

Het kamp bestond uit zwaar vervuilde, stinkende barakken, waar dysenterie patiënten in hadden gelegen. Wij mochten dat allemaal gaan opruimen en schoonmaken, maar ontsmettingsmiddelen als lysol kregen we niet.

In de kortste keren had ik ook bloed diaree, Rolien moest mijn po’s uitspoelen en schoonmaken en had het dus een dag later ook. Van onze oude vriend, dokter de Bruyn, hadden we gelukkig nog wat medicijnen meegekregen, hoe dan ook, we werden weer beter en de barakken werden weer redelijk schoon. Grote barakken met doorlopende houten stapelbedden, waar we mannetje aan mannetje naast elkaar lagen. 50 cm per persoon, dat was jouw particuliere terrein, verder was er in het hele kamp niets voor jou persoonlijk. Privacy was een decadente luxe uit vroeger tijden, baden ( voorzover er water was ) en w.c. gebeurden gemeenschappelijk. Wandluizen en andere luizen hoorden bij de vaste inventaris. Dagelijks uren in de brandende zon op appèl staan om iedereen te tellen en voor het werk in te delen, vaak voor straf nog meer op appèl staan, allemaal keurig in de houding, en na afloop allemaal buigen in de richting van Nippon. De uitzichtloosheid, de verveling, de ruzies door het samen opgepakt zitten, de ziektes, de honger en vooral tegen het einde steeds meer doden. En natuurlijk de aframmelingen en straffen, zoals uren lang in de zon blijven knielen met een bamboestok in je knieholtes.

Robin kon met haar zes jaar maar niet begrijpen, hoe God dit allemaal kon toestaan, bestond Hij eigenlijk wel? Plotseling kwam ze op een keer naar me toe hollen. “Mamma, God bestaat, hij loopt hier in het kamp rond!”Wat bleek? Om welke reden dan ook werden we bezocht door paters in witte pijen met witte kappen uit het vlakbij gelegen klooster, waarom precies weet ik niet meer. Maar Roliens geloof was gered!

Toen we ons werk in Adek hadden gedaan  werden we snel weer verder doorgestuurd, nog steeds in 1944, nu naar het Tjideng kamp, ook in Batavia. Een slecht kamp met als hoofd de beruchte Sonei ( na de oorlog wegens oorlogsmisdaden ter dood gebracht ).

Ik werkte in de rijstkeuken, met als enig extraatje een kwakje rijst per dag in je blote handpalm en echt niet meer. Voor mijn zieke kennis in de barak nam ik soms een pannetje sajoer mee, maar dat mocht eigenlijk ook al niet. Mijn benen zwollen op van het hongeroedeem. Nelleke, een meisje van een jaar of twaalf fungeerde als ordonnansje,  om iedereen te waarschuwen als het eten klaar was. Op een dag liepen we de keuken uit, zij droeg het pannetje met sajoer. Helaas, we liepen een Koreaanse bewaker, samen met een Japanse officier, tegen het lijf. Wat zat daar in het pannetje? Nelleke was verstijfd van schrik en kon geen woord uitbrengen.

De Koreaan rukte het pannetje uit haar hand, gooide de deksel weg en drukte het omgekeerde pannetje op haar hoofd, de groenteblaadjes dropen langs haar wangen,  een vreend dwaas gezicht. In mijn zenuwen begon ik hard te lachen. De Koreaan dacht misschien, dat ik hem uitlachte, in ieder geval begon hij me flink af te tuigen. Rolien was in de buurt, zag het en holde terug naar de barakken, om te vertellen, dat haar moeder werd afgeranseld.

Intussen was de Koreaan door zijn meerdere wat gekalmeerd, hij hield op met slaan en ze gingen weg.

Wonder boven wonder kon ik na afloop nog opstaan, bont en blauw, maar verder viel het achteraf dus toch nog een beetje mee.

Het eten werd steeds minder en ook slechter. Tapioca pap was meer geschikt als stijfsel, dan als voeding. Lang zouden we dit niet meer kunnen volhouden.

Zonder dat we daar iets van wisten, werd de oorlog  in de eerste helft van augustus beslist door de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Ruim een week na de officiële overgave van Japan kregen we van Sonei te horen, dat het Zijne Keizerlijke Majesteit in zijn oneindige goedheid en wijsheid behaagd had, de oorlog te beëindigen, om verder bloedvergieten te voorkomen. Of in eenvoudig Nederlands: Japan had verloren, we waren vrij! Overal vielen de vrouwen elkaar huilend in de armen, golven van emotie door het kamp.

Maar echt vrij? Ook volledig buiten ons weten had Soekarno vlak bij ons, ook in Batavia, de onafhankelijke Republik Indonesia uitgeroepen, weg met de Nederlanders! Al gauw verschenen overal bendes van vrijheidsstrijders of ook gewone bandieten, om op Hollanders te jagen. Ons kamp bleek nog de veiligste plek. De poort stond open, maar niet te ver naar buiten gaan! Eten was er nu plotseling wel, maar vechtpartijen, schietpartijen, ontvoering en moord vonden overal plaats, meest ’s nachts, maar ook midden overdag, ook zelfs in Batavia. Een machtsvacuüm. Geen enkel centraal gezag, ook nog niet van de Republiek. De Japanners stonden meest aan de zijlijn, maar in Bandoeng en in Semarang hebben ze vele Hollandse levens gered en de orde  ( zeer hardhandig ) hersteld.

De Bersiap tijd. Bersiap kan op vele manieren vertaald worden, maar heel toepasselijk is hier: “pas op”, want oppassen moest je Alles wat kon, gebeurde, en alles, wat absoluut niet kon ook.  Mondjesmaat kwamen Brits Indische troepen binnengedruppeld.  De door Nederland gezonden soldaten werden door de Engelsen maandenlang op Malakka vastgehouden.

Zelf liftte ik terug naar Bandoeng, waar ik met enige moeite huisvesting vond. Ik liep daar op een keer met Rolien naar het Dago ziekenhuis, om de uitgeputte en doodzieke dokter de Bruyn te bezoeken ( hij is enkele maanden later in Amersfoort overleden ) . Een militaire truck stopte. De chauffeur stapte uit en vroeg waar ik heen moest. Naar het ziekenhuis. “Dat moet U niet doen, mevrouw, lopen is veel te gevaarlijk, er zijn hier sluipschutters. Stapt U maar bij mij in, dan breng ik U daarheen en dan kom ik over een uur weer langs  om U weer op te halen en naar huis te brengen”. In de auto vertelde ik, dat ik mevrouw Evers uit Zuid Sumatra was, met mijn dochtertje Rolien. Ik werd keurig afgeleverd en later weer teruggebracht naar waar ik woonde.

De chauffeur, ook al een de Bruin, maar nu met u i, kwam te laat terug op het transportcentrum en meldde zich bij de waarnemend commandant en hoofd van het verkeer en transport in Bandoeng, een zekere Piet Meek. ( Hoe was die daar terechtgekomen? Uit Soekaboemi was hij via Batavia per schip naar Birma getransporteerd en te werk gesteld aan de beruchte Birma spoorweg, waar hij zelfs nog een tijdje met Wim Kan in hetzelfde werkkamp had gezeten. Er waren daar meerdere kampen langs de spoorlijn. Na de oorlog was hij via Engeland weer in Bandoeng teruggekomen en daar aangesteld – nog steeds als dienstplichtig reserveofficier – als hoofd verkeer en transport).

De chauffeur vertelde, dat hij te laat was, omdat hij een mevrouw Evers uit Zuid Sumatra had meegenomen naar het ziekenhuis.”Met een blond dochtertje?”vroeg Piet. “Ja, die heette Rolien”. “Jij blijft even het commando houden hier, ik ga daar nu even naar toe”, zei Piet. Mijn adres was bekend, daar had de Bruin me immers thuis gebracht.

Dat was een weerzien! Nu hoorde ik meer over de dood van Adam, waar Piet niet zelf bij geweest was, want hij was toen al opgeroepen voor militaire dienst. Adam bleek toen ook Piet als voogd voor Rolien benoemd te hebben, als dat nodig zou blijken te zijn. Oude vriendschap werd snel meer. Piet werd geen voogd, maar tweede vader van Rolien. Maar eerst naar Holland, even uit de ellende en Rolien moest met haar 8 jaar zo langzamerhand ook eens naar school! In het kamp had ik haar wel lezen en schrijven geleerd, maar op school was ze nog nooit geweest. In oktober 1946 kwamen we terug in Den Haag. Piet volgde een paar maanden later. We trouwden 6 juli 1947. Maar Piet moest weer terug,weer naar een onderneming, maar nu in de buurt van Bandoeng. Wij zouden later volgen. Al vrij gauw bleek, dat er voor ons in  Indië, nu meer en meer Indonesië, geen toekomst meer lag.

Piet kwam terug in 1953 en kreeg een baan bij het ministerie van Sociale Zaken. Na zijn pensioen verhuisden we in 1983 naar Den Bosch, waar hij ruim een jaar later overleed.

Zelf kon ik geleidelijk steeds minder zien en begon geregeld te vallen. Op 9 januari 2004  moest ik daarom helaas naar de Vlasborch in Vught verhuizen. Daar woon ik nu, met veel contacten met Rolien en Albert Jan, klein – en achterkleinkinderen en met mijn veelbewogen herinneringen.

 Cobi  ( J.J. ) Meek – Martens, Vught, september 2005