Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie --  Actualiteiten -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

 

Auteur Mr.H.S. Van der Straaten uit  Den Haag

De Kris.

 

In menig Hollands huis prijkt boven de schoorsteen, bestudeerd opgehangen tegen de achtergrond van een ruitvormige batikdoek, het traditionele souvenir aan “ons Indië” van lang geleden, nostalgisch symbool van een vervlogen tempo doeloe: de kris.

Kennis van de achtergronden van dit sierlijk wapen ontbreekt vrijwel geheel, hetgeen niet verwonderlijk is indien men bedenkt dat hierover weinig is geschreven.

In de zomer van het vorige jaar heeft men in de dagbladen kunnen lezen over de ceremoniële overdracht van een prachtige Balinese poesaka-kris door president Soeharto aan prins Bernhard tijdens diens statiebezoek aan Indonesië, waarmede een periode van wantrouwen en onbegrip werd afgesloten en een nieuw tijdperk van vriendschap en samenwerking werd ingeluid. In het kader van deze gezuiverde atmosfeer tussen, oude vrienden' past een verdieping in een stuk Indonesische cultuur dat met het wezen van de Indonesiër ten nauwste is verweven.

Wij treffen de verspreiding van de kris op alle eilanden van de Indonesische Archipel aan. in de veertiende eeuw vestigde het machtige rijk Madjapahit zijn macht op Java en breidde zijn invloed uit over Bali en Madoera, onderwierp Sumatra, maakte Singapore schatplichtig en Borneo onderdanig. De volgende eeuw werden Makassar, Banda, Soembawa en Timor eveneens schatplichtig, en aangezien nu de wieg van de kris op Java heeft gestaan is het begrijpelijk dat dit wapen, dat in zulk een hoog aanzien bij de Javanen stond, als zodanig ook door de onderdanen elders in de Archipel werd aanvaard en in de eigen cultuur opgenomen.

De kris is derhalve een typisch Indonesisch wapen, dat zich nimmer buiten de Archipel heeft verspreid. Op Sumatra, Java en de Soenda-eilanden is de kris bekend onder de naam Kriss; op Madoera heet het wapen Kéris, in Sumenap Karis en in Lampong Kaghïs. Bali noemt de kris ook nog Kadoetan.

In het Hoog-Javaans wordt de kris aangeduid onder de namen Duwung of Tchuriga. Maar ofschoon de kris tot in de verste uithoeken van het eilandenrijk als het voornaamste wapen werd beschouwd, beperkte zich de geografische verspreiding van de kris-smeden tot Java en Bali, nl. daar waar de Hindoebeschaving het krachtigst en langdurigst is geweest. Het zijn ook deze eilanden, waar zich rondom de kris een rijke literatuur heeft gevormd.

Over de herkomst van de kris is niets met zekerheid bekend. Sommigen plaatsen de oorsprong van de kris in Indonesië zelf. Uit de pijlstaart van de in de Indonesische wateren voorkomende Ikan-Pari, de pijlstaartrog, zou hij zich hebben ontwikkeld en oorspronkelijk als steekwapen door de vissers zijn gebruikt. In tal van grotten zijn Ikan-Pari pijlstaarten aangetroffen, soms op een afstand van 5 á 6 dagreizen van zee verwijdert. Blijkbaar bewezen die giftige, gekartelde pijlstaarten goede diensten, waarschijnlijk als steekwapen, waarbij dan de basis met boomschors ter bescherming van de hand moet zijn omwonden. Wanneer het gif was uitgewerkt, werd de pijlstaart weer met het gif van een pas gevangen Ikan-Pari voorzien. Uit deze pijlstaart zou zich de korte, rechte vorm van het oudst bekende kris-type, de Kriss Madjapahit, hebben ontwikkeld.

Op Java bestaan ten aanzien van de oorsprong en herkomst van de kris diverse legenden. Één daarvan zegt dat de kris Indonesië zou zijn binnengebracht door een der oude Hindoe-vorsten, die het levenslicht zou hebben aanschouwd met een kris aan zijn zijde, van het type Pasopati, met recht lemmet, reden waarom nog heden ten dage de meeste waarde wordt gehecht aan een kris met recht lemmet. De meest verbreide legende luidt echter alsvolgt: uit de hemel daalde de goddelijke held Pandji neer, schiep het Javaans toneel en de gamelan en maakte voor zichzelf een sierlijk wapen. In de Javaanse verhalenbundel, bekend onder de naam Tjèkèlwanèngpati (‘jong en moedig tot de dood') wordt in den brede uitgewijd over de avonturen van deze held en diens vrouw. Zijn naam is voluit PandjiInakarta-Pati en hij wordt beschouwd als een incarnatie van Vishnoe.

Volgens de legenden zou het koninkrijk Djang'gala, rondom het huidige Soerabaja, waarover deze Pandji regeerde, in het jaar 846 van het Sulivana-tijdperk (d.i. 924 AD) zijn gesticht.

Opzienbarende ontdekking
In 1815 deed de arts-bioloog Dr Thomas HORSFIELD een opzienbarende ontdekking die deze legenden plotsklaps een historisch karakter verleenden. Deze natuuronderzoeker stuitte bij zijn werkzaamheden in de ruïnen van Panataran in het district Srangat op een stenen inscriptie, die in de oud-Javaanse taal, het Kawi, de namen vermeldde van PandjiInakarta-Pati als regerend vorst van Djang'gala en van zijn echtgenote. De steen zelf mist een datering maar op de toegangspoort van een der naburige tempels, die aan deze prins is gewijd, is in duidelijk leesbare cijfers de datum 1242 (1320 AD) aangebracht. Hij vond ook andere stenen in dezelfde streek met inscripties variërend tussen 1220 en 1246, en op grond van deze vondsten is men tot de conclusie gekomen dat Inakarta-Pati een historische figuur is geweest die over Djang'gala tegen het eind van de dertiende en in het begin van de veertiende eeuw moet hebben geregeerd. Aangezien nu deze Pandji als uitvinder en eerste drager van de kris wordt aangemerkt, moet de oorsprong van de kris in dezelfde periode worden geplaatst. En zoals Pandji een goddelijke oorsprong wordt toegekend hij wordt immers beschouwd als een incarnatie van Vishnoe wordt de krissenmaker, de pandé, geacht af te stammen van Brahma.

Wat voor ons het verhaal Genesis uit de Bijbel is, is voor de Javaan het scheppingsverhaal uit de Lontar Tantoe Pagelaran, en deze Lontar verhaalt dat de Goden met groot misnoegen de onvolkomenheden van de eerste mens aanschouwden. Zij besloten gezamenlijk voor de oppergod Betara Goeroe te verschijnen om hierover te beraadslagen. Men kwam overeen dat Brahma op aarde zou nederdalen om de mensen wapenen en werktuigen te leren maken. Wisowakarma kreeg opdracht de mensheid huizen te leren te bouwen, Isowara moest de mensheid onderwijs geven in taal, beschaving en betamelijkheid, Maha Dewa kreeg opdracht de mensheid te leren edele metalen te bewerken, Tjita Goepta moest onderwijs geven in de beeldende kunsten en Vishnoe daalde neer om als koning te heersen,de mensheid te leiden en hen in alles een voorbeeld ter navolging te geven.

Aldus zorgde Betara Goeroe ervoor dat zijn schepselen zich van de dieren des velds door hun kennis en inzicht zouden kunnen onderscheiden.

Hoge sociale positie van krissenmaker  
De bijzondere afkomst van de wapensmid weerspiegelt zich aanvankelijk in de materiële positie in de Indonesische samenleving. Er is een bekend verhaal van een krissenmaker die heel beroemd was en Djaka Soepa heette. Deze Djaka Soepa slaagde erin een kris van grote waarde, die aan de vorst van Madjapahit ontstolen was, aan de eigenaar terug te bezorgen. Als beloning werd hem toen de schoonzuster van de koning geschonken terwijl hij bovendien een prachtig paleis aan de noordzijde van de pasar mocht bewonen. De krissenmaker was ook de enige die in tijd van oorlog van krijgsdienst was vrijgesteld. Alleen indien de vorst in persoon ten strijde trok, was de krissenmaker verplicht hem te vergezellen, om hem tegen gevaar te beschermen. Dikwijls was hij eigenaar van uitgestrekte landerijen doch zijn bevoorrechte positie verslechterde mettertijd.

Voor het uitoefenen van de macht was de vorst voor een zeer belangrijk deel afhankelijk van de macht van wapenen en de vorst was er dan ook zeer op gebrand de kundigste wapensmeden aan zijn kraton te verbinden. Slechts voor hem en bij uitzondering ook voor bevriende vorsten van naburige rijken mocht hij werken en de beloning voor zijn niet-aflatende arbeid werd in de loop der eeuwen van alle glans ontdaan. Hij moest allengs genoegen nemen met kost en inwoning en hij placht dan ook mistroostig te zeggen: ,Goena Dosa: mijn verdienste is mijn straf..

In schrille tegenstelling tot de armoede, waarin de smid verviel, is zijn hoge sociale positie altijd onaangetast gebleven. Steeds wordt hij aangesproken met Empoe, heer, of Kyaï, meester, en nog tot op de dag van vandaag oefent hij, bewust van zijn bijzondere gaven, in alle stilte zijn bedrijf uit.

De vervaardiging van een kris gaat met een omstandig ceremonieel gepaard. Voordat hij met de arbeid begint, trekt hij zich enige tijd terug in een afgezonderd deel van de werkplaats die hij tot tempel heeft ingericht, ten teken waarvan hij buiten zijn deur een klein model tent ophangt, de zogenaamde Tarub.

Een periodc breekt aan van vasten en meditatie, die het lichaam zullen reinigen van menselijk begeren en de weg vrij zullen maken voor de goddelijke kracht, die zich dóór de smid, in de kris vasthecht.

Na deze periode van afzondering wordt een uitgebreid spijzenoffer gebracht om zowel de Boetas, goede geesten, als de Sétans, kwade geesten, gunstig voor zijn arbeid te stemmen. Dit offer, waarvan de onderdelen elk een bede aan de geesten symboliseren, bestaat uit hard gekookte rijst in kegelvorm opgediend met toespijzen, een eendenei met kooltjes omgeven door pisangblad, rode en witte rijstepap, klappersuiker, wierookhars, pisang, bloemen en kroepoek. Het onstoffelijk deel van dit offer nemen de geesten tot zich, het stoffelijk deel wordt op een later tijdstip door stervelingen genuttigd.

Met de vervaardiging van een kris, die slechts op bestelling mogelijk is, gaan soms maanden heen: het is geen uitzondering dat pas een jaar na opdracht een aanvang wordt gemaakt met de arbeid omdat de tijd voor het maken van een kris steeds ongunstig bleek te zijn: is de opdrachtgever bv. een edelman, dan mag aan de kris alleen worden begonnen in de maand Soera, d.i. de eerste Javaanse maand.

Wanneer het een kris betreft die voor een vorst bestemd is, kleedt de empoe zich in cen bepaald stadium van fabricage in een wit gewaad.  

Bijzonder knappe smeedtechniek  
Wanneer wij een kris bezien, dan springt de damascering, de tekening van het lemmet, dadelijk in het oog. Deze tekening bestaat uit een zilverachtig complex lijncn dat op bet lemmet scherp afsteekt tegen het zwart glanzend staal. Dit lijnenspel komt tot stand door-dat de empoe verschillende repen koolstof- en nikkelhoudende staalsoortcn door elkaar heen smeedt. Op het blanke oppervlak is die tekening aanvankelijk niet zichtbaar, maar wanneer het lemmet, na zorgvuldig diverse slijp-stadia te hebben ondergaan, met arsenicum en citroensap is behandeld, tekent zich langzaam de zilverkleurige
nikkeltekening af tegen het door het arsenicum aangetaste, blauwzwart-glanzende staal in de vorm van strepen, bochten en cirkels. En het is zeker  ook aan dit wonderlijke gebeuren toe te schrijven dat de empoe bij de Indonesische bevolking nog immer als een mysterieus wezen wordt aangemerkt.

Ook ónze bewondering verdient de empoe, want men dient wel te bedenken dat het pamor-motief door hem doelbewust is aangebracht, waarvoor een heel bijzondere smeedtechniek is vereist. Pamormotieven mogen niet zó maar worden gebruikt en voor de fantasie van de empoe is bepaald géén plaats. Strenge voorschriften beheersen de voorwaarden waaronder een motief mag worden gebruikt en uit de vorm daarvan kan het beroep of waardigheid van de drager worden afgelezen.

De motieven waarvan er volgens een Javaanse verhandeling in totaal 16 bestaan, gaan terug op vijf oertypen, voorstellende de bekende vijf pandawa’s uit het Hindoejavaanse epos Mahabharata, symbool van de belangrijkste groepen der gemeenschap in hun organische samenhang.)

Wanneer wij het lemmet nader bezien, kunnen wij de rechte vorm en de gegolfde vorm onderscheiden; recht als de kluizenaar-draakslang in ruste, de zogenaamde Naga Tapa. Gegolfd als de bewegende draakslang, de zogenaamde Naga Loemakoe. Is de naga met staart en opgeheven hoofd duidelijk zichtbaar langs de rand, dan wordt gesproken van de stilblijvende draakslang, de zogenaamde Naga Meneng. Inderdaad wordt de kris geïdentificeerd met de naga, het mythische dier dat vruchtbaarheid kan schenken, onvruchtbaarheid kan verdrijven en ziekten kan genezen, symbool van rijkdom en voorspoed en vervuller van wensen.

Nikkel van een meteoriet
Voor de bloei van de pamorkunst, die op Java en Bali een ongekende hoogte heeft bereikt, was de aanwezigheid van nikkelhoudend ijzer voorwaarde. Meer dan een eeuw lang was dit nikkel op Java afkomstig van een in de vorstenlanden bij Prambanan neergestorte meteoriet, die zeventien jaar nadien, in 1797, naar de kraton van Soerabaja werd getransporteerd en daar zorgvuldig werd opgeborgen. Elders op Java stortten in de loop der tijden ook stukken meteoriet neer zoals op Tjabé, bij Bandoeng, Ngawi en Djati-Pengilon, maar nooit in die enorme omvang als zich in 1780 bij Prambanan had voorgedaan. Toen de voorraad pamor tegen de eeuwwisseling schaars begon te worden, ontwikkelde Krupp een nikkelstaal, dat in zuivere vorm en in blokjes op de markt gebracht, voorkeur genoot boven het traditionele pamor met zijn lage nikkelpercentage: de tekening van het Krupp-pamor met bijna zuiver nikkel, kwam veel scherper en glanzender op het lemmet te voorschijn.

Wanneer nu de kris door de empoe is vervaardigd handgreep en schede worden door anderen gemaakt dient het wapen een wijding te ondergaan in een tempel. Weer worden offeranden neergezet en gebeden gepreveld. Alleen wanneer aan dit ceremonieel is voldaan zal de kris die beschermende macht bezitten, die ervan wordt verlangd.

Tijdens de fabricage worden door de smid figuren in het lemmet gegrift, soms met inkt of wel met een andere vloeistof, die tijdens de verdere bewerking van het staal verdwijnen, maar waarvan de eigenschappen die daaraan worden toegeschreven, bijv. bescherming van de eigenaar tegen verwondingen, in de kris overgaan.

Om de kracht van de kris te handhaven dient er voor gezorgd te worden dat geen vrouw de wapens aanraakt, terwijl het eveneens voor vrouwen verboden is de offeranden te nuttigen. Het wordt gewenst geacht eens in de zes maanden de kris opnieuw te zegenen om de macht van het wapen in stand te houden, en wanneer aan al deze eisen voldaan is, bezit de kris een huiveringwekkende macht, die slechts met de grootste omzichtigheid mag worden gehanteerd.

Zelden of nooit wordt de kris ult de schede getrokken. Wanneer dit tóch voorkomt, gebeurt dit met een eerbiedige traagheid; ook tijdens deze handeling worden gebeden gepreveld.

De aankoop van een kris wordt heden ten dage nog in Indonesië met de grootste zorg omringd: slechts wanneer men daags tevoren van een kris heeft gedroomd is het verantwoord de koop af te sluiten. Men ziet dan de potentiële afnemer een formule voor zich uit prevelen bij het tussen pink en wijsvinger uitmeten van het lemmet om te weten te komen of de kris hem geluk of onheil zal brengen. Want de lengte van het lemmet bepaalt mede de eigenschappen van het wapen: een kris van normale afmeting heeft een lemmet-Iengte van vier maal de handmaat, t.w. de vier vingers van de hand, de duim uitgezonderd. Het bezit van zo’n kris maakt de eigenaar dapper en onaantastbaar; hij dient bij voorkeur gedragen te worden indien men zich naar een vergadering begeeft.

Een kris kan op afstand doden
Is de kris bijv. twee vingers langer dan de voorgeschreven maat, dan zal de eigenaar stellig scherpzinnig worden en wijs en geëerd door zijn familie tot in lengte van dagen: deze kris dient men te dragen wanneer men een misdadiger wil oppakken; dit zal dan zeker lukken.

Om de kracht van de kris nog te vergroten Iegt de Madoerees het lemmet enige dagen in de hersenen of ingewanden van schorpioenen en slangen. In de vorstenlanden op Java gebeurt iets dergelijks daar wordt het lemmet met de hersenen of de ingewanden van een slang in aanraking gebracht.

Een machtige kris bevindt zich in de schede en dient altijd naar boven of naar beneden te wijzen; gebeurt dit niet dan zullen kwade invloeden ziekte en dood veroorzaken bij de persoon in wiens richting de kris wijst. Ook heerst de mening dat vele krissen op afstand kunnen doden. Het verhaal, beschreven door G.B. GARDNER in zijn Keris and Other Weapons, werd hem verteld door de prehistoricus Dr P. V. VAN STEIN CALLENFELS en betrof een Radja die in opstand kwam tegen het Nederlands gezag en met enkele volgelingen optrok tegen een Nederlands regiment. Op een gegeven ogenblik trok hij plechtig zijn heilige kris Madjapahit en wees deze in de richting van de aanstormende tegenstanders in de zekerheid dat dit gebaar het gehele regiment zou vernietigen.

Ook zijn er die geloven dat een man kan worden gedood wanneer zijn voetstappen met een speciaal type kris worden doorstoken. Weer anderen menen dat een bepaalde kris vuur aantrekt: het gebeurde dat een huis vlam vatte ergens in Maleisië; de buurman trok een kris uit de schede en hield de punt gericht tussen het brandende perceel en zijn eigen huis. Hij beweerde dat ofschoon de vonken overal in het rond spatten, zijn huis van de vuurzee werd gered door de kracht van de kris die het vuur naar zich toe had getrokken.

Aan het onderhoud van de kris wordt uiteraard de grootste zorg besteed. Eens per jaar worden aan de Javaanse hoven de wapenerfstukken, de zogenaamde poesakas, gereinigd, waarbij offers worden gebracht aan de geesten, de dëmits en de déwas, of aan hun plaatsvervangers, de dajangs, die beschouwd worden als de beschermers van wapenen.

In het vorstenverblijf, de kraton, treedt de empoe als priester op. Wierook wordt gebrand, gebeden worden gezegd en wanneer bezielde wapenen van hun katoenen of zijden overtrekken zijn ontdaan, brengen de vorsten een eerbiedige groet.

De poesaka bIijft verbonden met de onzienlijk wereld.

Deze poesakas worden van geslacht op geslacht bewaard en blijven immer verbonden met de oorspronkelijke eigenaar en de kracht van de onzienlijke wereld.

Deze karamat deze kracht uit een hogere wereld, werkt ook door in de nakomelingen van de eigenaar; zij die de reiniging van de poesakas verwaarlozen, scheiden zich af van een bron van bovennatuurlijke kracht.

Tijdens de reiniging mogen de lemmeten niet met de hand worden aangeraakt. Met een op een bamboestokje gestoken stukje citroen worden zij zorgvuldig ingesmeerd en daarna met rattenkruid behandeld totdat een donkere glans is verkregen. Na een oliebad worden de lemmeten tenslotte met een zachte bamboevezel afgedroogd. De gebruikte olie wordt eveneens als poesaka in een bokaal bewaard.

De kris heeft een tweeledige functie: hij fungeert als steekwapen en wordt ook gebruikt als sierwapen.

De functie van steekwapen overheerste in vroegere tijden. Aanvankelijk was het dragen van de kris aan de vorst voorbehouden. Pas na de val van het rijk van Madjapahit tegen het eind van de vijftiende eeuw, toen de Javaanse handwerkslieden zich over Oost-Java en de naburige eilanden hadden verspreid, werd het dragen van de kris algemeen. Vanaf die tijd vertoonde geen Javaan zich meer in het openbaar zonder één, soms twee of zelfs meer krissen aan zijn zijde waarbij dan de belangrijkste krissen, nl. die welke hij bij zijn huwelijk ten geschenke had gekregen en de erfstukken, aan zijn linkerzijde werden gedragen. Een herinnering aan dit oude gebruik vinden wij bij de Makassaren, die de kris aan de zijde dragen, in tegenstelling tot het gebruik bij Javanen en Balinezen, die de kris achter op de rug dragen en wel zo, dat de greep boven de rechterschouder uitsteekt. Het was ook de tijd dat executies met de kris werden uitgevoerd: op Bali werd bijv. diefstal met de doorsteek van de rechte kris gestraft. Zo ook in Perak, Maleisië, waar, de kris voor het uitvoeren van vonnissen bij de sultan berustte: deze kris, voorzien van een recht en smal lemmet in een zuiver gouden schede, zond hij vóór de uitvoering van het vonnis aan de beulsknecht toe. Als afgebeeld op de prent speelt de krissenboom bij de executie van hellestraffen een belangrijke rol. Zij die na een uitputtende tocht door de hellewoestijn rust zoeken in de schaduw van een boom, worden met krissen doorstoken, die als rijpe appelen uit de boom vallen.

De historie van Indonesië is een aaneenschakeling van strijdtonelen, die immer met de kris worden beslecht. Werd de Madoerese rebel TAROENA DJAJA niet door de Soenan van Mataram, AMANGKOERAT eigenhandig met de kris doorstoken, omdat deze, naar hij zei, ,tersluyk een kris had doen kopen en onder sijn hooft kussen verborgen om nae des Sousouhounangs leven opnieuw te staen.. .‘? (2 januari 1680). Nog heden ten dage wordt de kris gebruikt voor het beslechten van onderlinge ruzies.

Wanneer de kris minder populair werd als steekwapen, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld zal de introductie van efficiëntere wapenen om een tegenstander buiten gevecht te stellen, een belangrijke rol hebben gespeeld. Wat bleef was het status-symbool, het pronk en sierwapen. En méér dan dat alleen: want de kris is door de eeuwen heen ook het symbool van mannelijkheid geweest en gebleven. Zo eist de oud-Javaanse adat dat elke vader zijn zoon ter gelegenheid van zijn meerderjarigheid een kris ten geschenke geeft. Deze schenking die beschouwd wordt als een meerderjarigheidsritueel, vindt nog steeds plaats op 15- of 16-jarige leeftijd, het tijdstip waarop de besnijdenis wordt verricht. Ook bij het huwelijksceremonieel speelt de kris een voorname rol. Bij de Boeginezen, Makassaren en Bimanezen is het de gewoonte dat de echtgenoot na de inzegening van het huwelijk voor enkele dagen naar zijn ouderlijk huis terugkeert met achterlating van de kris bij zijn jonge vrouw. Zij wordt dan geacht dezelfde conventionele afkeer jegens de kris te tonen als ware deze de echtgenoot zelve.

Op Java komt het wel eens voor dat de kris de echtgenoot bij de huwelijksplechtigheid vervangt, vergelijkbaar met het westerse verschijnsel, met de handschoen huwen. Dit huwen met de kris komt slechts voor in het geval dat de echtgenoot beneden zijn stand trouwt en deze reeds een of meer huwelijken achter de rug heeft.

Occulte kracht.  
Uit deze voorbeelden moge men terecht concluderen dat de kris niet alleen een symbool van viriliteit is maar bovendien een schakel vormt in de keten van generaties, want elke generatie binnen een bepaalde groep ontvangt zijn kris uit handen van zijn directe voorganger.

Nu kan men zich afvragen of het voortdurende contact tussen empoe en de onzienlijke wereld tijdens het fabricageproces van de kris doorwerkt in de drager of zijn nakomelingen. Men kan zich ook afvragen of de magie van de kris in het Indonesië van vandaag wordt onderkend als een verschijnsel waarmede rekening gehouden dient te worden. Zeker is dat er zich in Indonesië voortdurend onverklaarbare verschijnselen rondom de kris voordoen, waar de wetenschap geen verklaring voor heeft.

Het volgende moge dit illustreren:  
Plaats van handeling: Djokja. Tijdstip 1954. De gebeurtenis speelde zich af in het Institute of English languages (Balai Bahasan Inggris), waar zegsman, de heer S. toen directeur was. Aan dit instituut was een internaat voor meisjes verbonden.

Op een gegeven dag werd een van de meisjes studenten ziek, hetgeen zich aanvankelijk niet ernstig liet aanzien. Na enkele dagen deed zich het merkwaardige verschijnsel voor dat het meisje een zware mannenstem kreeg en vloeiend chinees begon te spreken, een taal die zij nooit had gesproken en waarvan zij de karakters niet kende.

Ten einde raad werd een ingewijde (doekoen) geraadpleegd, die tot de conclusie kwam dat het meisje in de letterlijke zin van het woord, bezeten was door een overleden Chinese jongeman, die ten tijde van zijn overlijden hevig verliefd was en nu bij voortduring knappe jonge meisjes op deze wijze bleef lastig vallen. De vraag was nu hoe deze opdringerige geest uit te drijven zonder schade aan de zieke toe te brengen.

De doekoen wist raad, maar eerst diende een slamatan met het gebruikelijke ritueel te worden aangericht. Vervolgens stapte de doekoen, vergezeld van de heer S. en vier belangstellende Amerikaanse leraren van het instituut, de ziekenkamer binnen. In zijn hand hield hij een kris waarvan het lemmet in de schede rustte. Toen de doekoen onder het prevelen van gebeden de kris uit de schede trok begon deze plotseling hevig in de hand te schokken. Na enige ogenblikken kwam het wapen tot rust, de doekoen staarde naar een bepaald punt in de kamer en wierp toen met volle kracht de kris in die richting. Wat men verwachtte gebeurde geenszins: geen geluid van staal op steen, maar de doffe dreun van een voorwerp dat met een lichaam in contact komt. Tegelijkertijd klonk er een gekreun uit de hoek van de kamer en tot stomme verbazing van de aanwezigen sloeg de kris terug naar het midden van de kamer en bleef gedurende twintig minuten recht op de punt staan... Toen kletterde hij op de grond. Onmiddellijk daarna opende het meisje de ogen en scheen uit een lange droom te zijn ontwaakt. Ze voelde; zich geheel verfrist en kerngezond en vroeg de verbijsterde aanwezigen wat er gebeurd was. De doekoen zei haar dat hij de geest, die zich van het meisje meester had gemaakt en zich, toen hij de kamer binnentrad, in de hoek van de kamer bevond, door de magische kracht van de heilige kris dodelijk had getroffen. Kreunend was deze toen in het midden van de kamer neergestort. Na twintig minuten was hij verdwenen en voorgoed uitgebannen. Een half uur later trad het meisje de collegezaal binnen alsof er niets gebeurd was.

Op het ogenblik is zij lerares Engels aan een middelbare school te Djakarta...

In 1925 reisde de jonge T. D. S. A. AMENT, nu woonachtig te Santpoort, van Indonesië naar Holland. Van zijn vader kreeg hij een prachtig krisje van 25 cm lengte mee, in gouden schede gevat met hardhouten bewerkt heft, een juweeltje van wapensmeedkunst.

Het krisje had vader AMENT, als controleur van het Binnenlands Bestuur, ten geschenke gekregen van de oud-regent van Garoet, en hij ried zijn zoon aan het sierlijke wapen als brief-opener te gebruiken, dan had het tenminste een nuttige functie.

In 1936 was AMENT JR. werkzaam op de theeonderneming Sukawana, vlak boven Bandung, gelegen op de helling van de Burangrang en de Tankuban Prahoe. Na een verblijf van tien maanden op deze onderneming kreeg AMENT hevige hoofdpijnen, gepaard met een ernstige mate van geheugenverlies. Zo erg zelfs dat de administrateur van de onderneming erover dacht hem van zijn functie te ontheffen.

Toen geen arts in staat bleek hem van zijn kwaal te genezen, wendde AMENT zich tot een bekende magnetiseur, de Nederlander VAN DER STROOM, woonachtig op het Merdika Lio in Bandung. Bij de behandeling deed zich het merkwaardige geval voor dat de magnetiseur geen, contact kreeg met zijn patiënt, maar voortdurend voor zijn geest iets puntigs, scherps en golvends waarnam. AMENT vertelde toen van de kleine golvende kris, die hij als briefopener placht te gebruiken. VAN DER STROOM meende de oplossing van het raadsel te moeten zoeken in dit wapen, dat wraak nam op zijn eigenaar voor het gebrek aan eerbied jegens de kris betoond. Het zou dus best een wraakoefening van de kris-geest kunnen zijn en daarom suggereerde de heer VAN DER STROOM het wapen volgens het gebruikelijke ritueel te reinigen, het alle traditionele eerbewijzen te verlenen; aldus geschiedde.

De gereinigde kris werd in een kistje gelegd omgeven door Indische bloemen als offeranden en wierook werd gebrand. Bij een volgend bezoek plaatsten de heren zich aan weerszijden van de tafel waarop het kistje met de kris zich nog steeds bevond. Na een kwartier bewegingloos zitten bewoog zich plotseling de rechterhand van de heer AMENT geheel buiten zijn wil om naar de kris toe. De hand lichtte het brede bovenstuk van de gouden schede, tussen duim en pink, uit zijn ligplaats en de kris bleef in horizontale stand in de hand staan: enige ogenblikken bleef het wapen onbeweeglijk in de lucht hangen. Toen begon het een wonderlijke reis rondom het hoofd van de heer AMENT, tot driemaal toe, waarna de kris zich weer langzaam in zijn ligplaats neervleide. Bij het volgend bezoek herhaalde zich dit wonderlijk gebeuren, en ook bij het derde bezoek bewoog de kris zich weer in horizontale stand drie maal rond het hoofd, en bij elk van deze bezoeken werd de druk in het hoofd minder en zakte de hoofdpijn iets weg. Na het laatste bezoek kreeg de magnetiseur plotseling, contact met zijn patiënt en binnen drie weken was deze geheel genezen. Dat een kris ooit beledigd kon zijn door het gebrek aan eerbewijzen waar hij meende recht op te hebben, was AMENT toen voor de eerste maal duidelijk geworden. Lang heeft hij het wapen niet meer in bezit willen hebben: een oude Soendanese bediende had grote belangstelling voor de kris en AMENT was maar al te blij dat hij dit mysterieuze wapen in goede handen kon overdragen...

Kris accumulator van gedachtenkrachten Hoe zijn deze fonemen nu te verklaren? Men neemt algemeen aan dat materie vatbaar is voor invloeden, waardoor dit veranderingen ondergaat: ijzer kan bijv. magnetisme overnemen van een magneet, koper kan onder bepaalde omstandigheden ook blijvend zijn geleidbaarheid veranderen.

Indien men dus aanneemt dat niet zichtbare werkingen de materie kunnen beVnvloeden, is het niet onaannemelijk te stellen dat de magie, waarbij o.a. gedachtenkracht wordt gebruikt en ook wel astrale krachten worden gewekt, op deze wijze invloed op de materie kan uitoefenen. Denkbaar is ook dat een geringe wijziging in de atomaire of moleculaire structuur tot stand zou worden gebracht, of de rang-schikking daarvan minder willekeurig wordt. Voortredenerend kan men stellen dat een dergelijke inwerking verschillende resultaten oplevert bij verschillende materialen, en dat de vorm en de massa van invloed zal zijn voor het opname-vermogen en de wijze van weergave van de geaccumuleerde energieën.

Het magisch geladen voorwerp werkt dus als accumulator van gedachtenkrachten, die zelfstandig energie kan afgeven, naarmate meer mensen bijgedragen hebben tot de lading.

Bij een poesaka-kris hebben vele geslachten hun begrippen van eer, waarde, waardigheid en kracht in het voorwerp geprojecteerd waardoor het begrijpelijk wordt dat het voorwerp ook iets van deze krachten zal uitstralen. Een ieder, die hiervoor gevoelig is zal dan ook de invloed van een dergelijk voorwerp kunnen ondergaan, mits het milieu daartoe bijdraagt. Het verhaal gaat dat ook Prins Bernhard die magische werking van de prachtige Balinese poesaka-kris, die hij van president Soeharto ten geschenke had gekregen, heeft ondervonden: op zijn werkbezoek in de omgeving van Bandung reed hij langs een bergpad in een jeep, toen zich plotseling een aardverschuiving vlak achter hem voordeed die gepaard ging met neerstortend gesteente en openscheurende weggedeelten. Het hardnekkige gerucht gaat, dat het déze poesaka-kris is geweest, die de Prins voor een groot onheil heeft behoed.