Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie  -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

I

DE ROZENKRANS

(een waar gebeurt verhaal over moed en waardigheid)

Tekst: E.A. Muller.

Mijn moeder was nog maar net weduwe geworden. De dood van mijn vader kwam heel onverwacht. Na de ellendige periode van de oorlog en de daaropvolgende bloedige chaos van de Indonesische revolutie (Bersiap), besloot mijn moeder ons geboorteland te verlaten en naar Nederland te gaan met haar vijf kinderen. De dood van haar man gaf de doorslag. Zij moest dit plan nu alleen uitvoeren. Tijd om te rouwen werd haar niet gegund. Indië was aan het doodbloeden. Overleven betekende wegwezen. We moesten naar Nederland. De Indonesiërs maakten ons dat heel duidelijk. Wie voor Nederland koos moest hun land uit. Wij konden hun niet duidelijk maken dat ook wij, Indische mensen, van dat land hielden en ons kinderen van dat zelfde Tanah Air(vaderland) voelden. In z’n idealisme had m’n vader vlak voor z’n dood voor het Indonesisch staatsburgerschap getekend. Volgens de Nederlandse wet waren zijn vijf minderjarige kinderen automatisch geen Nederlanders meer. Dit maakte ons vertrek voor mijn moeder extra gecompliceerd. Toestemming van Nederland zowel als van de Indonesische autoriteiten was nodig om Java te verlaten. Bureaucratische pesterijen van beide kanten moest mijn moeder, een kleine, magere, door chronische migraine geplaagde vrouw, alleen overwinnen. Invloedrijke kennissen van haar man waren allen vertrokken.

Voor zover het kon nam mijn moeder mij meestal mee als wij weer, voor de zoveelste keer, naar een instantie moesten om een brief of stempel te halen. Ik was haar oudste zoon. Ik was 15.

Deze keer hadden wij vanaf halfzeven in de ochtend voor het hek van het politiebureau op het voormalig Koningsplein, in de rij gestaan. De “koperen ploert” aan de tropenhemel begon aardig te steken. Een oude man viel flauw en werd met het flesje 4711 Eau de Cologne van mijn moeder bijgebracht. Om drie uur in de middag liepen wij samen door een donkere gang in een snikheet gebouw op zoek naar een deur met opschrift “commandant”. Op de deur was een roodwitte vlag gespijkerd. Voor de deur stond een Indonesische soldaat met lang haar en een Japans geweer met daarop een roestige bajonet. Geweer en bajonet staken een meter boven de vent uit. Een paar bloeddoorlopen ogen met daaronder een vieze bek vol slechte tanden, staarden ons vol haat aan. Met gebogen hoofd liepen we naar de deur. Hij versperde ons de weg door z’n geweerkolf tegen mijn gezicht te duwen. Ik weet nu nog hoe die geweerkolf stonk naar zweet en stront. Hij wees naar een bank langs de muur en snauwde: “Doedoek. Toenggoeh!”(zitten. Wachten).

Na een eindeloos lange tijd ging de deur open. De soldaat wenkte en uit de vieze bek klonk weer een snauw: “Masoek. Toetoep moeloet!(Naar binnen. Mond houden). De man achter het enorme bureau zag eruit als een carnaval figuur. Z’n uniform was een samenraapsel van een Japans-Engels-Knil- en politie uniform. Hij droeg een roodwitte sjerp schuin over borst en buik. Aan het gerafelde witte gedeelte was te zien dat daar het blauwe deel was afgescheurd. Er lag een groot zwartglimmend pistool naast z’n vuist waarin een grote stinkende sigaar was geklemd.

Wij stonden voor z’n bureau. De houten stoel die hij, met in Japanse laarzen gestoken voeten, naar m’n moeder schopte, weigerde zij. Ze bleef kaarsrecht staan en keek de man voor haar recht in de ogen. Ze zocht mijn hand. Ik greep de hare. En zo stonden wij beiden voor die militair. Hij sprak: “Belanda! Sekarang negeri ini Indonesia. Belanda keluar semoea. Maoe apa disini!” (Hollanders! Dit land is nu Indonesië. Alle Nederlanders er uit. Wat willen jullie hier nog). Hij veegde met een zwaai van z’n arm het stuk dat m’n moeder op z’n bureau had gelegd, van tafel.

Het viel op de grond voor onze voeten. Ik voelde haar hand beven, maar toen ze sprak klonk er geen spoor van angst in haar stem. Kalm klonk haar stem in die kamer.

Ze sprak de militair aan in vloeiend Soendanees!

Ik kon het toen niet verstaan, maar haar woorden hadden een verbazingwekkend effect!

De man sprong zo heftig vanachter z’n bureau vandaan, dat z’n stoel omviel. Hij gooide z’n pet op het pistool en liep op ons toe. Hij bukte zich en raapte het stuk van de vloer. Z’n sigaar viel op de grond. Hij negeerde die, liep met het stuk naar z’n bureau en met een dreunende klap mepte hij er een stempel op. Hij vouwde het dicht en reikte het aan m’n moeder. Zij bleef roerloos staan en bleef hem strak aankijken. Ik zag de reden van haar houding. De officier had het stuk aangereikt met de linkerhand! De “tangan kotor”(de vieze hand volgens de Indonesiërs).

Plotseling sprak hij Nederlands: ”Neem me niet kwalijk mevrouw”.

Hij nam het stuk in beide handen en met een lichte buiging zei hij: “Alstublieft mevrouw”. Hij schreeuwde iets in het Indonesisch in de richting van de deur. De vieze bek met het lange geweer kwam binnen en hield met z'’n voet de deur open. De officier begeleidde ons naar de deur en de gang in. In de gang keerde hij zich naar m’n moeder en fluisterde in het Nederlands: “Andere tijden mevrouw. Vergeef alstublieft. God zij met u en met uw kinderen. Selamat djalan djoeragan”(Goede reis. Djoeragan= respectvolle aanspreektitel voor personen in Soendanees )

Snel liepen wij het gebouw uit. Ik hield nog steeds haar hand vast en voelde iets van een kettinkje in haar hand.

In de becak barste ze in tranen uit. “Kijk”, zei ze, “dit gaf mij kracht”.

Ze opende haar hand en ik zag de parelmoer rozenkrans van mijn overleden vader!

 

-------------