Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie  -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

'GEDEKKEN'

door C.P.(Kees) de Keijzer

Januari 2004

 

 

NEDERLANDS INDIË. – MIDDEN JAVA AMBARAWA, - 1942/45 - KAMP 6

Onderstaande gebeurtenis in mijn leven weet ik niet goed meer te plaatsen in de tijd. Speelden ze zich af in 1943 of was het toen al 1944? Naarmate de maanden zich aaneenregen verloor ik in het kamp namelijk alle begrip van tijd. Deze voorvallen vonden in ieder geval plaats in Ambarawa, in Kamp 6, ergens in voornoemd tijdsbestek. Ik was toen elf, twaalf jaar oud.

De totale hoeveelheid voedsel die officieel de poort binnenkwam moest met steeds meer nieuwkomers worden gedeeld. Daardoor werden de porties per persoon gestadig kleiner, maar ook de kwaliteit ging zienderogen achteruit. Het begin van een knagende honger deed bij iedere kampbewoner de gedachte opkomen:

"Hoe kom ik aan een extra hapje eten?".  

Om paal en perk te stellen aan de ruilhandel met de inheemse bevolking aan het prikkeldraad (kawat) had de Japanse commandant al schermen van gevlochten bamboe (gedek) laten aanbrengen tegen de afrastering. Konden wij aanvankelijk nog door de omheining naar buiten kijken, na april 1943 was dat niet meer mogelijk

Nu liep langs de Westkant van Kamp 6 de verbindingsweg van Ambarawa naar Banjoe­Biroe. Langs deze weg stonden toen nog bomen. Tussen deze bomen en het prikkeldraad liep een ondiepe open sloot (slokan).

Aan de binnenkant van de kawat en parallel hieraan stond de lange ziekenbarak. Iets verderop en haaks op het prikkeldraad (bij de watertoren) stond de korte zieken barak. Deze gebouwen waren verbonden door een emper, bestaande uit een overloop van ijzeren palen met golfplaatbedekking. Ik had ontdekt dat als je in zo'n paal klom je, zonder gezien te worden vanaf het wachtlokaal en de hoektoren, net over het gedek kon kijken.

Na enige observatie wist ik op welke dag het marktdag was in het centrum van Ambarawa. Heel vroeg kwamen er dan al kooplieden langs op weg naar de pasar, om tegen twaalven terug te keren naar de kampong.  

Ik vroeg mijn moeder om wat geld en kreeg van haar enige vooroorlogse bankbiljetten van de Javasche Bank. Hiermee posteerde ik mij boven in een paal en wachtte geduldig tot er een verkoper van etenswaar zou langskomen.  Toen er een aankwam riep ik zachtjes: "Pak, pak" en zwaaide met mijn geldbriefje. De man begreep onmiddellijk de bedoeling en zette zijn pikolan (draagstok) bij een boom. Snel vouwde hij een pisang blad open, legde daar allerlei etenswaar op, zoals getoh, kwee talem, pisang goreng en wat dies meer zij en sloot het blad met een bamboeprikker.

Vanachter de boom keek hij vlug links en rechts of de kust veilig was, verborg de boengkoesan onder zijn slendang, dook de slokan in en simuleerde dat hij daar een sanitaire stop ging maken.

Nu had ik op de dag daarvoor, onder het gedek door, al een sleuf gegraven richting slokan. Die kwam nu goed van pas. Snel wisselden de man en ik het geld en de etenswaar, 'waarbij ik hem in mijn beste Pasarmaleis (markttaal) toefluisterde: "Volgende week, zelfde dag, zelfde tijd".

Met de buit onder mijn blouse sloop ik ongezien naar het plekje waar ons gezin huisde, namelijk aan de kop van Barak 1, bij de Poort Daar deden wij ons tegoed aan de helft van de verworven lekkernijen De andere helft verkocht ik aan betrouwbare adresjes in het kamp, zodanig dat ik weer evenveel geld had als toen ik begon.

Dit spel heb ik wekenlang volgehouden zonder ooit gesnapt te worden.

Op een dag echter werd ik bleek van schrik. Vanaf onze woonpiek zag ik op een goede morgen namelijk "mijn" verkoper bij het wachtlokaal zitten, naast zijn pikolan. Ik dacht:

"Nu zijn de poppen aan het dansen”.

 De man is in zijn nekvel gepakt. Dadelijk laat de Jap. kampcommandant alle jongens van mijn leeftijd aantreden en moet mijn verkoper de sinjo (jongen)aanwijzen met wie hij zaken heeft gedaan".Zonder ook maar iets tegen anderen te zeggen slipte ik weg en verstopte mij in de verste hoek van het kamp, daar waar vroeger de  sierpalmen met wevervogelnesten stonden. Ik merkte evenwel niets van een zoekactie. Na enkele uren nam ik dan ook voorzichtig poolshoogte.

Tot mijn grote opluchting bleek het volgende: De Jap was die dag afwezig. De inheemse wacht had wel zin in een hapje. Men had de verkoper van de straat naar het wachtlokaal geroepen en hem verzocht op een anglo (soort barbecue) warme rijst en hete sambalans klaar te maken.

Uiteraard slaakte ik een zucht van verlichting en zette de smokkeltruc nog een tijdje voort, totdat, totdat ik ernstig ziek werd. De vrouwelijke dokter Walch (mevrouw G.B. Walch-Sorgdrager),  constateerde bacillaire dysenterie. Hoge koorts, water noch eten bleven binnen. Ik droogde in snel tempo uit.

Op de derde dag liet zij mij overbrengen naar de korte zieken barak. De toestand werd kritiek. Ik zou de volgende dag niet meer halen, schatte zij. Maar ja, bij gebrek aan medicijnen kon zij als arts ook niets meer doen.

Of toch..... ? Of toch....... ? 

Aan de avond van die derde dag liet zij water koken en weer afkoelen tot lichaamstemperatuur Ondertussen plaatste zij in elk van mijn dijbenen een grote injectienaald, loste wat zout op in dat steriele water en begon deze zoutsolutie met een grote injectiespuit geleidelijk aan in mijn aderen te pompen. Voor mij een marteling, voor haar een laatste noodgreep. Urenlang was zij hiermee bezig. Ik zweefde tussen leven en dood. Tegen het ochtendgloren echter had zij het pleit gewonnen. De koorts week en langzaamaan kon ik weer drinken zonder dat het water terugkwam. Met wat extra voeding knapte ik de dagen daarna redelijk snel op en mocht ik terug naar de woonbarak.

Achteraf vernam ik dat zij deze methode het eerst op mij heeft toegepast en dat zij daarna op dezelfde wijze verschillende andere kinderen het leven heeft gered.

Nu nog, iedere keer als in Nederland de jaarlijkse lintjesregen neerdaalt, denk ik bij mijzelf: "Zou die kranige, tanige, frèle dokter Walch ooit een lintje hebben gekregen voor al het stille werk dat zij onder die omstandigheden heeft verricht?".

Uiteraard heb ik mij na deze gebeurtenis nooit meer gewaagd aan inheemse gerechten, klaargemaakt langs de straat. Blijkbaar was ik minder immuun tegen bepaalde bacteriën dan de inheemse bevolking.

Tot op heden ben ik de oude dokter Walch zielsdankbaar voor de inspanningen die zij zich toen en daar getroost heeft om mijn leven te redden en ik ben er zeker van dat ik in dit opzicht niet de enige ben.

C.P.(Kees) de Keijzer - Leo Gestelstr. 8 - 3443 VS WOERDEN-