Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie  -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

'De Japanner Legde zijn rijst in de 
wc en trok door'

door

MARTINE POSTMA

Na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour, 
7 december 1941,  begon de Tweede Wereldoorlog ook voor de bevolking van het toenmalige Nederlands-Indië. Connie Suverkropp (70) maakte als tienjarig meisje de binnenkomst mee van de Japanse stoottroepen op Java.

Mijn vader wist dat er iets zou gebeuren. Daarom had hij achter in de tuin een loopgraaf laten maken, waarin we konden gaan zitten als er bombardementen zouden komen. Alle kinderen kregen een ketting om haar nek met een rubbertje eraan; dat konden we tussen onze tanden kIemmen, om te voorkomen dat we van schrik onze tong zouden stukbijten. Ook raadde men ons aan om bij een bombardement een wadjan op ons hoofd te zetten - alsof dat zou helpen.

Verder ging ons leven na Pearl Harbour, tot de capitulatie van Nederlands Indië, op 8 maart, gewoon door. We hoorden dat  Singapore was gevallen, dat Borneo bezet was en dat er schepen vergingen. Maar wat je niet ziet kun je als kind niet bevatten.

Vluchten is nooit aan de orde geweest. Van de Nederlandse regering moesten we blijven, anders zouden de Indonesiërs denken dat ze aan hun lot werden overgelaten. Maar ook als we weg hadden gemogen, zouden we niet zijn gegaan. Mijn familie woonde al generaties lang op Java, waar mijn vader directeur van de elektriciteitswerken was. We waren verbonden met het land en het volk.

Op de avond van de capitulatie kwamen de stoottroepen onze straat in Bandoeng binnen. Ik herinner me nog dat het kleine mensen waren, kleiner dan de Indonesiërs.

Vijf mannen liepen ons huis binnen. Ze keken overal rond, schreeuwden wat en namen dingen mee die ze leuk vonden, zoals de vulpotloden van mijn vader.

Toen zag een van hen de piano, waarop een muziekboek stond. Hij riep de anderen erbij en ze begonnen enorm te schreeuwen. Die stoottroepen, die bestonden niet uit elite; waarschijnlijk waren deze mannen nog nooit buiten Japan geweest. Misschien dachten ze wel dat het geheimschrift was. Om hen te kalmeren,zocht mijn vader in het boek een eenvoudig liedje op, dat we om de beurt speelden; hijzelf, mijn moeder; mijn twee oudere broers en ik. Dat werkte.

Daarna ontdekten ze onze wc.  Blijkbaar hadden ze ook zoiets nog nooit gezien en dachten dat het een soort wasbak was. Een van de mannen deed zijn rantsoen rijst erin en trok door. Toen de rijst weg bleek te zijn, werd er weer enorm geschreeuwd. Mijn vader heeft de Japanner toen een dubbele portie uit onze eigen rijstvoorraad gegeven. Uiteindelijk vertrokken ze naar het volgend huis. De dagen daarop zijn we zo weinig mogelijk op straat geweest. Er was geen school meer en we hadden geen zin om voor de Jap te buigen - je moest namelijk buigen als je een Japanner tegenkwam.

In juni is mijn vader midden in de nacht opgehaald door de Kemptai, de Japanse Gestapo. Hij heeft zijn jongste dochtertje, dat in april was geboren, maar 40 dagen meegemaakt. Twee jaar later, in april 1944, is ook mijn moeder met haar 5 kinderen opgepakt.  Mijn broers kwamen in  een mannenkamp, mijn zusjes en ik in een vrouwenkamp en mijn moeder zelf in een ziekenhuiskamp, omdat ze tuberculose had. Ze is in september '45 overleden.

Mijn broers heb ik na de oorlog terug gezien. Bij het Rode Kruis hoorden we dat ook onze grootouders in een kamp waren gestorven; mijn vader was overleden bij de Birma-spoorweg. We zijn met ons vijven naar Nederland gegaan. Ik heb 3 jaar in een weeshuis gewoond, voordat ik met mijn zusjes terecht kon bij onze voogd in Rotterdam.

I

FEBRUARI 2003.

Met toestemming overgenomen uit het Historisch Nieuwsblad