Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

 

Veertig ´ Dertig ´ Vijftien
                                                     
van
Justine Swaving

 

 

 

Op de dekenkist in mijn zitkamer staat een klein satijnhouten koffertje van veertig breed, dertig diep en vijftien hoog. Het is een zogenaamde schrijfcassette.

Een schrijfdoos zou je ‘t kunnen noemen. In de 19e eeuw was ‘t een doodgewoon gebruiksvoorwerp. Iedereen die geregeld brieven schreef, had zo’n schrijfcassette bij zich. Het is de kostbaarste tastbare herinnering die ik heb aan vroeger. Waarom? Dat ligt besloten in het verhaal dat bij de doos hoort.

De cassette stond bij ons thuis altijd op de boekenkast en ik kan me die kast niet voor de geest halen zonder dat ding er bovenop. Of we nu in Bandoeng woonden, in Batavia of in Malang. Ik was zo gefascineerd door dat ding, dat mijn moeder me beloofde dat ik de doos "later" mocht hebben. Als ik groot was.

Intussen had ik toestemming om ‘t te bekijken, als ik ‘t maar voorzichtig deed. Klapte je de doos open dan vormden de twee helften een hellend schrijfvlak, mooi bekleed met groen laken. Bovenaan was een pennenbakje voor schrijfgerei, met links en rechts twee snoezige inktpotjes met zilveren schroefdopjes, zodat de inkt er bij vervoer nooit uit kon vloeien. In de bovenste helft onder het schrijfvlak zaten vakjes voor briefpapier, enveloppes en postzegels. In de onderste helft kon je dierbare brieven bewaren. Liefdesbrieven bijvoorbeeld en een dagboek. Daarom ook was de doos af te sluiten met een slotje. De sleutel aan een bijna verteerd blauw lint, lag in één van de postzegelvakjes.

De cassette kwam uit de familie. Welke? De Hollandse? Of de Indische familie van mijn vader? Ik zal het nooit te weten komen want mijn moeder heeft het me nooit verteld en ze leeft niet meer. Ik bekeek de inhoud van de doos dikwijls en droomde er bij weg. Ik was een romantische bakvis zoals je vroeger een tienermeisje noemde. In het pennenbakje lagen wat ouderwetse pennen en een ivoren briefopener en zelfs nog een versleten ganzenveer. Het pennenmesje om de veer mee bij te snijden lag er ook nog bij. Ik vond een staaf zegellak en een paar oeroude stempels. Van wie? Verder lagen in de onderste ruimte- heel opwindend - de knopen en de sterren van een officiersuniform. En dan, een paarlemoeren doosje met visitekaartjes. Allemaal vreemde namen erop! En ach, het balboekje van mijn moeder. Zo te zien had ze alleen met mijn vader gedanst. De polka, de wals, een galop en de polonaise. Mamma lachte en vertelde dat ze de rest van het bal met mijn vader achter de palmen had gezeten. Ik ontdekte ook nog een geheim vakje met de vergeelde foto van een beeldschoon Indisch meisje met lang loshangend haar. Wie was zij? Een oude vlam van mijn Indische opa? Of van diens vader - de planter - die zo trouw aan zijn moeder in Holland schreef. Of was het mooie meisje het Indische dametje waar mijn overgrootvader tenslotte mee getrouwd was?

En dan- de cassette kon ook nog van mijn Hollandse oma geweest zijn, van wie verteld werd dat ze in één avond de zooltjes van haar dansschoentjes stuk danste en tien huwelijksaanzoeken afsloeg. Waren de visitekaartjes van die aanbidders? Zo bleef ik maar romantiseren. Intussen reisde de doos met ons mee, ook toen we in het Jappenkamp terecht kwamen. Ik deed er mijn dagboekblaadjes in zodat de zusjes niet in mijn intiemste gedachten konden snuffelen. Na een maand of wat kregen we bericht dat we op transport moesten. Vreselijk! Alles en alles waar we aan gehecht waren moesten we achterlaten. Zowat de hele inboedel van ons huis. Matrassen en hutkoffers met ‘t allernodigste mochten we een dag tevoren voor aan de straat zetten. Bappa Nippon zou er goed voor zorgen. Ja-ja dachten we en naaiden uit onze overgordijnen rugzakken en per persoon twee zijzakken zodat we met z’n vijven nog aardig wat konden redden. Ik in paniek, want voor de schrijfcassette was geen plaats in de ons - door de Jap - toegemeten kofferruimte.

"Wat moet je met dat ding?"vroeg mijn moeder. Mijn zusjes lachten me uit en verklaarden me voor knettergek. Ik liet ze bazelen en naaide een stevige hoes van gordijnstof, die precies om de cassette paste - met twee dubbeldoorgestikte draagbanden en aan de zijkanten twee zijvakken. Als je dat zelf maar sjouwt zei Mamma. En zo gingen we dan op transport. Eerst mannetje aan mannetje op vrachtwagens naar het station. Iedereen kwaad omdat mijn doos hinderlijk was. Het ding was loodzwaar want ik had er - met veel passen en meten - mijn lievelingsboeken in gestopt. De hitte was ondragelijk, vooral in de geblindeerde treinwagon waar we langer dan een etmaal in opgepropt zaten. Op weg naar het onbekende. Het kon Tokio zijn, maar even zo goed de bodem van de zee. Nippon had ons maar wat graag in de oceaan gekieperd. Ze vonden Hollandse vrouwen brutaal en lastig.

Ik hield de doos op schoot. Legde er soms mijn hoofd op om een dutje te doen, of ik gebruikte hem als voetenbankje. "Wat zit erin?" vroeg iemand naast mij in het donker. Ik biechtte op: Gosta Berling van Selma Lagerlöf, mijn schoolbijbeltje, de Liederen van het kind van Rabindranath Tagore, de roman Anna Karenina van Tolstoi en twee bundeltjes met Franse gedichten. Buiten op de hoes in de zijkvakken "A midsummernightsdream" van Shakespeare en twee geschiedenisboeken. Een bizarre keus voor een vrolijk meisje van zeventien jaar. Maar een paar maanden oorlog had jonge meisjes onwezenlijk ernstig en vroeg wijs gemaakt.

Ik was blij met mijn boeken, elke kilometer van deze lange dodenreis.

We kwamen tenslotte in het kamp Lampersari in Semarang. Weer uren -met volle bepakking - rechtop staan. In de volle tropenzon. Geschreeuw van Kiré en Noré, maar mijn koffertje hield ik stevig vast. We vonden onze matrassen en koffers op straat. Alles door elkaar en sommige koffers waren door het ruwe smijten opengesprongen.. De inhoud lag overal verspreid in het stof.

In de kamptijd die volgde lazen en herlazen we de boeken. Droegen de gedichten voor tot we ze uit het hoofd kenden. Mijn moeder gebruikte intussen het in ‘t Frans geschreven Anna Karenina om ons te oefenen in de Franse taal.

De Midsummernightsdream lazen we elkaar voor als we ziek lagen achter de bilikwand van het kleine voorkamertje waar we met 7 mensen in moesten leven. Door de boeken vergaten we vaak de tijd en de benauwde ruimte waarin we zaten opgesloten. De poezie van Shakespeare bracht ons dromen en fantasieën uit verre werelden.

De bevrijding kwam en weer werd ik voor gek verklaard omdat ik de schrijfcassette niet achter wilde laten. Repatriëring! Zo heette de laatste fase van de striptease die al drie en een half jaar had geduurd. Telkens opnieuw hadden de Jappen ons in die tijd kaal geplukt. Dit keer was er dan ook niets om aan de straat te zetten. Alles zat bovendien vol wandluizen. We gaven ons beddengoed en keukengerei aan hen die nog geen oproep hadden gekregen. En weer gingen we met onze rugzakken en zijzakken op transport. Dit keer op Engelse legervrachtauto’s met een gewapende escorte van Sikhs. Als lammeren voor de slacht, maar we roken de vrijheid toen we de zee zagen. Op de rede lag een miezerig troepentransportschip. We moesten er heen in sloepen. No luggage was de order. Met een bloedend hart zette ik mijn kistje bij de grote gore troep bagage.

"If that is your treasure Miss, you‘ll get it back, I promise."zei de Sikh- militair en schudde meewarig het hoofd met snor, baard en tulband. Aan boord zagen we hoe de bagage in andere kleine bootjes werd aangevoerd. Een scheepskraan laadde het over in het diepe open ruim. Daar- ver beneden me - lag het allerlaatste wat wij landverhuizers nog aan aardse bezittingen over hadden kunnen houden. Wat zou er bij zitten? Wat verschoning, de laatste goede jurk, trouwboekjes, oude foto’s uit gelukkiger tijden en vermoedelijk dierbare sieraden. En toen ineens zag ik mijn schrijfcassette langs me heen zwaaien in het laadnet. De hoes was duidelijk herkenbaar.

Boeken! De schoonheid van het woord in een paar bijna stuk gelezen bandjes.

Ik had ze er door gesleept! Het mooiste bewijs dat de Jappen ons niet klein hadden gekregen. Wij die te min waren bevonden om muziek te maken, te lezen en te leren, wij hadden met zoiets vluchtigs als de poezie van de "Midzomernachtsdroom" de Jappen getrotseerd. Wie kon mij Shakespeare en Tagore nu nog afnemen? De dromen uit dat simpele kistje van veertig bij dertig bij vijftien hadden ons door de meest troosteloze dagen gehaald.

Ik bedacht me niet langer en deed wat mijn hart mij ingaf. Ik dook onbevreesd langs een stalen ladder het diepe ruim in om mijn cassette op te halen. Na mij durfden meer mensen de diepte in om naar hun spulletjes te zoeken. De Engelse kapitein liet ons begaan.

Ik denk uit deernis want wij waren broodmager en vuil en velen waren nog ziek ook. Het kistje is nu mijn onbetwistbaar eigendom. Het staat in mijn zitkamer en ik zal dit verhaal er in doen. Voor hen die na mij komen.

De tweede generatie en de derde. Misschien zit dan lang na mij een klein meisje net zo te dromen als ik dat eens deed. En wie weet kan ze het nog begrijpen ook, dat de dingen van de geest - dromen en fantasieën - de mens in benarde omstandigheden overeind kunnen houden. Justine Swaving