HERINNERINGEN
Zwerftocht
Op 9 maart 1942 trekken de Japanners Malang binnen tot groot
enthousiasme van veel autochtonen die met Japanse vlaggetjes zwaaiend het Keizerlijke
Leger begroeten. Wat op dat moment voor hen nog zo mooi lijkt, een zekere mate
van onafhankelijkheid van de Blanda’s slaat binnen twee jaar om: Nippon heeft
alleen maar armoede gebracht, behalve voor zijn
overtuigde aanhangers die als kippen hun korrels voer konden meepikken
waarschijnlijk.
Een week later in maart worden door het Japanse bestuur de
salarissen van méér dan honderd gulden per maand verlaagd en wordt het Europees
onderwijs verboden en stilgelegd. Omdat inmiddels ook de banken gesloten waren
en de postkantoren geen postwissels of spaartegoeden mochten uitbetalen
ontstonden al snel liquiditeitsproblemen bij Europeanen en Indo-Europeanen maar
ook bij de gewone man die afhankelijk was van zijn omzet. Naderhand konden
behoeftigen in aanmerking komen voor een uitkering van het Crisis Hulpkantoor.
Op 22 april werden in Malang de Europese ambtenaren opgetrommeld
voor een bijeenkomst met het Japanse bestuur om de toekomst te bespreken. De
bijeenkomst zal op de aloen-aloen[1]. Zij die verschijnen
worden op vrachtwagens geladen en naar Soerabaja vervoerd. Gelukkig duurde het
even voor het transport op weg ging zodat de meeste mannen nog een koffertje
met kleding en levensbehoeften kon worden aangereikt.
In mei begint dan de verplichte registratie van ‘vreemdelingen’:
dat zijn allen die niet Indonesiër of Japanner zijn. De registratie kost geld.
In ruil voor een persoonsbewijs moet een bedrag tussen de vijftig gulden
(Chinese vrouwen) en honderdvijftig gulden (Europese mannen) worden betaald.
Hierdoor raakten nog meer mensen in geldnood en konden dan hun water- of
elektriciteitsrekening niet meer betalen. Bij de registratie werden alle
Europeanen en Indo-Europeanen gekwalificeerd als Blanda Totok (echte
Nederlander) of als Blanda Indo (Indische Nederlander) waarbij niet zelden de
geboorteplaats of de huidskleur mede in aanmerking werd genomen zodat je bij
nakomelingen van dezelfde vader en moeder binnen een gezin zowel Totoks als Indo’s
kon aantreffen! Bij die registratie moest ook een eed van trouw aan de Japanse
keizer worden afgelegd!
Tegen deze achtergrond begint mijn verhaal waar ik even voor
teruggrijp naar het einde van de vorige periode in de Tanggamoesweg. Dat doe ik
omdat mijn herinneringen aan die periode enige correctie behoeven. Ik schreef
het volgende.
“Nu was het menens bij luchtalarm. Ik kan me niet herinneren dat
Malang echt werd beschoten of werd gebombardeerd maar Japanse vliegtuigen deden regelmatig
verkenningen. De oorlog was ook in Indië snel afgelopen. Op 9 maart 1942
hielden de Japanners hun intocht in Malang. Een paar dagen later werd ons huis
met alle meubels en bedden gevorderd als woonruimte voor een Japanse burger met
een hoge rang. Hij was verbonden aan het Japanse leger als econoom, had in
Amerika gestudeerd en sprak vloeiend Engels. We mochten alleen maar ons
lijfgoed en wat dekens meenemen en moesten zelf maar een nieuwe woning zien te
vinden. Die vonden we aan het Slametpark, weer naast een Chinees gezin. Heel
merkwaardig was dat de econoom ons beloofde heel goed voor het huis, meubels en
huisraad te zullen zorgen en dat we alles zouden terugkrijgen “after de war”!
In een tranenvloed van Bwapa Awi, zijn vrouw en zijn kinderen en
voor de verschrikte ogen van onze andere buren en mijn speelkameraadjes,
eindigde ons verblijf aan de Tanggamoes-weg en begon een moeilijke zwerftocht
van bijna tweeënhalf jaar”. ![]()
Dat van die tranenvloed van Bwapa Awi is correct. Maar volgens
mijn broer Frits werden we niet onmiddellijk uit ons huis gezet. Hij refereert
onder andere naar de oproep van Europese ambtenaren (22 april) en schrijft
daarover dat mijn vader de dans ontsprong omdat hij geen oproep had gehad.
Omdat inmiddels de “Inheemse scholen” weer waren geopend was hij vroeg in de
morgen, zoals hij altijd deed, op de fiets naar het station gereden en per
trein vertrokken naar Banggil, naar zijn werk als directeur van de
ambachtsschool. Hij werd bij terugkomst tot zijn grote verbazing zowel door
mijn moeder als Frits opgewacht met een koffer met spullen (je kon niet weten
of hij onderweg niet opgepakt zou worden), direct in een dokkar (wagen met
paard) geladen met mijn moeder (om hem zo goed mogelijk te camoufleren vermoed
ik) en naar huis gereden waarna Frits op de fiets van mijn vader naar huis
kwam. Naar mijn gevoel speelde deze episode zich al in het Slametpark af. Welke
herinnering is de juiste? Die van Frits of de mijne?
Een andere correctie is dat er door Japanse jachtvliegtuigen
niet werd geschoten in Malang. Dat is wel gebeurd volgens Frits die in die tijd
in zijn vrije tijd voor de LBD (Lucht-Beschermings-Dienst) werkte.
Een andere correctie op de feiten die me bij nader inzien wel
nog voor de geest staan is dat we bij de uitzetting in de Tanggamoesweg wel
lijfgoederen mochten meenemen en wat beddengoed maar geen bedden behalve één
bed voor de kleine jongen (dat was ik dus). Verder moesten we het huis na
uiterlijk twee uur verlaten. Ter controle werden twee militairen voor het huis
geposteerd. Volgens Frits konden we daardoor nog heel wat spullen over de muren
bij onze buren kwijt!
Slametpark
Wat te doen als je ineens je huis kwijt bent? Een paar dagen
logeerden we bij vrienden, kennissen en buren, daarna trokken we, volgens
Frits, eerst in een huis aan de Boeringweg en wat later verhuisden we opnieuw
en kwamen we in het huis, Huize Hermien (weer volgens Frits), aan het
Slametpark terecht. Aan de bewoning van het huis aan de Boeringweg heb ik geen
enkele herinnering, heb ook niet kunnen achterhalen hoe lang het duurde en hoe
het huis eruitzag.
Het huis aan het Slametpark was een oud huis met een grote tuin.
Wat direct je aandacht trok als kind was dat er in de tuin een enorme zuurzakboom
stond. Als een zuurzak bijna rijp was, dat zag je aan de belangstelling van
vogels, dan gingen Frits en ik letterlijk de boom in om die zuurzak te plukken
voordat die op de grond neerploffend zou openspatten. Overigens is een rijpe
zuurzak niet echt zuur. Andere vruchten groeiden er ook: een slingerplant bleek
een advocaatplant te zijn, een andere leverde laboe siem[2] vruchten die in
allerlei sajoers werden gebruikt. Maar de grootste aantrekkingskracht leverden
twee bomen bij de buren, een Chinees gezin met veel kinderen: een tjeremee- en
een blimbingboom[3].
Om daar bij te komen moest ik mijn leven wagen op een muur die aan de bovenkant
van ingemetselde opstaande glasscherven
voorzien was. Tijdens de rusttijd in de middag was het beste moment om te
ontsnappen aan het toezicht en beklom ik de muur om een paar van die zure en
vruchtjes te plukken met in de zak van mijn hansop een beetje fijngestampt
zout. De gruwelijkste buikpijnen werden je aan het eten van die, ja,
natuurlijk, gestolen, zure vruchten en dan nog in combinatie met zout in het
vooruitzicht gesteld. Ik heb er nooit iets van gemerkt, net zo min als ik
problemen kreeg van in mijn buik groeiende planten of zelfs bomen die je
beloofd werden als je een pit van een vrucht inslikte! Ach onze ouders deden zo
hun best ons te vrijwaren van allerlei gevaren!
Het huis zelf was ruim en was voorzien van alle gemakken,
compleet met goedangs[4], badkamer, WC’s en een
mandieplaats, een ommuurde vrij ruime badkamer zonder dak, achter de open
galerij waar de goedangs en nog een ‘bedienden kamer’ aan lagen. Die
mandieplaats en kamer waren voor het inwonende personeel bedoeld: het was ‘not
done’ je daar te vertonen (het huispersoneel had ook recht op privacy) al was er niet echt een verbod dat
te doen. Maar van avontuurlijke jongetjes werd veel getolereerd en
geaccepteerd.
Wonend in het huis aan het Slametpark leek er in eerste
instantie weinig te veranderen aan ons leven: de scholen werkten door, mijn
vader ging nog elke dag naar zijn werk, er was nog van alles te koop. De boycot
van de Europeanen nam wel steeds ernstiger vormen aan. De heropening van de
inheemse scholen betekende niet dat ook de Europese scholen heropend werden.
Door de sluiting van banken en postkantoren dreigde armoede. Ook wij kwamen daar
niet onderuit en lieten bij voorbeeld de watervoorziening afsluiten. We hadden
op het achtererf bij de mandieplaats wel een put met pomp en konden daar baden.
Maar voor consumptie moest nu dus het pompwater gekookt worden. Elektriciteit
bleven we nodig hebben omdat we elektrisch kookten. Heb uit de
geschiedschrijving begrepen dat de uitvoerende ambtenaren van het
waterleidingsbedrijf en van de ANIEM (Algemene Nederlandsch-Indische
Elektriciteits Maatschappij) niet moeilijk deden over onbetaalde rekeningen in
die tijd.
Wat herinner ik me nog meer? Dat ik tegen Sinterklaas me afvroeg
of Sinterklaas nu wel naar Indië kon komen in de oorlog. Of zou hij alleen maar
Zwarte Piet sturen? Hoe dan ook, de ochtend van 6 december vond ik een paar
pakjes onder mijn bed. Vierden we Kerstmis? Ik herinner me van wel. Misschien
hadden
we de kunstboom, die
we met de Kerstdagen vol hingen met ballen enz. wel kunnen redden.
Verder kreeg ik een kleine anglo[5] in bruikleen van onze
kokkie (natuurlijk in overleg met de vrouw des huizes). Op die anglo beleefde
ik mijn eerste kook- en bakavonturen. Veel bijzonders zal ik niet gemaakt
hebben maar katjang goreng (gebakken pinda’s) zal ik daar beslist voor het
eerst hebben geproduceerd.
Bij een feestelijke gelegenheid (verjaardag van een van mijn
ouders) proefde ik voor het eerst van mijn leven bewust “es poeter” (es = ijs,
poeter = draaien). Het ijs werd gemaakt van een met extra ingrediënten
verrijkte vanillevla. De machinerie voor het ijs werd gehuurd en bestond uit
een trommel in een houten bak. De trommel werd met de vla gevuld. De bak werd
gevuld met een flinke hoeveelheid grof zout en brokken en brokjes waterijs waar
een lange en dikke staaf van bezorgd werd. Dan moest de trommel gedraaid worden
in het ijs plus zout mengsel (verlaging smeltpunt) en zo ontstond dan in de
trommel de lekkernij waardoor je, net als bij chocolade, direct en onmiddellijk
de zin van het leven beseft.
Bij een andere gelegenheid werd de elektrische grammofoon (ook
gered) in de voortuin opgesteld en werden platen gedraaid. We hebben het dan
over van die ouderwetse 78-toeren platen en een pick-up die om de twee of drie
platen van een nieuwe stalen naald moest worden voorzien. Bij het gewicht van
de pick-upkop was een naar moderne begrippen zeer sterke slijtage
onontkoombaar. Maar je had muziek. We hadden een collectie klassieke platen
(meestal
In die dagen in het Slametpark werd ik ’s morgens vaak vroeg
wakker. Was het zondag dan moest ik me direct aankleden en ging met mijn moeder
in een dokkar naar de vroegmis in de Theresiakerk. Meestal liepen we dan naar
huis, zo ver was het nu ook weer niet. Het was mijn eerste ervaring met
religie, ik vond het allemaal heel mooi in die kerk, al die beelden, de
pastoors en de misdienaars in hun misgewaden, de open en hoge ruimten waar soms
vogels doorheen vlogen, de kaarsen, de wierook. Was ik in aanleg ook toen al
een romanticus?
Op een andere ochtend hoorde ik een deur heel voorzichtig
geopend worden. Nieuwsgierig maar wel heel stil stond ik op om te onderzoeken
wie of wat daar was. Het bleek mijn vader te zijn die in zijn pyjama met een
ochtendjas aan op zijn sloffen heel voorzichtig het huis verliet. Nog
voorzichtiger dan hij was, achtervolgde ik hem. Hij liep de straat uit, ging
rechtsaf en verdween in het koffietentje dat even verderop stond. Ik rook een
vleug van de onmiskenbare geuren van “kopi toebroek” en pisang goreng. Nu werd
het wel tijd me te manifesteren want “eten van de straat” was me ten strengste
verboden maar gold dat nu niet voor mijn Papa? Hij kwam er niet onderuit voor
mij ook een stuk pisang goreng te kopen. In dat gezelschap van al die
volwassenen genoot ik er dubbel van en besloot ik niemand thuis hier iets over
te vertellen maar ’s morgens des te waakzamer te zijn.
Een serieus avontuur beleefde ik op een middag met Pih, mijn
oudere broer Frits. In het deel over de Tanggamoesweg schreef ik al dat hij een
fiets had van het type doortrapper met alle gebreken en snufjes van dien.
Remmen ontbraken maar je kon bij voorbeeld wel achteruit fietsen. Op een middag
gingen we een eindje fietsen waarbij Pih zou trappen en ik zou sturen. We
kwamen in de buurt van de sportterreinen, daar was altijd wel wat te zien van
voetbal, hockey en tennis. Op een recht stuk vrij brede weg kreeg ik een
tegenligger in het vizier en alsof ik niet anders kon stuurde ik recht op hem af.
Natuurlijk wil je geen botsing en probeer je bij te sturen maar zenuwachtig als
ik was en bang voor een botsing koersten we steeds preciezer op die tegenligger
af. Frits trapte al langzamer (de enige manier om snelheid te verminderen op
een doortrapper) en ook de tegenligger remde af. Maar in mijn nervositeit
botsten we met de voorband precies op de voorband van de tegenligger. Hoe je
dat voor elkaar krijgt met van die smalle fietsbanden verbaast me ook nu nog
steeds. Wij noch de tegenligger vielen van onze fietsen. Er was ook geen
schade.Maar groot was mijn schrik. Want de tegenligger bleek Dumoulin te zijn,
een beruchte man in Malang omdat hij NSB-er was. Wat zou er gebeuren. Zouden we
met de politie mee moeten? Maar voordat mijn fantasie op hol sloeg glimlachte
hij even, stuurde zijn fiets met een grote boog langs ons en verdween. Het
verhaal dat ik “de NSB-er van Malang” had geramd leefde thuis nog even voort
maar werd al snel ingehaald door gebeurtenissen die een voorloper waren van de
moeilijke tijd die ons te wachten stond.
Een andere, positieve, herinnering is die van de trouw van onze
niet-Europese vrienden. Op feestdagen, Chinese zowel als Nederlandse en
Christelijke feestdagen stuurde bij voorbeeld Bwapa Awi een van zijn mannen
naar ons toe met grote schalen lekkernijen. Daar was er een bij die mij altijd
deed griezelen: de fameuze kikkerbillen. Maar dat Bwapa Awi dit riskeerde, ook
in de tijd dat contact met Europeanen verboden en strafbaar was, vind ik nog
steeds heel bijzonder. De straf op een dergelijk vergrijp was streng en kon
bestaan uit martelen en gevangenschap. Dat zou die goede Bwapa Awi niet
overleefd hebben. Misschien dat bij het nemen van een dergelijk risico
meespeelde dat onze buurman ook een Chinees was, die ons ook wel eens verraste
met snoepgoed en lekkers. Achteraf bedacht ik dat als de brenger van de schalen
gevraagd werd waar hij heen ging, hij altijd de naam van onze Chinese buurman
kon noemen.
Hoe dan ook, we genoten van hun goede gaven en voelden ons
gesteund in onze relatieve armoede.
In mei 1942 begon de registratie van alle mannen en
vrouwen van 17 jaar en ouder waar ik al eerder over schreef. In ons gezin
werden mijn vader en mijn broer Pih aan gemerkt als Blanda Totok en mijn moeder
en zuster als Blanda Indo. Waarom? Voor wat betreft mijn vader was het
duidelijk: hij was in Nijmegen, dus in Negri Blanda (Nederland) geboren uit
Nederlandse
ouders. Bij Pih lag
dat volgens de Japanse logica anders want hij was, net als mijn zus, geboren
als kind van een Blanda Totok en een Blanda Indo. De oplossing van het raadsel
was zijn geboorteplaats: Nijmegen. Dat was ook Negri Blanda, bovendien was hij
hoogblond en dus moest hij wel een Totok zijn. Het is aardig te weten dat die
logica op dezelfde dag door een Indonesische jonge administratieve medewerker
werd herzien. Hoofdschuddend over zoveel onbenul bij de Japanners corrigeerde
hij de nationaliteit van Pih en schreef op zijn Soerat Pendaftaran
(identiteitsbewijs) dat hij Blanda Indo was. Het vermoeden bestaat dat die
medewerker een oud-leerling van mijn vader was.
Bij een andere gelegenheid werd mijn vader echt ‘gematst’,
waarschijnlijk ook door een oud-leerling. In mei of juni 1942 werden Blanda
Totok mannen in de leeftijd van 17 tot 60 jaar opgeroepen om naar een nieuwe
‘landbouwkolonie’ in Kesilir te worden gezonden waar zij de bodem moesten
ontginnen en ander zwaar werk zouden moeten doen. Gezagsgetrouw als mijn vader
was ging ook hij met een koffertje in de rij staan om zich te melden. Maar op
het moment dat hij aan de beurt was werd hem gezegd dat hij niet zo moest
voordringen en dat hij maar weer achter in de rij moest aansluiten. Dat
tafereel herhaalde zich nog twee of drie keer en toen hij daarna halverwege in
die rij stond was het contingent compleet en werden de overigen naar huis
gestuurd! Waren wij even gelukkig!
De leefsituatie werd
door allerlei pesterijen van de Japanners, gesteund door fanatieke Indonesische
Republikeinen, met de dag moeilijker voor allen die als Blanda waren
bestempeld. Het werd de autochtone bevolking verboden te werken voor de
Blanda’s. Wat later kwam er een verbod aan Blanda’s te verkopen of van hen
dingen te kopen. Voor de Indonesische gewone man en vrouw betekende dat meestal
dat hun komen drastisch verminderde of ineens geheel wegviel. Deze maatregel
betekende het begin van jaren van gebrek en armoede voor hen. Gelukkig
ontfermde ‘Tante Trees’, de moeder van Joop die met Pop verloofd was, zich over
onze oude kokkin en onze djongos[6]. Maar de volgende
maatregelen kondigden zich aan.
In de loop van een paar
weken werden de mannen van 17 tot 60 jaar geïnterneerd, voor zover dat niet al
eerder gebeurd was bij eerdere oproepen (de bijeengeroepen Europese ambtenaren
die naar Soerabaja werden getransporteerd en de mannen die als dwangarbeiders
naar Kesilir waren gebracht).
Mijn vader kreeg opdracht zich op 7 januari 1943 te melden in
het Marinekamp van Malang en werd daar met andere mannen geïnterneerd. Een
tijdje later, in maart, moest ook mijn blonde broer zich daar melden en werd
ook hij geïnterneerd.
In het begin werd het de familieleden, vrienden en kennissen nog
toegestaan bij het Marinekamp pakjes en eten te bezorgen maar na een tijdje
ging de poort definitief op slot. De gevangenen daar werden belast met
allerlei werkzaamheden
en hielden zich daarnaast bezig met diverse activiteiten. Er werd bij voorbeeld
een voetbalcompetitie gestart waar volgens mijn gegevens een tiental elftallen
aan deelnamen met namen zoals ‘Lijntrekkers’, ‘Klaplopers’ en ‘Zwaluwen’. Dat
laatste elftal was het team van monniken en priesters!
Ook is bekend dat er vrij fanatiek werd getafeltennist en dat
daarbij de Japanse kampcommandant zich niet onbetuigd liet. Verder waren er ook
culturele activiteiten waarbij klassieke grammofoonplaten werden gedraaid, Dan
Koletz gaf concerten (kennelijk was er dus een goede piano in het kamp) en wie
een encyclopedie wilde raadplegen was welkom bij de bezitter daarvan, een man
die op het idee gekomen was een bekende en uitgebreide encyclopedie mee te
nemen. De mannen hadden daar toen nog een redelijk prettige tijd al was het
plaatsgebrek al gauw dermate groot dat mijn broer op een stapelbed moest slapen
waar hij vierhoog lag!
Na de mannen waren de oudere (ouder dan zestig jaar)
mannen, vrouwen en kinderen aan de beurt voor internering. Natuurlijk speelde
daar de Soerat Pendaftaran een rol bij maar werden we ook gescreend op
uiterlijk. Zo hoefden, volgens de criteria, mijn moeder en ik niet het kamp in
maar mijn zus, ook een Blanda Indo, kennelijk op grond van haar uiterlijk, wel.
Waarna mijn moeder om diverse redenen, waarbij vast en zeker ook de steeds
nijpender financiële toestand en nog te verwachten pesterijen een rol speelden,
besloot dat wij ons beter bij mijn zus konden voegen en ons aanmeldde voor
vrijwillige internering.
In die tijd ging ik met mijn moeder op een vreemde dag, een
woensdag, naar de Theresiakerk. Deze keer gingen we vrij laat. Voor het eerst
woonde ik een Hoogmis bij. Die duurde wat langer dan een vroegmis. Meestal werd
een Hoogmis alleen maar als tweede mis op zondag gehouden, dat wist ik wel al
nog voordat ik naar catechisatie ging als voorbereiding op mijn Eerste Heilige
Communie. Waarom nu dus op woensdag? Na de mis zag ik tot mijn verbazing de
aanwezigen rij voor rij opstaan en naar voren schuifelen. Gingen ze opnieuw de
communie ontvangen? Nee maar, de mensen liepen na op de voorste bank (de
communiebank waar je geknield de hostie ontving) geknield te hebben direct de
kerk uit. Onze rij was aan de beurt. Omdat ik nog niet de leeftijd en de
voorbereiding had gehad voor de communie wilde ik blijven zitten. Maar mijn
moeder gebaarde dat ik mee moest. Apa ini?[7] “Askruisje” fluisterde
zij. Jawel, devoot naast haar knielend op de communiebank tekende een van de
pastoors met zijn duim een kruisje van vochtige as op mijn voorhoofd. Daarbij
zei hij iets. We stonden op en gingen de kerk uit. Op het kerkpleintje stonden
veel mensen hun voorhoofd schoon te poetsen. Nu ging me een licht op. “Wat
aardig van die pastoor, Mam, dat hij “achter weer afvegen”zei”. Ik was
stomverbaasd dat mijn moeder een lachbui kreeg. Had ik soms iets grappigs
gezegd? Veel later pas hoorde en begreep ik dat de Latijnse formule voor “van
as zijt ge gemaakt en tot as zult ge wederkeren” tijdens het aanbrengen van het
kruisje wordt uitgesproken. Nog veel later ontdekte ik nog dat Aswoensdag de
carnavalstijd afsluit en dat op Aswoensdag de vastentijd begint.
De Wijk in Malang
Begin november 1942 was het kamp in de ‘Bergenbuurt’ dat later
‘de Wijk’ (van Malang) werd genoemd klaar voor internering. De voorbereiding
daarvan was geweest dat de bewoners van huizen in die wijk die niet
geïnterneerd zouden worden moesten verhuizen naar huizen buiten de Wijk. Verder
was voorzien dat ieder gezin de beschikking zou krijgen over één kamer. De
oppervlakte van de Wijk was ongeveer 600 bij
waren er in het
hekwerk drie poorten, later werden twee daarvan gesloten.
Waarschijnlijk trokken wij, mijn moeder, mijn zuster en ik met
onze twee honden en met een of twee katten in mei of juni 1943 de Wijk in en
kregen een garage van een huis aan de Lawoestraat toegewezen. Daar kon je
redelijk zelfstandig in wonen. In het huis woonden aanvankelijk nog maar twee
of drie
gezinnen, het is begrijpelijk dat de sanitaire voorzieningen daar niet
op berekend waren. Mandiën gebeurde, in mijn herinnering, weer in een dakloze
badkamer op het erf, net zo’n soort ‘bediendebadkamer’ als in het Slametpark.
De wijk raakte al snel vol omdat niet alleen vrouwen, kinderen en oude mannen
(ouder dan zestig jaar) uit Malang de Wijk bevolkten maar ook omdat er steeds
meer mensen uit het Oostelijk deel van Oost-Java (de ‘Oosthoek) naar ons kamp
werden getransporteerd. In het huis moest wat worden opgeschikt zodat er nog
meer gezinnen bij kwamen. Voor zover mij bekend leefden we daar in de Wijk
uiteindelijk met ruim 7000 vrouwen, kinderen en oude mannen. Natuurlijk waren
de sanitaire voorzieningen in de Wijk niet op deze aantallen bewoners berekend.
De ruimte die we hadden was, toen de Wijk vol was, ongeveer
Veel herinneringen aan de Wijk heb ik niet. Als kind leefde en
speelde je gewoon verder. Er was geen school, maar aangezien mijn moeder en
mijn zuster allebei onderwijzeressen waren kreeg ik geen kans hen te
ontsnappen. Op het moment dat ik een beetje redelijk kon lezen ging een nieuwe
wereld voor me open. Ik las alles wat ik te pakken kon krijgen en zette dat
zelfs in bed, ’s avonds, voort. Onder mijn deken bij het licht van een lampoe
senter[8] van het merk Eveready
las ik verder tot ik bepek[9] werd en de lampoe
senter moest afgeven. Misschien dat ik daarom ook nu nog graag in bed lees tot
het boek uit mijn handen valt of mijn ogen pijn doen.
Een andere gelukkige herinnering gaat over de regen die
ook in de Wijk in tropische buien viel. Wat eerder nooit had gemogen mocht nu
wel, je had ook zo weinig om te spelen! In je hansop mocht je naar buiten, de
regen in, op blote voeten. Natuurlijk zocht je een plek op bij een verstopte
afvoerput want daar kon je je in volle lengte in het water storten. Daar kon je
ook het beste op het water slaan en spetteren naar anderen. Iedere bui was een
feest.
Een minder gelukkige herinnering was de gang naar de gaarkeuken
waar eten werd uitgedeeld als je geen geld meer had om zelf je eten te maken.
En de beroerdste herinnering was dat de huisdieren, dus ook onze honden en
katten, het kamp uit moesten. Dat leverde niet één tranendal op, de tranendalen
waren niet te tellen. Gelukkig hadden alle buitenkampers bedienden naar de
poort gestuurd om dieren in ontvangst te nemen. Daar zagen we onze oude kokkie
en de djongos die de honden en katten kenden en ook van ze hielden. De
Japanners waren stomverbaasd over de tranen die gestort werden toen ons de
dieren werden afgenomen. “Als je hen de mannen afneemt zie je geen traan, neem
je hun dieren af dan staan ze allemaal te huilen!”
Een laatste herinnering aan dit kamp is dat ik daar op
catechisatie ging om voorbereid te worden op mijn ‘Eerste Heilige Communie’. De
grote Theresiakerk, waar ik gedoopt was met de namen Johannes Alexander Emiel
was, pesterig, net buiten het kamp geplaatst. In het kamp was wel een kleine
kerk waar dagelijks de mis werd gelezen en waar de bloedjes werden voorbereid
op hun entree. Hoe die eerste communie verliep weet ik niet meer. Van het grote
feest dat op zo’n dag werd gehouden was natuurlijk geen sprake. Wel weet ik dat
ik als de dood was dat ik bij het biechten een ‘kleine zonde’ (liegen,
bedriegen, vloeken, schelden en dergelijke) zou vergeten waardoor ik belast zou
worden met een ‘doodzonde’ (moord, Godslastering, ketterijen, enz.) als ik de
communie zou ontvangen. Later heb ik daar vaak aan gedacht: ik denk dat iets
dergelijks bij alle priesters een bekend probleem van kinderen was. Maar lang
nog heb ik me afgevraagd wat zo’n biechtvader gedacht moet hebben bij een qua
uiterlijk onschuldig en naïef ventje van zeven jaar dat bekende dat hij in een
week gelogen, bedrogen en gevloekt had en wel zo vaak dat het zo’n beetje
dagwerk geweest moest zijn. Maar ja, better safe than sorry want bij een
doodzonde was je zo ongeveer verzekerd van een plekje in de hel en ik had wel
begrepen dat de hemel een prettiger plaats was.
Een tijdje later begon de echte zwerftocht. Tussen februari 1944
en de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 verhuisden we naar drie andere
kampen en binnen een van die kampen verhuisden we nog twee keer. Achteraf
hoorde ik dat die weerkerende verhuizingen een van de maatregelen was die
helemaal paste in een strategie om onder de gevangenen de spanning, de angst en
de onzekerheid op te voeren en op die manier het moreel en de stemming te
verslechteren.
Semarang, Karangpanas
Nu dan, het eerste
kamp waar we heen gingen was een kamp in Semarang, Karangpanas. Letterlijk
betekent dat warm koraal (karang = koraal, panas = warm). Het kamp was
oorspronkelijk een RK weeshuis dat geleid werd door ‘De Broeders van Saint
Louis’. Op de begane grond waren slaapzalen ingericht aan overdekte open
galerijen rond drie binnenplaatsen. Ook vond je op de begane grond een soort
hospitaaltje, keukens, doucheruimten en WC’s. Los van het hoofdgebouw stonden
een mortuarium en een kapel met bijgebouwen. Zowel de kapel als de bijgebouwen
werden na onze aankomst ook omgebouwd tot slaapzalen.
Slaapzalen vond je ook op verdieping die op de voorkant en op de
middenvleugel van het gebouw rustten. In zo’n slaapzaal vond je een of meer van
hout getimmerde britsen van bijna overal de zelfde breedte (ik schat die op
ongeveer tweeënhalve meter en hoogte (ongeveer
Per persoon kreeg je een bepaalde hoeveelheid ruimte toegewezen,
het zal in die tijd zo’n zestig centimeter geweest zijn. Wij, mijn moeder, mijn
zuster en ik, kregen dus ongeveer één meter en tachtig centimeter
toegewezen. Een bofje
voor mijn moeder en zuster was dat ik gemakkelijk in de breedte van de aan ons
toegewezen ruimte paste zodat zij
Op het erf van het kamp stonden een paar, in mijn kinderogen,
reusachtige bomen. Ik herinner me twee kenaribomen en een assemboom. Die
assemboom was het boeiendst omdat daar regelmatig complete assempeulen afvielen
waar je al peuterend de assem uit kon halen. Zuur maar lekker. De kenaribomen
lieten ook vrij vaak vruchten vallen. Die waren minder populair omdat het
eetbare deel moeilijker te benaderen was. De kenari is een soort noot. De schil
was vlezig maar heel stug. Dan had je de steenharde bast in handen die moeilijk
zonder mes open te peuteren was en een mes kreeg je op die leeftijd niet mee en
in het kamp zeker niet. Je moest dus proberen die bast te breken en dat vergde
veel geduld en inventiviteit.
Verder bestond het erf uit diverse velden en veldjes, alles
omringd door afzettingen van prikkeldraad en gedèk[11]. En natuurlijk
ontdekte je al gauw heel smalle paadjes achter de gebouwen waar allerlei
planten en plantjes groeiden, waar je je heerlijk spannend kon verstoppen voor
een denkbeeldige vijand of een rover of zo. Al met al leefden we daar op
ongeveer 2½ hectare grond met ongeveer
2500 vrouwen, kinderen en oudere mannen en hadden dus een ‘Lebensraum’ van
ongeveer
We arriveerden in Karangpanas (de naam
is ontleend aan de weg waar het kamp aan lag)
op
10 februari 1944. Merkwaardig is dat je in documenten ziet dat
er vaker bij transporten van gevangenen uit Malang is geschreven dat er 860
personen werden verplaatst. Vraag me af waarom dat getal van 860 zo vaak terugkomt.
Was dat de maximale capaciteit van de treinen? Of vond misschien de Japanse
Keizer himself dat een mooi getal? Maar goed, op 10 februari 1944 kwamen we in
Semarang - Karangpanas aan.
Het zal duidelijk zijn dat ik binnen de kortste keren alle in-
en uitgangen naar en van de verschillende slaapzalen en goedangs wist te
vinden. En ook het omringende erf verkend had. Na het ochtendappèl had ik alle
vrijheid, corvee was voor mijn leeftijdgroep in dat kamp nog niet ingevoerd.
Ik herinner me niet veel bijzonders aan gebeurtenissen in dit
kamp. Of het moest al zijn dat we het laatste stukje van de muis rookvlees
(nee, geen rookvlees van een muis) opmaakten en dat ook het laatste beetje
sambal badjak werd opgegeten. Van die sambal badjak hadden we een flinke jampot
vol nog kunnen meenemen. Iedere dag vond ik wel iets dat mijn belangstelling
trok en te lezen viel er ook wel het een en ander. Daarnaast had ik ook nu
opnieuw last van die eeuwige lessen van mijn moeder en mijn zus.
Wat ik me het best herinner was dat een van de kinderen, een
meisje, ernstig ziek werd. Wat had ze? Ik weet het niet meer. In ieder geval
was het iets besmettelijks want ze moest geïsoleerd worden. Ze werd niet gemist
en toch wel gemist. Laat me dit verklaren. De meeste kinderen kende je wel of
je had ze op z’n minst wel eens ontmoet. Niet dat je voortdurend met z’n allen
speelde maar je kwam toch vaak met elkaar in aanraking. Ook wanneer er een
nieuw transport vrouwen en kinderen was aangekomen wilde je natuurlijk graag
weten of je ook met die kinderen kon spelen: er waren ook vrouwen die hun
kinderen liever niet met Jan en Alleman wilden laten spelen. Dus, hoewel je het
zieke vriendinnetje niet in het dagelijks spel miste, miste je haar toch wel in
het kindergezelschap. Op een dag was er een gerucht: zij zou doodgaan. Zij zou
niet lang meer leven. Dat maakte indruk, op de grote mensen en op de kinderen.
Voor ons, kinderen, stond eigenlijk vast dat kinderen niet stierven. Zou het
dat vriendinnetje nu echt overkomen? In de buurt van de ziekenzaal dromden we
in die dagen regelmatig samen. De volgende dag was zij overleden. Was ze nu dan
in de hemel? De moeders zeiden allemaal dat ze nu een engeltje was! Maar was
dat echt waar? Hoefde ze niet door het vagevuur, zoals de Rooms Katholieke kerk
voorschreef voor iedereen die zonder te biechten stierf en die dus niet zonder
(kleine) zonden stierf. Neen, ze was echt in de hemel. Ik herinner me dat ik
die dag en de dagen daarna vaak naar de zonnige en soms bewolkte lucht keek en
het firmament afspeurde of ik daar niet een engeltje zag. Het meest
indrukwekkende moment was het afscheid van dit dode meisje. Net als overal in
de tropen in die tijd, moest ook ons vriendinnetje direct op de middag na haar
overlijden worden begraven. Een begrafenis binnen het kamp was niet toegestaan.
Een doodskist werd in het kamp gebracht en naar een provisorisch mortuarium
gereden. Op het moment dat de kist weer naar buiten werd gebracht en op een
wagen werd geladen formeerde zich een erehaag van de meeste kampbewoners, vrouwen, kinderen en oude
mannen. De moeder liep mee en mocht meelopen tot aan de kamppoort (het laatste
deel van het traject was normaliter een verboden zone voor de kampbewoners). De
poort zwaaide langzaam open, de moeder nam afscheid….. Toen bleek dat aan de
andere kant van de poort ook een erehaag stond en werden
de wagen en de kist
door andere mensen overgenomen. Hoe
waren die mensen te weten gekomen wat er was gebeurd? In Indië en ook in het
Indonesië van nu noemde je dat ‘kabar angin’ (letterlijk: een bericht in/uit de
lucht). ‘Een gerucht’ dus. Hoe dan ook, het was een indrukwekkend moment.
Ambarawa, kamp 6
Aan ons verblijf in dit kamp kwam na 4 maanden minus 5 dagen op
5 juni 1944 een einde. We moesten onze spullen pakken en gingen na een extra
appèl op transport per militaire vrachtwagen. Volgens de door mij geraadpleegde
documenten gingen we met ongeveer 500 vrouwen en kinderen op weg. Waarheen,
waarheen? De reis duurde niet al te lang, we werden uitgeladen in een plaatsje
dat sommige van onze lotgenoten herkenden als Ambarawa. Later begreep ik dat
dit kamp als ‘Ambarawa Kamp
Direct na aankomst was
er weer het verplichte appèl. Stel je voor dat er vrouwen of kinderen onderweg
uit de vrachtwagens waren gesprongen. Zulke appèls leverden altijd een hoop
verwarring en ergernis op want we stonden allemaal in de brandende zon, de
Japanse transportleider en de bewakers ook en zelden of nooit bleek het aantal
mensen correct geteld te kunnen worden. Soms draaide het uit op klappen (niet
voor de Japanners) en veel Japanse boze woorden, die we toch niet verstonden.
Als het voorbij was herademde iedereen opgelucht.
Het kamp Ambarawa 6, een oude en afgekeurde kazerne, had nog het
meest weg van een ouderwetse tangsi, een militair kamp voor onderofficieren
(alleen vrijgezellen en onderofficieren waarvan het gezin op een andere plaats
woonde), korporaals en soldaten. Zij waren en wij werden gehuisvest in een
aantal barakken waarvan een deel nog was ingericht als gezinsverblijfjes
bestaande uit één kamer van ongeveer 3 bij
In totaal waren er 14 barakken van verschillende vorm en
grootte. Er was een keuken, er waren goedangs in de open lucht, wel afsluitbaar
en met een dak er op. Er waren twee ziekenzalen, een voor de lichtere gevallen
en een voor zwaar zieken. De laatste was heel vaak een point-of-no-return, ook
omdat daar patiënten met zeer besmettelijke ziekten zoals diverse vormen van
dysenterie werden verpleegd. Naderhand werd de zwaar zieken in de omringende
kampen de toegang tot geschikte burgerziekenhuizen door de Japanners
ontzegd.‘Ons’ kamp werd uitgekozen voor de concentratie van die zwaar zieken.
Onnodig te zeggen dat de verpleegsters en verpleeghulpen onder grote druk werkten,
ook omdat de artsen
machteloos moesten
toezien bij het lijden van de zieken omdat alle verzoeken om medicijnen werden
geweigerd. Zelfs de door het Internationale Rode Kruis voor veel geld gekochte
en ter beschikking gestelde medicijnen werden door de Japanners niet
doorgegeven: zij gebruikten die medicijnen vaak zelf.
De verpleegsters en verpleeghulpen van deze ziekenzaal bevonden
zich eigenlijk steeds in een gevarenzone omdat vaak ook geschikt
ontsmettingsmateriaal ontbrak. Ook mijn zuster heeft daar gewerkt en daar breng
ik haar graag nog hulde voor.
De medische staf in het kamp bestond uit drie artsen en een paar
verpleegsters. In het begin van ons verblijf in dit kamp waren er ook nog een
pastoor en een dominee die samen een kerkzaaltje deelden in barak 10. Op een
bepaald moment werd ook dit verboden door de Japanse kampcommandant en moesten
de geestelijke verzorgers naar een mannenkamp. Niets werd achterwege gelaten om
de stemming en het moreel te ondermijnen. De eigen kampleiding, bestaande uit
een paar dappere vrouwen die bij ieder onderhoud met de Japanse kampleiding
kans liep een paar meppen in het gezicht op te lopen, bevond zich in barak 1
dicht bij het wachtgebouw, de verblijfplaats van de Japanse kampcommandant, de administratieve staf en de kampbewakers. Het
spreekt vanzelf dat ook dit kamp geheel was omheind door een prikkeldraadhek
met gedèk.
Bij onze aankomst werden we gehuisvest in barak 3 waar wij,
direct naast de ingang, zo’n gezinsverblijfje kregen toegewezen. Wat een
gelukje. In het verblijf stond een stapelbed, ik vermoed dat ik op een
Kesilirmatras[12]
half onder het bed sliep. Ons tampatje[13] had nog een voordeel:
je was heel snel buiten voor de appèls en ook weer heel snel binnen op je
plekje.
Hoe zag zo’n kampdag er nu uit? Volgens gegevens uit diverse bronnen was de kampdag door onze overheersers als volgt ingedeeld:
|
Opstaan |
08.00 |
|
Ochtendappèl |
08.10 |
|
Schoonmaken kamers en erf |
08.30 – 09.00 |
|
Ontbijt |
09.00 |
|
Tuinwerk en buitensport (!) |
10.00 – 12.00 |
|
Middageten |
13.00 |
|
Middagrust |
14.00 – 16.00 |
|
Tuinwerk, schoonmaken kamers en erf |
16.30 – 17.30 |
|
Avondeten |
18.00 |
|
Avondappèl |
19.30 |
|
Lichten uit |
22.30 |
De tijden waren allen gegeven in Nippontijd, dat wil zeggen: in
de tijdzone van Tokio en die tijd was een tot twee uur later dan in Indië. Neem
dus maar aan dat voor ons in Ambarawa de dag om 7 uur lokale tijd begon.
De appèls waren een bron van ellende. Van iedere barak moest de
gehele bevolking van die barak aan de voorkant van de barak aantreden in rotten
van vier met uitzondering van de zieken. Dan begon het tellen van de rotten in
het Japans. De voorste in het rot moest het nummer hardop zeggen dat volgde op
dat van zijn of haar linker buurman. De nummering liep van 1 tot 10, daarna
werd weer bij 1 begonnen. Het laatste rot was meestal incompleet, het zou wel
heel toevallig zijn als je altijd met een aantal mensen aantrad dat een
veelvoud was van vier. Dat was dus de groep die buiten aangetreden stond. Dan
werden de zieken geteld terwijl de buiten aangetreden gezonde barakbevolking
moest blijven wachten. Daarna moest dus de bevolking van de barak compleet
geteld zijn. Maar ach en wee als een zieke toch de
barak verlaten had voor een sprint naar de
toiletten (buikloop en dysenterie kwamen vaak voor). Dan moest de hele zaak
opnieuw worden geteld. Daarbij kwam dat sommige Japanners gewoon niet goed
konden tellen, vooral als je een bewaker van mindere rang had. Regelmatig werd
door die lieden geslagen, misschien wel uit angst voor de gevolgen voor hen als
er echt iemand gemist werd. Op een bepaald moment mocht ik als eerste in het
rot staan, met andere kinderen, omdat kinderen nooit geslagen werden. Nog
steeds kan ik vlot in het Japans tellen van 1 tot 10!
Wat eufemistisch beschreven staat als tuinwerk en buitensport
was domweg licht tot zeer zwaar corvee. Binnen het kamp hadden we een aantal
veldjes waar diverse groenten, knolgewassen en katjang tanah[14] op gekweekt werd. Het
bewerken van de grond was een redelijk zwaar karwei, het wieden was iets
gemakkelijker en het oogsten was een feest. Maar daarnaast moesten ook
regelmatig alang-alang[15] velden buiten het
kamp worden gekapt (heel zwaar rotwerk), bomen in het kamp werden gerooid om
hout te krijgen voor de keuken, zieken moesten worden getransporteerd, de
toiletblokken en de mandiekamers moesten worden schoongeborsteld en natuurlijk
moesten verstoppingen van de poepsloot worden doorgeprikt. Genoeg werk voor
allen die niet in de keuken of in de ziekenzalen werkten. Ook de artsen waren
van deze corvee’s vrijgesteld.
Op een goede dag werden drie biggen het kamp binnen gebracht. In
een omheind deel van het kamp, naast de keuken, werden ze gelegerd zodat ze met
weinig moeite konden worden gevoerd met keukenafval en resten. De varkens
kregen direct de namen van de drie artsen in het kamp. Een van de artsen had
een fors postuur en was en bleek en bleef behoorlijk dik. Hij heette van
Giessen of van der Giessen. Alle aanleiding dus om de dikste big ‘Giesje’ te
dopen. Giesje werd steeds dikker en dikker en zo kon je af en toe, refererend
naar de kamparts, horen zeggen dat Giesje toch wel een erg vet varken was.
In het begin van ons verblijf in dit kamp waren wij, kinderen,
vrijgesteld van corvee. Maar er waren klussen te doen die ook door kinderen
konden worden uitgevoerd, zoals wieden van paden. En er waren andere lichte
karweitjes waar de vrouwen zich misschien liever niet aan waagden. Die klusjes
hadden alles te maken met de plaats waar zij moesten worden uitgevoerd: rond de
verblijven van de Japanse kampwachten en de gebouwen waar de Japanse kampstaf
en de kampcommandant werkten. In een groepje van ongeveer tien kinderen
(meisjes en jongens) trokken we de poort door die de rest van het kamp scheidde
van die verblijven om bij voorbeeld plantenborders en grindpaden te ontdoen van
onkruid. Je moest daarvoor een eigen keukenmesje meebrengen. Onze groep stond
onder leiding van ‘juffrouw Roosje’, een jonge vrouw die mijn eerste liefde
was. Ze was vriendelijk, zacht en sprak altijd heel rustig met ons. Nooit
schreeuwde ze tegen haar groep. Met mijn ook toen al vrij bizarre fantasie
bedacht ik situaties waar ik haar als een ridder uit moest en kon redden. Op
een keer kreeg juffrouw Roosje de opdracht de poepsloot in het Japanse gedeelte
schoon te laten maken nadat we onze dagelijkse corvee (wieden) al hadden
beëindigd. Er was in die sloot een verstopping ontstaan doordat in die sloot
een stuk gaas was gespannen onder de prikkeldraadomheining, stel je voor dat
daar iemand (van het wachtpersoneel?) langs zou ontsnappen. Er werd gevraagd
wie daarbij wilde helpen, één jongen was genoeg. Dat was ik dus. De rest werd
afgemarcheerd en onder toezicht van juffrouw Roosje en een kampwacht met een
bajonet op zijn geweer
werd ik te water
gelaten in de sloot. Met handen en voeten werkte ik de verstopping weg waarbij
ik tot mijn ellebogen in de poep moest grijpen. Toen het karwei geklaard was
mochten we weg maar eerst kreeg ik nog een stukje zeep in handen gedrukt. Zeep
was zeldzaam in het kamp. Bovendien mocht ik op een abnormale tijd mandiën want
ook dat was gereglementeerd.
Met juffrouw Roosje liep het in de loop van de volgende maanden
slecht af. Ze werd ziek. Terwijl ze op haar plekje lag bewonderde ik haar van
een afstand. Korte tijd later verhuisde ze naar de ziekenzaal en weer wat later
zag ik, met een bloedend hart, dat zij naar de zaal voor zware zieken werd
gebracht….
Als jouw corvee af was had je eigenlijk de rest van de tijd vrij
om te spelen. Nou ja, voor mij gold dat in mindere mate omdat moeder en zuslief
me dan onmiddellijk gingen bijspijkeren op schoolgebied. Nu leerde ik ook
schrijven en rekenen. Dat rekenen moest maar uit het hoofd gebeuren, daar kon
je geen papier of potlood aan besteden. Als het erg ingewikkeld werd dan konden
de sommen in het zand of in de aarde worden geschreven maar dan moest er wel
iemand op de uitkijk staan want onderwijzen was ten strengste verboden. Soms
keek ik, een tikkeltje boos om mijn pech, hulpeloos naar mijn vriendjes en
vriendinnetjes die lekker liepen te rennen, te draven en verstoppertje speelden
in en om de barak. Maar ja, het was allemaal voor mijn eigen bestwil werd mij
regelmatig medegedeeld. Had je nogal wat aan als je mee wilde spelen met de
anderen.
Maak hier nu niet uit op dat ik nooit de kans kreeg om te
spelen. Middagcorvee hoefden de kinderen niet te doen en omdat de ouders dan
meestal druk in de weer waren had je toch genoeg tijd en vrijheid om het gehele
kamp te verkennen en met een paar vriendjes, die keten (meiden) keek je
natuurlijk niet aan, het hele kamp als
je speelterrein te adopteren..
Een paar apart vond ik aan de kop van een aangrenzende barak
(barak 1b) waar twee dames naast elkaar leefden die hun leefstijl van voor de
tijd dat ze werden geïnterneerd zo lang mogelijk ook in het kamp probeerden te
handhaven. Het waren al wat oudere dames, de dames Voorhoeve en Swens. Een van
de dames was een vroegere kennis van mijn moeder. Omdat ik al eerder had gezien
dat zij zich er speciaal voor kleedden als ze samen thee dronken besloot ik
eens tegen theetijd bij hen op bezoek te gaan, nadat dat door mijn moeder met
de dames was gearrangeerd. Ik had me wel gewassen en waarschijnlijk had ik ook
schone kleding aan. Mijn bewondering voor de dames maar ook mijn verbazing
kende geen grenzen toen bleek dat zij een tafeltje hadden geïmproviseerd waar
een echt theeservies op stond en waar in het suikerpotje echte suiker lag. Ik
kreeg een theekopje en een van de dames schonk thee in. Zij bood me ook suiker
aan. Natuurlijk wist ik hoe zeldzaam suiker was en nam ik maar een klein
beetje. Maar ik roerde mijn thee voorzichtig in het dunne porseleinen kopje met een echt theelepeltje!
Ik herinner me dat ik zo nog wel eens op theevisite bij de dames
ging en dat zij, dat hoorde je natuurlijk nooit rechtstreeks van je moeder maar
via-via, mijn moeder hadden gecomplimenteerd met mijn keurige manieren. Helaas
hebben ook zij, voor zover ik weet, het kampleven niet overleefd.
De maaltijden. Barak na barak werd gewaarschuwd eten te komen
halen zodat we niet met alle kampbewoners tegelijk voor de keuken stonden. Als
ontbijt kon je in het begin nog rekenen op een lepel dunne pap met heel weinig
melk of, zoals wij, kinderen onderling, het zeiden, met zonder melk. Later werd
die pap doorzichtig en werd door iedereen als kandji[16] betiteld. Het was ook
echt kandji.
Dit was kenmerkend voor de systematische vermindering van de
calorische waarde van de rantsoenen. Naast de door de Japanners verstrekte
rantsoenen werden uit de kampkas, waar iedereen indien mogelijk een bijdrage
aan leverde, aanvullende levensmiddelen gekocht. Dat ‘eigen voedsel’ bestond
meestal uit bonen en suiker. In januari 1945 was de calorische waarde voor ons
kamp, volgens Rode Kruis rapporten, gezakt naar 1333 calorieën per dag waarvan
275 calorieën door eigen voedsel werden verschaft..In juli 1945 was de
calorische waarde gezakt naar 1275 calorieën per dag waarvan eigen voedsel voor
235 calorieën zorgde. Van die gemiddelde waarden ging nog wat verloren bij
bereiding en distributie. Verder werd een deel niet door het lichaam opgenomen
doordat ook de schijnbaar niet zieke kampbewoners vaak leden aan
ingewandstoornissen en
ingewandziekten.
Na een maand of vier moesten we binnen het kamp verhuizen. We
werden verplaatst naar barak 5a. Waarom nu weer? Waarschijnlijk moest barak 3
worden vertimmerd om ruimte te maken voor vrouwen en kinderen uit andere
gevangenkampen. Tussen 17 september en
22 november 1944 werden in totaal 950 personen aan het kamp
toegevoegd waardoor het inwonertal opliep naar 3500.
Barak 5a lag vlak bij de keukens. Tussen de achterkant van de
barak, daar kreeg ik weer mijn dagelijkse lessen terwijl iemand op de uitkijk
stond, en het verder naar achter liggende latrine en badkamer blok lag een
lekker speelveldje waar we onder andere gatrik[17] konden spelen als we
tenminste een paar takjes konden vinden.
Dingen die ik me uit de tijd in deze barak herinner zijn onder
andere dat de angst voor de kampbewakers met losse handjes toenam onder de
vrouwen en moeders. Bovendien werden nu vaker vrouwen gestraft door ze nabij de
verblijven van de Japanse kampwacht aan een paal vast te binden en zo twaalf
tot vierentwintig uur te laten staan. Natuurlijk kwam er altijd een moment dat
zo’n moeder van kinderen urine en fecaliën liet lopen wat bij mij een intens
gevoel van medelijden opriep voor zowel de gemartelde vrouw als voor de
kinderen die je allemaal tot je vriendjes en vriendinnetjes rekende.
Zo werden ook wij, kinderen, steeds banger en werden dubbel
waakzaam tijdig de aanwezigheid van Japanners te signaleren en het verplichte
eerbewijs luid roepende te brengen: “kiotské“ (geef acht), “kerei” (buigen),
“norei” (overeind komen). Je schrok geweldig wanneer je dacht dat te laat te
doen!
Een andere onprettige gebeurtenis was dat ik eens een kleine
teen stootte aan een stuk hout. De splinter die in de teen bleef zitten zorgde
voor een halve gele-pus teen. Naar de dokter ermee op de polikliniek. Die wist
maar een oplossing: opensnijden en kijken wat er gebeurde. Een potige
assistente werd opgetrommeld om mij vast te houden want verdoving was er niet
bij. De pus werd uit de wond gedrukt tot er alleen nog maar bloed uitkwam. Ik
brulde en gilde als een mager varken maar dat maakte niet de minste indruk.
Logisch, de dokter was Giesje. Verbandje erom, dat was er wel, en de volgende
dag terugkomen. Gelukkig genas de wond redelijk snel. Wel nam ik me voor tot in
eeuwigheid uit de buurt te blijven van die dokter en de polikliniek.
Hoera, hoera, in het kamp werd een bibliotheek voor kinderen
ingericht. Dat kon dank zij de medewerking van heel veel boekenbezitters. Voor
de bibliotheek moest je worden ingeschreven en dan kon je elke week een boek
komen lenen. Dat boek moest je ook de week na de leenweek inleveren. De regels
waren streng maar dat was ook nodig om alle kinderen een kans te geven. En
eerlijk kwam je beurtelings als een van de eersten aan de beurt om een van de
onder alle kinderen favoriete boeken te lenen..
Minder lollig was dat ik, net als alle kampbewoners, een
eiwittekort begon te krijgen. Vraag me niet hoe dat werd geconstateerd, een
schoolarts was er niet. Dat bracht mijn moeder op het idee om slakken te
verzamelen, die te roosteren en die dan door mij te laten eten. Ik weet dat ik
de eerste twee slakken kokhalzend wegwerkte en daarna platweg weigerde nog meer
slakken te eten. Toen ik heel veel later met collega’s en medewerkers nogal
eens uit eten ging kon ik mijn afgrijzen niet onderdrukken als een van hen
slakken, zwemmend in een knoflookbotersaus,
bestelde als voorafje. Njêk!
Een andere herinnering is dat we in de barak Kerstmis vierden.
Neen, niet met een kerstboom en kerstballen of zo. Het vieren van Christelijke
feestdagen was streng verboden. Maar toch had iedereen behoefte aan een
kerstdienst, een samenzijn. Dat kon alleen maar als er een paar vrouwen met
kinderen op de uitkijk zouden gaan. Binnen verzamelden we ons. Er werden een
paar kerstliederen gezongen en het kerstverhaal werd uit de bijbel voorgelezen
door de vrouw van een vlootpredikant. Aan het einde van de samenkomst zongen we
nog het ‘Stille Nacht’ en wensten allen alle anderen een gelukkige Kerst. De
uitkijkposten hadden wel het zingen meebeleefd. Het was toch opmerkelijk dat
voor een dergelijk vervelend karwij altijd wel
vrijwilligers konden worden gevonden. Waren we dan toch nog deel van een
samenleving? Haat en nijd was er echt ook en soms hadden vrouwen onder elkaar
een hooglopende ruzie die vaak in een tranendal eindigde of die soms pas na een
paar dagen in een ander tranendal werd ‘goedgemaakt’.
Op 9 januari 1945, mijn negende verjaardag, werd ik ziek. Wat ik
mankeerde weet ik niet en kon kennelijk ook niet worden gediagnosticeerd. Ik
had zeer hoge koorts die gepaard ging met ijlen tijdens heftige koortsdromen.
Ik merkte in mijn schijnwereld wel dat voortdurend iemand, meestal mijn moeder
of mijn zuster, mijn voorhoofd bette met, naar mijn gevoel, koud water. Ik
ijlde, levend in mijn beangstigende schijnwereld ook ‘s nachts en dat zorgde
voor onrust in de barak. Die angstige wereld werd des te beangstigender omdat
ik een paar maal een ‘Piet van Vliet’ hoorde roepen en als je die een aantal
keren hoorde roepen dan ging je dood, zo was de mythe. Ja, ik hoorde de Piet van
Vliet roepen en hij riep het mythische aantal keren terwijl ik in mijn ijldroom
alleen was. Maar ik wilde helemaal niet dood. Juist op het moment dat mijn
moeder bijna bezweek onder de aandrang mij naar een ziekenzaal te brengen was
de crisis voorbij en genas ik nog vrij snel. Later vertelde ze mij dat ze toen
echt bang is geweest mij te zullen verliezen. Het zou niet de laatste keer zijn
dat ik de dood in de ogen mocht zien.
Een spectaculaire gebeurtenis, ook in januari, was de opstand
van de Koreaanse soldaten in het Japanse leger. De kern van het conflict
schijnt te zijn geweest dat de Japanners aan de Koreanen zelfstandigheid
beloofden en dat de Koreanen daar niet meer in geloofden en dat zij sterke vermoedens hadden dat Japan de
oorlog zou verliezen. Hoe dan ook, op een dag kwam het onder de kampbewakers
tot een eruptie. Wat er gebeurde weet ik niet maar terwijl ik voor de barak
iets aan het bekijken was hoorde ik veel geschreeuw en zag ik een paar
kampbewakers over de weg rennen die dwars door het kamp voor de barak langs
liep. Op een flinke afstand werden ze gevolgd door andere kampbewakers. Ineens
hoorde ik een paar doffe knallen en spetterden er vuurtjes en vonken uit de weg
vlak bij mij. Pas op dat moment hoorde ik vrouwen gillen dat ik binnen moest
komen. Na mijn sprintje werd me verteld dat die vonken en vuurtjes ricochets
van
afgevuurde kogels
waren. Maar op wie schoten ze dan toch? Niet op mij dus.
In januari waren we getuige van een andere, nog opwindender,
gebeurtenis. Over ons kamp vlogen zomaar ineens twee vliegtuigen met het KNIL
embleem (een omgekeerde oranje driehoek omlijst door een donkere streep) boven
het kamp. Bovendien waren zij, als ik het me goed herinner, onder een vleugel
beschilderd met een Nederlandse vlag. Afweergeschut was er kennelijk niet want
de vliegtuigen maakten ongestoord, ons groetend door met hun vleugels te
wiebelen, een paar passes over het kamp. Natuurlijk had het luchtalarm
geklonken en was iedereen de barakken in gevlucht. Maar ineens riep iemand dat
het ‘onze eigen vliegtuigen’ waren en prompt rende iedereen de barakken
uit. En wat was dat nu? Van de
vliegtuigen maakten zich een paar oranje vlekken los. Het bleken pamfletten te
zijn met teksten die weergaven hoe het Japanse keizerrijk op het punt stond de
oorlog te verliezen. Honderden pamfletten vielen om ons heen. De vliegtuigen
verdwenen. Huilende vrouwen vielen elkaar in de armen. “Ze komen, ze komen”
hoorde je. Wij kinderen hadden alles bijna allemaal in stomme verbazing aangezien
en raakten ook opgewonden. Dat ‘ze’ onze eigen mensen waren begrepen ook wij
wel. Zelf las ik ook een pamflet. Ineens liepen kampbewakers luid schreeuwend
door het kamp. Alle pamfletten moesten worden ingeleverd, iedereen die
naderhand betrapt zou worden op het bezit van een pamflet zou heel streng
gestraft worden. Vrijwel alle pamfletten werden ingeleverd en ik herinner me
niet dat er iemand nog op het bezit van een pamflet werd betrapt. Maar de
berichten die op de pamfletten stonden werden niet vergeten. Helaas duurde het
nog lang voordat de Japanners capituleerden, te lang voor velen. Na een tijdje
hoorde je cynische grapjes zoals “Rood wit blauw, zij komen gauw” met als
antwoord “wit met een rode bal, wij zijn er al”.
Opnieuw moesten we naar een andere barak verhuizen. Vermoedelijk
in april 1945. Weer werden transporten verwacht uit andere kampen. Het grootste
aantal kampbewoners werd begin augustus 1945 bereikt: ongeveer 4200!
Wij verhuisden naar barak 6. We gingen er nu eens niet op
achteruit want we kregen een stapelbed en gescheiden daarvan door een heel smal
gangetje nog een heus gewoon bed toegewezen. Verder konden we op de overdekte
galerij buiten de barak als ‘eigen plekje’ een tafel met twee banken gebruiken
om te zitten en te eten.
Tussen de barakken 5 en 6 was een omgespit veldje waar je een
minituintje mocht houden. Ik kweekte daar een tomatenplant en er kwamen
werkelijk echte tomaten aan. Jammer, jammer, toen de tomaten geoogst konden
worden waren ze verdwenen. Gejat, al kende ik dat woord toen nog niet.
Een andere opmerkelijke gebeurtenis in barak 6 was dat we een
briefkaart mochten verzenden met een voorgeschreven tekst in het Maleis. Het
zal wel iets geweest zijn als “wij maken het goed, zijn gezond en hebben genoeg
te eten” (in andere gevallen moest hier aan worden toegevoegd dat we de Japanse
keizer dankbaar waren voor de bescherming, enz.). Onder geen voorwaarde mocht
op de kaart de plaats van het kamp worden onthuld. Ooit ontvingen we een
briefkaart met een soortgelijk bericht van mijn vader en mijn broer, zonder
verblijfplaats. Natuurlijk was je stikgelukkig met een dergelijk teken van
leven en voelden de vrouwen sterke compassie met hen die niet zo’n ‘kartoe pos’[18] ontvingen. Het kon
betekenen dat je man, vader, zoon, broer, niet meer leefde. Lang na de oorlog
bleek ook dit een deel te zijn van de psychologische oorlogvoering van de
‘Knights of Bushido’, gericht op het ondermijnen van moreel en stemming: van de
geschreven kaarten werd steeds een deel vernietigd om de onzekerheid te vergroten..
Wat valt er van ons korte verblijf in deze barak nog meer voor
uitzonderlijks te melden? Dat we vaak speelden bij de bron tussen barak 6 en
barak 7 misschien? Het kampleven werd steeds ‘normaler’ voor je en als kind
wist je eigenlijk niet wat honger was: ook dat was langzamerhand een ‘normale’ toestand
geworden. Je zorgde er wel voor bij het eten halen voor in de rij van jouw
barak te staan, als er van het eten nog wat over bleef nadat het hele kamp van
eten was voorzien, en jouw barak voor een beetje extra eten aan de beurt was
(dat ging bij toerbeurt), ook dan was het zaak er snel bij te zijn!
Een andere gebeurtenis
in de maanden dat we in barak 6 verbleven was het uitreiken van
voedselpakketten van het Internationale Rode Kruis. Je moest zo’n pakket wel
delen met anderen (een pakket per 5 of 6 personen) maar wat een ongelooflijke
dingen zaten er in. Blikjes boter, kaas in blik en wat was dat nou? Dat bleek
Spam te heten: fijngemalen ham was het of iets dergelijks. Chocolade was er ook
bij en ik weet niet wat nog meer. Een paar dagen genoten we ervan en voelden
ons de koning te rijk. Dat zoiets nog bestond….
Ik kreeg er in die tijd wel een eigen taak bij. Als ik klaar was
met mijn corvee dan was het mijn taak voor ons ‘gezin’ twee geëmailleerde ronde
bakken, de een met een rode rand, de ander met een blauwe rand, te vullen en op
of onder ‘onze’ tafel te zetten. Water was er niet meer de gehele dag en op
deze manier hadden we een reservevoorraadje van ongeveer
Een gerucht ging door het kamp. Er werden vrijwilligers gezocht
om naar een ander kamp, een werkkamp, te worden overgeplaatst. De stemming was
“ik doe het niet, hier weet ik wat ik heb en je weet niet wat je krijgt en
bovendien moet je daar echt werken”. Ik vermoed dat veel vrouwen inmiddels
apathisch van vermoeidheid en honger alleen nog maar negatieve gedachten
hadden, de opleving van de stemming in het kamp na de verkenningsvlucht in
januari was omgeslagen in wanhoop.
Ambarawa, kamp 9
Mijn moeder dacht er anders over. Haar idee was dat het in
een ander kamp niet slechter kon gaan dan in dit kamp. Wat zou het werk zijn?
“Kabeltouwen maken, Japanse sokken en petjes naaien”, werd verteld. Ze gaf ons
op en we werden aangewezen. Begin juli 1945 vertrokken we met in totaal
ongeveer 600 personen (vrouwen en kinderen) naar het nieuwe kamp dat in de
annalen vermeld staat als Ambarawa 9. Het gebouw bleek een voormalige
Katholieke jongens-school met internaat te zijn.
Maar wat een ruimte hadden we om ons heen! Ruim
Ons verblijf in dit kamp duurde niet lang.
Eind augustus beleefden we de Japanse capitulatie.
Op een avond werd een extra avondappèl aangekondigd. Wij, kinderen
werden wakker gemaakt. Wat later stonden we aangetreden in het carrévormige
centrum van het kamp, omgeven door overdekte galerijen. Spanning en kabar
angin[19]. Was er iemand
betrapt bij het smokkelen aan de gedèk? Zouden we collectief worden gestraft? Zou
het kamp weer worden opgeheven? Net nu het ons weer een beetje beter ging? We
wachtten in het schijnsel van een heldere maan. In gedachten zie ik links van
me ook nog de paar klapperbomen die het kamp rijk was. Romantischer is bijna
niet mogelijk maar zo herinner ik het mij.
Rumoer. De Japanse kampcommandant was in aantocht met onze
kampoudste. Maar wat was dat? Onze kampoudste liep voor de Japanner! Het
eerbewijs voor de kampcommandant werd gebracht, de verplichte buiging werd
gemaakt. De kampcommandant en de kampoudste stonden stil, naast elkaar, een
beetje rechts van mij. Nu zou je het hebben.
De kampoudste deed een
stap naar voren en begon te spreken. In het Engels. Woorden die ik niet
verstond maar die ik me toch, deels, herinner: "as a good loser",
"surrendered". Daarna herhaalde ze haar mededeling in onze eigen
taal. De Japanse kampcommandant had, äs a good loser” haar medegedeeld dat
Japan had gecapituleerd. De oorlog was voorbij. Ze gaf ook het advies het kamp
niet te verlaten omdat er onrust onder de bevolking buiten het kamp was omdat
een Indonesische Republiek was uitgeroepen. De rantsoenen zouden worden
verhoogd, eerbewijzen hoefden niet meer te worden gebracht.
Het was even stil. Het was onbegrijpelijk, niet te bevatten.
Vooral voor een kind dat zich nog maar heel weinig herinnerde van de tijd van
voor het kampleven was het onbegrijpelijk. Wat zou er veranderen aan je
dagelijkse leventje? Daar stonden we nu. Ik herinner me vooral de ontroering
die zich als een deken over ons uitrolde. Schuin achter mij begon een
vrouwenstem zacht het Wilhelmus te
zingen en nog tijdens het eerste woord werd ze gevolgd door allen die daar
stonden. Nog steeds hoor ik het, en huil. En huil nog steeds als op 4 mei en op
15 augustus het Wilhelmus gespeeld wordt.
Een paar dagen later, na een paar wandelingetjes buiten het kamp
om de stemming onder de bevolking te verkennen en iets anders te zien dan het
kamp, besloot mijn moeder het er toch op te wagen en terug te keren naar huis,
naar Malang. Dat had zij voor we
geïnterneerd werden afgesproken met mijn vader. Ja, we moesten en zouden terug
naar Malang. Het eerste deel van de reis zou, 's nachts, per trein gaan we naar
Soerabaja.
's Middags pakten we onze spulletjes op om naar het station te
lopen. Maar wat een wonder: op het pleintje voor de wachtgebouwen stonden
sado's en grobaks[20]
ons op te wachten. We kozen een kleine grobak met een paardje er voor. Het was
groot genoeg voor mij en ons beetje bagage, mijn moeder en mijn zus gingen
lopen. De menner was een jongen van een jaar of veertien. We hadden haast geen
geld. Ik had opgevangen
dat mijn moeder er op
rekende dat ze nog wel een zakdoek of een hemd kon ruilen om eten te kopen.
Maar zou het beetje geld dat ze bij zich had wel genoeg zijn om onze bagage
naar het station te brengen? Toen het zover was maakte onze voerman duidelijk
dat hij geen geld wilde en ook geen zakdoek of hemd. Hij was door zijn moeder,
die altijd bij belandafamilies[21] had gewerkt, gestuurd
om de belanda's die uit het kamp kwamen een handje te helpen en zijn moeder had
gezegd dat hij daar niets voor mocht aannemen. Op weg naar het station heb ik
naast hem gezeten en mocht de leidsels een keertje overnemen. Wat voor
avontuurlijke wereld stond me nog te wachten?
Overigens hadden we geluk dat we zo snel het kamp verlieten want
korte tijd daarna werd door een paar fanatieke Indonesiërs een aanslag gepleegd
op het kamp. Zij gooiden handgranaten door een bres in de omheining waardoor
veertig kampbewoners gedood werden. Dat betekent dat er een nog veel groter
aantal gewond werden.
Op het station stond de trein klaar die vroeg in de avond zou
vertrekken. Goederenwagons zonder comfort. We hadden nog meer dan genoeg tijd
voor een kledingtransactie en onze eerste maaltijd buiten het kamp. De
kledingtransactie lukte en toen mocht ik bij een open warong zelf mijn eten
kiezen! Rijst met sajoer rawon[22], taugé en kroepoek
koelit [23] en dat is voor mij
nog steeds een feestmaaltijd. Natuurlijk aten we te veel, dat ondervonden we
gedurende de nachtelijke rit naar Soerabaja. En natuurlijk hadden we geen WC’s
in de goederenwagon die wij deelden met een paar andere vrouwen en kinderen.
En natuurlijk stopte de trein niet vaak genoeg om ons de kans te geven naar
een WC te gaan. Dus deden we om beurten onze behoefte, steunend op een balk
half buiten de wagon zittend, vastgehouden en gesteund door onze
medepassagiers.
Soerabaja, geen kamp maar bij tante Jet
Eindelijk dan: Soerabaja. Het station. We werden ontvangen door
artsen en verpleegsters. Eén van de artsen bleek 'Tante Annie' te heten. Ze
blijkt verre familie van ons te zijn en meer nog: een vriendin. Ze herkent ons
pas als mijn moeder haar bij haar naam noemt: we weten nog niet hoe slecht we
er uit zien in de ogen van hen die buiten de kampen moesten proberen de oorlog
te overleven en het evenmin gemakkelijk hadden. Ook haar man, Oom Noet, ook
arts, wordt door tante Annie geroepen. Ze beslissen dat mijn moeder en ik
gezond genoeg zijn, mijn zuster moet nog even blijven voor verder onderzoek.
Tante Annie zette mijn moeder en mij in een sado, mijn zuster moest nog even
blijven voor verder onderzoek. De sado brengt
ons naar het huis van 'Tante Jet', een verre nicht en daarbij ook, het
wordt eentonig, een goede vriendin. Ze is niet thuis maar we worden ontvangen
door Peter, haar zoon. Vijf minuten nadat Peter ons iets te drinken aanbiedt
worden glazen ijskoude vanillestroop met selassie[24] opgediend. Een
ongelofelijke aanblik, ik zie die glazen nu nog voor me met de tot pareltjes
beslagen waterdamp. Voorzichtig proeven van het zoete, koude vocht met de
selassie die de tong en het verhemelte streelde. "Alsof een engeltje op je
tong piest" was werkelijkheid geworden.
Wat later kwam Tante Jet thuis. Haar man, oom Ka, zat nog in een
kamp. We kunnen blijven zo lang we willen. Nog later komt dochter Ineke thuis,
ze zal tien jaar later met mijn broer trouwen. Nog weer later komt ook mijn
zuster aan. Zo lang we bij Tante Jet logeren (een paar dagen? Of een week?)
worden we onder toezicht van Tante Annie en Oom Noet verzorgd. Het was een tijd
van kleine hapjes eten, kleine slokjes drinken. Niet te veel tegelijk, daar
konden onze ingewanden nog niet tegen. En alles was heerlijk. Geen kandjipap
meer. Echte eieren, melk, rijst met herkenbare stukjes vlees en kip. Eén van de
eerste en lekkerste hapjes was een snee wit brood met boter (of was het de
bekende Blue Band margarine?) en een heerlijk zoete brij die 'jam' bleek te
heten. Op mijn vraag of dat nu een taartje was kreeg mijn moeder, voor mijn verbaasde
ogen, een huilbui.
Malang, eindelijk weer terug
Voort ging de reis. We vertrokken naar Malang. Een veilige reis
kon niet gegarandeerd worden, dat kregen we te horen. Maar we wilden zo graag
terug. En er was toch ook die afspraak met mijn vader, elkaar in Malang weer te
ontmoeten. En waren we niet eerder ook al geconfronteerd met gevaar? We gingen.
Gingen we eerst met een bus en daarna met een vrachtwagen of
omgekeerd? Ik weet het niet meer. In Malang kwamen we laat in de middag aan en
gingen naar Tante Trees, de moeder van de verloofde van mijn zus, die niet
alleen onze oude kokkie maar ook de zorg voor onze huisdieren op zich had
genomen. We kwamen tegen de schemering aan.
De kokkie was helemaal bingoeng[25] en verloor alle
decorum uit het oog. Ze omarmde ons en huilde en omarmde ons opnieuw. Ze kon
niet geloven dat we terug waren en pakte ons dan weer beet en kneep me zachtjes
om zich er van te overtuigen dat echt, betoel[26], wij het waren. Er
werden die dagen heel wat tranen vergoten. Maar ook Teddy, de kleine
draadharige bastaardteckel, hij had vroeger mijn moeder tot zijn privé eigendom
gemaakt, wist niet wat hem overkwam. Het hondje was oud geworden, hij leed nu
aan epilepsie, vallende ziekte. Hij kon zijn geluk niet op. Door de emoties van
de herkenning rolde hij letterlijk van de ene attaque in de andere waarbij hij
op zijn ruggetje terecht kwam en met zijn pootjes in de lucht spartelde.Zo’n
aanval duurde maar enkele ogenblikken. Dan kwam hij overeind, kwam weer naar
ons toe, om weer dol van vreugde een volgende attaque te krijgen.
Ook de volgende dagen werden we vaak niet herkend door onze
vrienden. We waren lopend op weg naar Kajutangan toen Tannie, onze buurvrouw op
de Idjenboulevard ons op de fiets tegemoet reed. Later vertelde zij dat ze op
weg was naar tante Trees om te vragen of die al iets van ons gehoord had. Ze
keek ons nadenkend aan maar herkende ons niet tot mijn moeder zich omkeerde en
zachtjes "Jannie" riep en “herken je me niet meer?” Haar fiets gooide
ze op straat, ze rende, nee, vloog op ons af en zoende en knuffelde ons terwijl
de tranen haar over de wangen liepen.
Van de Jap die ons huis en onze eigendommen had geconfisqueerd
kregen we alles terug wat we nodig hadden. Hij vroeg toestemming in ons huis te
blijven en zorgde voor een ander onderkomen voor ons. Het was een prachtig
huis in de nabijheid van het Coenplein op de hoek van de Speelmanstraat en de
Maetsuyckerstraat. Groot was het huis. Personeel konden we niet betalen. Maar
we woonden er wel met onze eigen meubels, met een badkamer met een douche, met
water en elektriciteit, en met onze eigen radio waarmee we de berichten van PCJ
konden horen, de ‘Peace, Cheese and Joy’ zender, de latere Wereldomroep,
waardoor we weer een beetje contact hadden met ‘Holland’. Helemaal achterin, op
het erf, stond nog een open maar wel afgeschutte mandiekamer die voorzien kon
worden van bronwater. Was er een put? Of een pomp? Geen idee.
Het leven herstelde zich een beetje, oude vrienden kwamen ons
opzoeken en werden bezocht.
In dat huis begon het wachten op mijn vader en mijn broer. We
liepen iedere dag naar de Rode Kruispost die dicht bij ons lag. We ontvingen
brieven. Ze leefden. Ze zouden zo snel mogelijk komen. Maar in de laatste brief
die we ontvingen vanuit Tjimahi, daar hadden zij hun kamptijd doorgebracht,
stond dat ze zouden wachten tot 'de toestand' wat veiliger zou zijn. Teleurstelling.
De dag na ontvangst van die laatste brief, die een week oud was,
kwam 's middags Tante Eusje, een oude kennis van mijn ouders op bezoek. Ze had
nog niets gehoord van Oom Bert. Ze hoopte dat hij nog leefde. Op weg naar huis
wilde ze nog even bij de Rode Kruispost binnenlopen om te zien of er voor haar
misschien een brief was. Mijn moeder en ik liepen mee. Voor het gebouw stond
een vrachtauto. Er stonden ook een paar mannen. Ik dacht één van hen te
herkennen.
“Mam, die man daar lijkt op onze Pappie".
”Nee Hansje, je weet toch wat er in die brief stond? En hij is
zo mager, nee hij kan echt onze Pappie niet zijn."
"Ja maar Mam, die jongen daar lijkt echt op onze Pih (mijn
benaming van mijn broer Frits)".
“Nee, daar is hij veel te groot voor. Nee, dat is heus Frits
niet".
Mijn broer had ons gezien
en ongeveer het volgende gedacht:
"Die vrouw lijkt wel wat op Mams. Maar zo mager? Nee, dat
kan niet. En die jongen dat kan die kleine Hansje niet zijn. Zo groot".
Er was een moment dat moeder en zoon elkaar recht in de ogen
keken. Elkaar zagen. En herkenden.
"Mams".
"Frits".
We hadden de Japanse bezetting overleefd. We waren weer samen en
genoten van elkaar. We hadden elkaar veel te vertellen. Over de kampen, over de
verhuizingen, over de ontberingen, over de manier waarop we hadden overleefd.
We waren gelukkig maar ook bedrukt over wat er stond te gebeuren met ons
temidden van de soms fanatieke aanhangers van de ‘Republik Indonesia’. De
geruchtenmachine werkte op volle toeren. Buiten de steden trokken rampokkende
benden die zich vrijheidsstrijders noemden rond die mensen genadeloos doodden
en soms zelfs tjintjangden[27]. Ook het Indonesische
leger in oprichting had later de grootste moeite deze benden te neutraliseren.
In Malang manifesteerde de vrijheidstrijd zich in hoofdzaak in de opleiding van
de toekomstige leden van de TNI (Tentara Nasional Indonesia), het Indonesische
leger. Exercitie werd geoefend met houten geweren en zo kon je af en toe een
troep aanstaande militairen in uniform keurig marcherend en luid marsliederen
zingend in de straten van Malang tegenkomen. Heel af en toe werd er geschoten.
Op een middag, tegen de schemering, hadden we juist geluisterd naar PCJ uit
Nederland waarbij gezegd werd dat op Java alles rustig was terwijl we in de
straat voor ons huis hoorden schieten!
Al snel kregen de fanatieke republikeinse Indonesiërs greep op
hun landgenoten en werd het hen onmogelijk gemaakt hun producten aan ons te
verkopen. Verder verordonneerden ze onder zware bedreigingen dat Indonesiërs
niet meer voor de Blanda’s mochten werken. Let wel, dit gebeurde allemaal
lokaal en had niets te maken met overleg met hogere instanties van de jonge
Republiek. Het was een nogal ongeorganiseerd geheel: lokaal en regionaal deed
men maar wat en wie de grootste mond had kreeg meestal zijn zin (hé, waar
gebeurt dat nog meer?).
Het gevolg van die bedreigingen was dat we afscheid moesten
nemen van onze oude kokkie die had leren koken van mijn moeder en dat we
langzaam maar zeker door onze rijstvoorraad raakten. Toen gebeurde er
iets vreemds. We
hoorden midden op de ochtend in het huis naast ons veel lawaai. Terwijl mijn
vader en Pih en ik in de buurt van de gemeenschappelijke muur met de buren
stonden te luisteren, vlak naast de onoverdekt mandiekamer achter het
huis, verschenen er ineens twee hoofden
boven de muur. “Maoe apa (wat willen jullie)?” vroeg mijn vader. “Minoem rokok
(roken)” was het antwoord. Een pakje sigaretten kregen ze. En, ongevraagd, een
kop koppi toebroek[28] met suiker. Tenslotte
wisten we maar al te goed dat het een luxe was die je in gevangenschap zelden
ontvangt. Ze vroegen of we nog wel
genoeg rijst hadden. Nee, dat was niet zo. Ze boden aan voor rijst te zullen
zorgen als we betaalden. Mijn vader gaf hen zonder illusies op een
tegenprestatie een biljet van 10 gulden. ’s Middags hoorden we een schreeuw,
kennelijk om ons te waarschuwen, en werd een zware jutezak over de muur
gegooid. Een van de twee koppen verscheen nog even: ze hadden geen rijst kunnen
vinden maar de inhoud van de zak was rode rijst (zeer voedzaam, veel voedzamer
dan witte) gemengd met maïs. En oh ja, hierbij was het geld terug want dat
hadden ze niet nodig gehad!!!
Een paar dagen later werd bij ons huiszoeking gehouden door een
man of vier en moest mijn vader uitleggen waar allerlei elektrische
instrumenten voor dienden die hij als praktijkvoorbeelden bij zijn lessen
natuurkunde had gebruikt of die hij gewoon ooit gekocht had om daarmee te
experimenteren. Ik herinner me dat de huiszoekers nogal onder de indruk van
zijn kennis weer verdwenen. Maar de volgende dag werden mijn vader en mijn
broer opgehaald en werden ze weer geïnterneerd. Nu werden ze in Malang in het
vroegere Lands Opvoedings Gesticht (LOG) voor vrouwen (bijgenaamd ‘De Kleine
Boei’) opgesloten. Ik denk dat ze een dikke twee weken bij ons thuis zijn
geweest. Na aanloopproblemen schijnt het regime daar redelijk te zijn geweest
en kregen ze genoeg voedsel. Wel lagen ze in het begin vaak met twintig of meer
mensen op een zaaltje van zes bij zes meter zodat ze wel konden liggen maar
zich niet konden omdraaien. Het beroerdste dat hen daar overkwam was dat mijn
vader wondroos kreeg. Een dag nadat hem verteld werd dat hij door de kamparts
niet geholpen kon worden omdat medicijnen ontbraken en zijn lot min of meer
vaststond werden er door vliegtuigen pakketten gedropt op het terrein naast hun
gevangenis. In tegenstelling tot de ervaringen met de Japanners werden de
pakketten door de Indonesische kampleiding ter beschikking gesteld van de
gevangenen. De hulp kwam voor mijn vader niets te vroeg. Na een korte
sulfakuur, in die tijd een nieuw en revolutionair middel, was hij genezen.
Malang, Goentoerkamp
Ook wij, mijn moeder, zuster en ik werden niet lang daarna, in
november 1945, geïnterneerd in een deel van de vroegere Wijk. Ook Teddy, ons
oude hondje, mocht mee. Deze wijk werd het ‘Goentoerkamp’genoemd, waarschijnlijk
omdat de Goentoerweg daar als een as doorheen liep. Nu werd de Theresiakerk
binnen de kampgrenzen gehouden en werd toegestaan dat daar gekerkt kon worden
en werd de belendende pastorie bewoond door twee pastoors. Natuurlijk was ook
dit kamp weer afgezet met een hekwerk van prikkeldraad en gedèk. Het kamp
raakte al snel overbevolkt, zo’n 9000 mensen, vrouwen, kinderen, jongens jonger
dan 14 jaar en oude mannen van boven de 60 uit Malang en omgeving woonden in
deze wijk van Malang. Zelf kregen we een kamer in een huis aan de Tampomasweg
toegewezen. In het huis woonde eerst ‘tante Berber’ van Rijn helemaal alleen.
Zij bewoonde een woonkamer en een slaapkamer. In de garage woonde een ander
gezin waar een zoontje, Jos, bij hoorde. Het weinige voedsel dat verstrekt werd
moest je zelf koken en dat deden we op een anglo onder een afdakje in de tuin.
Gek genoeg herinner ik me van die tijd vooral dat het leven vrij
ontspannen was. Er waren geen appèls en je had vrij veel ruimte, zeker als
kind. Kinderen speelden heel vaak onderling op straat zowel als in het
Merbaboepark. Daar speelden we vooral kastie, een spel waar je helemaal
verslaafd aan kon raken.
In een deel van het park stonden een paar struiken met
prachtige, gele, grote trechtervormige bloemen. Er werd me verteld dat het
allemanda’s waren. Van een vriendje leerde ik dat in het puntje van de trechter
een druppel ‘honing’ te vinden was. Vaak stond ik in tweestrijd: ik kon of
genieten van de bloem of van de honing. In ons huis hangt sinds jaar en dag een
schilderijtje van een allemanda, zo’n vijftig jaar geleden gemaakt door mijn
oom Frits Kievits. Het is nog steeds mijn lievelingsschilderij en ik zou het
niet graag kwijt raken.
’s Avonds was het soms wel spannend in de Wijk omdat er dan wel
eens dieven het kamp binnen kwamen. Dan werd er met metalen voorwerpen op
lantaarnpalen geslagen en schreeuwde iedereen “maling[29], maliiiing”. Omdat
het meestal gebeurde in stikdonkere nachten, veel straatverlichting was er
niet, verbeeldde je je soms dat je iemand zag vluchten of in de achtertuin zag.
Spannend hoor.
Aan boeken was geen
gebrek in het huis van tante Berber. Naast de boeken die ik van de
kampbibliotheek kon lenen mocht ik van haar ook boeken uit haar voorraad lenen.
Ze had heel wat boeken die ook voor mij interessant waren. Ik maakte kennis met
Winnetou en Old Shatterhand (ongelooflijk dat die boeken door Karl May, een
Duitser, geschreven werden op basis van puur papieren kennis), met jaargangen
van tijdschriften waar veel in stond over ‘moderne’ vliegtuigen zoals de
Spitfire en de B-25 (de modernste Amerikaanse bommenwerper in die tijd) en met
de voorlopers van het stripverhaal zoals ‘de avonturen van Bruintje Beer’, ‘Dik
Bos’ (de detective die jiu-jitsu perfect beheerste en daardoor gevaarlijke
boeven zonder wapengebruik kon uitschakelen). Nee, verveeld heb ik me in het
Goentoerkamp niet.
Vrij frequent vloog er een vliegtuig boven het kamp, een
tweedekker die waarschijnlijk gebruikt werd als lesvliegtuig of om met hoogwaardig-heidsbekleders
een rondvluchtje te maken. Dat vliegtuigje was natuurlijk ‘helemaal nèks’ als
je het vergeleek met die nieuwe vliegtuigen in tante Berbers tijdschriften.
Later begreep ik dat het een Tiger Moth was, voor ons was het ‘de Koffiemolen’.
Nog veel later mocht ik op Biak, 1962, zelf een rondje mee met een vlieger,
Rudy Liem, in zo’n koffiemolen. Toch wel lollig.
Een evenement was dat op een dag alle kampbewoners bij elkaar
moesten komen in het Merbaboepark.
Kabels werden uitgerold, luidsprekers werden opgesteld, een microfoon werd
aan een rare doos bevestigd en toen kregen we een paar sprekers
te horen die het hadden over het verderfelijke kolonialisme van Nederland, over
de nieuwe staat Indonesia, over het lichtende voorbeeld van Multatuli die in
zijn beroemdste boek (Max Havelaar) een lans gebroken had voor het volk. Een
goed stuk propaganda, dat begreep zelfs ik als tienjarig mannetje. Het duurde
nog heel lang voor ik dat boek kon lezen en nog veel langer voor ik wist dat
Multatuli nog veel meer had geschreven en daaraan de bijnaam Multitoelis
(toelis is het Maleise woord voor schrijven) te danken had in Indië.
Een pijnlijke herinnering aan die tijd was iets dat me bij het
voetballen op straat overkwam. Naast de straatkant waren bermen van gras. Toen
de bal, nou ja bal, het was denk ik een prop papier in een zak, in de berm
tegen een hek lag wilde ik die wel even ophalen. Daarbij trapte ik in de
afgebroken ziel van een
groene fles. Jawel, ik
bloedde als een rund en krijste als een mager varken. Dat werd denk ik
veroorzaakt door al het bloed want even later merkte ik dat het niet zo heel
erg pijnlijk was. Het gebeurde voor het huis waar we woonden en supersnel werd
ik opgepikt en werd ik door de hulptroepen onder leiding van de moeder van het
gezin dat in de garage woonde met de voet in een emmer water gezet om de wond
te ontsmetten. Even later legde zij een drukverband aan. Dat drukverband was
een zakdoek en voor extra druk zorgden repen van een aan stukken geknipte
droogdoek. Zo stopte het bloeden na een tijdje. Ach wat was ik zielig in het
middelpunt van de belangstelling. Gelukkig genas de wond heel snel.
Iets heel anders was dat ik op het gebied van sex mijn eerste
lessen kreeg van Jos, een iets oudere buurjongen. Hij had veel belangstelling
voor meisjes maar ook voor mijn
piemel(tje). Als het donker was rommelde hij wat aan. Overdag beslopen we
groepjes meisjes om te kijken wat zij deden. Als ze niet aan het touwtjespringen
waren of tikkertje speelden dan waren ze volgens Jos vast wel over ‘neuken’ aan
het praten. Hij moest me wel even uitleggen wat dat betekende maar toen begreep
ik ook waarom hij die meisjes wilde afluisteren. Als een meisje geneukt had dan
kon je dat aan haar zien, volgens Jos, want dan liep ze met haar buik een
beetje vooruit! Bij die meisjes was er een met, vermoed ik nu, het begin van
een rijstbuikje door ondervoeding. Zij liep altijd met haar buik een beetje
vooruit. Volgens de leer van Jos deed ze dus de hele dag niets anders dan… nou
ja, nou weet je het wel. Kennelijk vond ik het onderwerp weinig fascinerend en
voelde ik me meer aangetrokken tot sport en spel. Daar deden overigens ook die
‘keetjes’ (meisjes) aan mee.
Achteraf denk ik dat Jos wel invloed op me had omdat ik, toen ik
later wist dat hij niets anders dan onzin had uitgekraamd, nooit meer
voetstoots accepteerde wat anderen aan hele of halve waarheden verkondigen of
schrijven.
Nog een evenement uit die tijd was dat mijn vader en moeder
besloten hun huwelijk te laten inzegenen door de pastoor. Een gebeurtenis die
mijn broer later de opmerking ontlokte dat hij tot op dat moment dus eigenlijk
een buitenechtelijk kind was geweest!
Wat nu komt is een verhaal dat we tegenwoordig niet zo goed meer
zouden begrijpen. Mijn vader was NH (Nederlands Hervormd, dus protestant). Mijn
moeder was RK, Rooms Katholiek dus. De RK kerk wilde een dergelijk gemengd
huwelijk wel goedkeuren maar stelde daarbij de eis dat de kinderen uit zo’n
huwelijk RK zouden worden opgevoed. De aanstaande echtelieden moesten dat
beloven. Dat deden mijn ouders en vervolgens trouwden ze voor de wet zonder hun
huwelijk verder door de RK kerk te laten inzegenen. In Nederland zou dat een
hoop ellende hebben veroorzaakt maar in Indië was er niemand die daar een zaak van
maakte, de kinderen werden in de RK kerk gedoopt en kregen ook verder een RK
opvoeding. Waarom nu ineens die inzegening?.
De verklaring was heel simpel. Mijn vader en mijn broer kregen
toestemming een paar uur bij ons in het kamp te verblijven en daar ging maar
een kort moment van af voor de trouwelerij (zo noemde eens een Indische man in
Indonesië het sluiten van het huwelijk). Voor die kon beginnen en we
gezamenlijk een feestje konden vieren moesten mijn vader en mijn broer even hun
sokken en schoenen uit doen. Die zaten ongemakkelijk omdat er minibriefjes in
zaten van mannen in hun kamp voor hun vrouwen in ons kamp. Ook op de terugweg
waren ze beladen met briefjes die verborgen waren op allerlei plekken, onder
andere in hun sokken en schoenen,
De volgende hereniging was op de dag voordat we geëvacueerd
werden. De evacuaties waren het gevolg van een overeenkomst tussen de
belanghebbende partijen: de Indonesische Republikeinen en de Nederlandse
regering. Het belang van Indonesië was dat de staat in het buitenland
tegenwerking ondervond in zijn streven naar onafhankelijkheid omdat het burgers
gevangen hield. Nu werden transportschema’s opgesteld waarbij mannen en vrouwen
uit een gezin werden ingedeeld in hetzelfde transport en op de dag voor het
transport herenigd werden. De huisdieren mochten niet mee.
Dag Malang….
Eindelijk was het zo ver. We waren aan de beurt. Wanneer was
het? In juni of juli 1946 vermoed ik, acht of negen maanden nadat we het
Goentoerkamp in trokken. Maar eerst de hereniging. Zouden we nu echt niet meer
uit elkaar gehaald worden? De vreugde van het weerzien was groot. De volgende
dag was het zo ver. Maar Teddy dan, het oude hondje?. Daar moesten we afscheid
van nemen, hij was te oud, te ziek en te gebrekkig om opnieuw te worden uitbesteed.
De prognose was dat hij dan heel snel zou komen te overlijden. Een uur voor we
ons moesten verzamelen voor het transport kwam er een heel sympathieke
Indonesische arts. Tedje had de vorige dag nog een extra lekker hapje gehad dat
voor hem bewaard was. Hij werd door mijn moeder op schoot genomen, ik mocht er
bij blijven. De dierenarts onderzocht hem nog even en troostte ons dat het echt
het beste was voor Teddy hem nu, op de schoot van mijn moeder, te laten
inslapen. Natuurlijk huilden we en weer troostte de man ons. Een minuut later
was het leven van Teddy voorbij. In de tuin werd hij begraven in een diepe
kuil. We konden op weg.
Per vrachtauto werden we naar het station gebracht en konden
instappen. De trein werd niet geblindeerd en was niet overvol. Iedereen had een
zitplaats! Zo konden we afscheid nemen van de landschappen van ons
geboorteland. We gingen naar het station van Solo (Soerakarta) en werden van
daar uit naar een kampement buiten Solo vervoerd, weer op vrachtauto’s. Dat
kampement bestond uit barakken en ja hoor, daar werden de mannetjes en de
vrouwtjes weer van elkaar gescheiden maar dan wel binnen de grenzen van het
kamp. Voor zover ik me herinner werden we daar goed verzorgd en zelfs verwend.
Hoe verder? Een paar dagen later werden we, natuurlijk weer per vrachtauto,
naar het vliegveld van Solo gebracht waar heuse vliegmachines op ons stonden te
wachten. ‘Dakota’s’ zijn het, werd gezegd. Volgens de plaatjesboeken van tante
Berber waren het Douglas DC-3s. Later werd me duidelijk dat de Dakota de
militaire versie van
de DC-3 was. We stegen op en landden na een dik half uur op het vliegveld van
Semarang. Tijdens de landing hoorden we een machinegeweer schieten. We werden
gewaarschuwd dat we naar het platform zouden worden gebracht dat zo dicht
mogelijk bij de deur van het stationsgebouw lag en dat we na het uitstappen zo
snel mogelijk moesten proberen het gebouw in te komen omdat ook het platform
wel eens onder Indonesisch vuur lag. Alles verliep zonder schieten. We werden
door Nederlandse verzorgsters en verpleegsters ontvangen. Nu voelden we ons pas
echt VRIJ.
Na een eerste onderzoek werden op vrachtwagens verder gebracht
naar een paar grote gebouwen die dienden als opvangcentrum. Eerst werden we
ontluisd. Je moest je daarvoor helemaal uitkleden, natuurlijk vrouwtjes en
mannetjes apart, en je kleren bij elkaar leggen. Eerst kreeg je zelf een stoot
uit een DDT spuit en daarna werden je kleren op de zelfde manier behandeld. Na
een korte rust, eerst moesten de luizen dood, moesten we douchen en wel zo lang
mogelijk om de DDT van je lijf te krijgen. Kleren uitkloppen en aankleden. Dan
krijgen we brood. Jawel, met boter. En met allerlei heerlijkheden. Langzaam
werden we weer mens.
We werden ingedeeld in slaapzalen en weer: vrouwtjes en
mannetjes apart. Er was een vast regime van de dag: opstaan, ontbijt,
middageten, avondeten, lichten uit. Verder waren we vrij te gaan en te staan
waar we wilden. Kregen we ook geld uitgereikt? Ik weet het niet meer maar dat
zal wel want ik herinner me dat we een paar keer in een sado, hetzelfde
voertuig als een dokkar, ergens naar toe gingen. Ook herinner ik me vaag dat we
tante Jeanne en oom Hans Neuberger hebben opgezocht Oom Hans was als ervaren
chirurg directeurgeneesheer van het RK ziekenhuis in Semarang. Hij was mijn
peetoom. Ze waren heel blij ons te zien en onze verhalen te horen.
Opnieuw Soerabaja, bij Tante Jet en Oom Ka
Na ongeveer een week werd de wens van mijn ouders, naar
Soerabaja te mogen, gehonoreerd. We vertrokken, per vrachtwagen natuurlijk maar
nu van Amerikaanse makelij, naar de haven en werden vervolgens met bootjes naar
het KPM-schip ‘Ruys’ gebracht dat op de rede van Semarang lag. In de ruimen
werd ons een plaats toegewezen. Het was daar bloedwarm dus bleef iedereen, ook
gedurende de nacht, aan dek. ’s Morgens zagen we een stad voor ons, het was
Soerabaja al. De ontscheping duurt een tijd maar Woutertje Pieterse zei al:
“geduld is zulk een schone zaak, en schenkt het mensdom veel vermaak”. Opnieuw
worden we naar een opvangcentrum gebracht en moeten mannetjesmensen de ene kant
op en vrouwtjesmensen de andere kant. We worden gered door het verschijnen van
tante Jet en oom Ka(rel) Indorf, ik zag hem hier voor het eerst, die ons willen
meenemen. Hoe ze te weten zijn gekomen dat we in aantocht waren weet ik niet.
Werkte toen de telegraaf al, of de telefoon? We werden even later afgehaald
door een klein model vrachtwagen waar ‘Oom Rijn Barkeij’ in reed (was hij
militair?) en die hij naar zijn vrouw (tante Black) ‘Blacky’ gedoopt had. Was
het een vrachtwagentje of een zogenaamde master jeep (een vergrote jeep)? Geen
idee.
In elk geval waren we welkom bij tante Jet, oom Ka, Peter en
Ineke (pas later ben ik haar Ine gaan noemen). Het huis aan de Sumatrastraat
(was het 103?) werd door velen bewoond. Want behalve de Indorf familie en wij
woonden daar ook tante Black en oom Rijn met hun kinderen Thijs en Kine (of
Kina) en een paar kippen en eenden.
De buren van tante Jet en oom Ka herinner ik me nog, het waren
tante Cato en oom Rel. Vond het toen al heel grappig dat de een oom Ka was en
de ander oom Rel. Tante Cato was waarschijnlijk het prototype van de Indische
vrouw. Zij bestierde het huishouden en droeg als teken van waardigheid ‘de
sleutelbos’ aan een koord om haar middel. Die sleutelbos bevatte alle
huissleutels inclusief de sleutels van de goedangs. Alleen de vrouw des huizes
beschikte over de sleutelbos, de mannelijke wederhelft had daar niets over te
vertellen. Alleen de vrouw des huizes besliste over het eten en de inkopen en
overlegde daarover met de kokkie. Alleen de vrouw des huizes regeerde en
commandeerde het personeel maar ook de huisgenoten, inclusief de echtgenoot.
Bovendien was, een belangrijke eigenschap van de Indische huisvrouw die het
leven kende, ook tante Cato buitengewoon gastvrij. Ze was ook nogal
vergeetachtig. Zo kon het gebeuren dat tante Cato tot je stomme verwondering
vroeg, als je bij haar was, of je even wilde hebben haar bril te zoeken. Maar
die zat toch op haar voorhoofd? Als je haar daar attent op maakte schoot ze in
de lach en sloeg zich met haar vlakke hand op het voorhoofd.
Van die tijd herinner ik me ook nog dat ik weer naar school
moest. Daar moest ik tafels leren. Vooral de tafels boven de 10 vond ik lastig maar
mijn vader, ook een schoolfrik, leerde me allerlei kunstjes om die tafels in
mijn kop te stampen. Verder speelde ik veel met Thijs en Kine, die zich niet onbetuigd liet bij het
klimmen in bomen en op de daken. Dat gebeurde allemaal in hansop of wel tjelana
monjet[30], kleding die wat
gerieflijker was dan de verplichte nette kleding die ik naar school moest
aantrekken. We verkenden gezamenlijk ook een brede (brand?) gang naast het
huis. Die bleek tot de volgende straat, een brede boulevard waar na verloop van
tijd ook een tram in reed, door te lopen.
Mijn vader kreeg werk op een school toegewezen. Hij was nog zwak
in die tijd door de ontberingen gedurende de Japanse bezetting en de Bersiap[31] periode. Daarom moest
hij elke ochtend een half of een heel blik havermoutpap eten. De eerste keren
vond hij dat wel lekker maar na een week wordt dat minder en na twee weken
begon het hem tegen te staan. Maar hij zette door. Ik weet niet meer hoe lang
hij het volhield maar langzamerhand werd hij sterker. Omdat hij nog recht had
op Europees verlof (zo heette ook na de oorlog nog de verlofregeling waarbij
een Nederlandse ambtenaar om de zes jaar recht had op een heel of half jaar
verlof met behoud van salaris) verzocht hij om passage naar Nederland. Een
tijdlang hoorde hij alleen maar dat alle plaatsen op schepen naar Nederland
nodig waren voor het vervoer van zieken en gewonde militairen.
Ineens kwam er een enorme verandering in ons gezin. De verloofde
van mijn zuster, Joop, was inmiddels officier bij het KNIL. Hij berichtte dat
hij graag met mijn zuster herenigd wilde worden, dat hij naar Batavia was
overgeplaatst en of zij niet zo spoedig mogelijk ook naar Batavia wilde komen.
Dat wilde zij wel. Al snel kwam een stoel op een militaire vlucht naar Batavia
beschikbaar en namen we afscheid van haar. Al gauw kregen we bericht dat ze zo
snel mogelijk wilde trouwen en dat gebeurde toen zonder onze aanwezigheid.
Trouw werd door ons voor haar gebeden tijdens onze wekelijkse kerkgang. Daar
hoorde ik voor het eerst een mis van Mozart tijdens een Hoogmis. Mijn broer Pih
was in die tijd een toonbeeld van devotie: hij ging in het begin elke dag naar
een vroegmis en was zo een trouwe klant van de RK kerk.
Het leven in Soerabaja kwam weer wat op gang. Voor het eerst
ging ik, onder begeleiding van broerlief weer eens naar de bioscoop. Voor het
eerst zat ik in een tram. Voor het eerst zat ik in een echte jeep bij oom Wim
Tuijbens. Hij was militair en huisvriend van tante Jet en oom Ka. Ik mocht
zelfs eens bij hem in de kazerne slapen! Als dat geen avontuur was?
En toen was het ineens op! Er kwam een berichtje dat we op 28
augustus 1946 naar Nederland konden vertrekken per MS (motorschip) Oranje en
dat we op die datum om zo en zo laat aan de kade van de haven
van Soerabaja werden
verwacht.
Daar stonden we dan op die dag en de aangegeven tijd. We namen
afscheid van allen die ons kwamen uitzwaaien. Van alle anderen hadden we al
afscheid genomen. Er werd een LCT (Landing Craft for Tanks) tegen de kade
aangemeerd. We mochten aan boord en werden naar de Oranje gebracht via Straat
Madoera. De Oranje kon niet, zonder risico, dichterbij komen omdat van Madoera
af schepen in de Straat onder vuur werden genomen. De LCT laat zijn stoomfluit
horen en op dat moment zie ik mijn grote vriend, oom Wim Tuijbens nog komen
aanrennen om ons uit te zwaaien. We kunnen elkaar nog net, terwijl de LCT al
achteruit stoomt, een hand geven. Ik bedenk me geen moment, gris hem zijn
militaire petje van het hoofd en zet het op mijn eigen hoofd. Hij roept nog het
ding terug te gooien maar dat doe ik niet. Sorry oom Wim, nog steeds heb ik
geen wroeging van mijn euvele daad.
De LCT vaart door Straat Madoera. In de verte zien we een
reusachtig schip liggen. De Oranje was het vlaggenschip van de Stoomvaart
Maatschappij Nederland en was in die tijd uitgerust als hospitaal en kerkschip.
Heel bijzonder was dat het op de hele wereld zo ongeveer het enige schip was
dat niet meer dan één mast had en wel op het voorschip. Wat er na de
ziekenzalen nog over was aan accommodatie werd gebruikt voor de ‘Repatriëring’
van de overlevenden van de kampen. Ineens worden we op de LCT gewaarschuwd
onder het bovendek te blijven omdat we nu de plaats naderen waar nogal eens op
schepen wordt geschoten. Er werd ons verzekerd dat ons dan niets kon gebeuren
omdat de LCT’s aan de zijkanten gepantserd waren. Zonder problemen meren we wat
later aan bij de Oranje. Mijn moeder krijgt een bed in een semi-luxehut, mijn
vader krijgt een bed op een andere afdeling en mijn broer en ik worden op de
voormalige kinderspeelzaal ingekwartierd. Direct test ik mijn bed. Het voelt
heerlijk zacht aan. Geen wonder want op de harde onderlaag rusten twee
matrassen.
We gaan weer aan dek. De scheepstoeter loeit twee keer. Oei wat
een geluid, je voelt het door je hele lijf. Het anker wordt opgehaald en
langzaam komt er beweging in het schip. In de verte zien we Soerabaja en
Madoera verdwijnen. We zullen, voordat we naar ‘Holland’ vertrekken, eerst nog
een paar dagen aanleggen in Batavia.
Maar dat is het begin van een ander verhaal.
Nabeschouwing
Om verschillende redenen heb ik er behoefte aan een
nabeschouwing vast te knopen aan dit uitgebreide verslag van de tijd in en
buiten de kampen. De eerste opmerking daarbij is dat ik heel weinig kampfoto’s
ben tegengekomen in diverse documentatie die ik heb geraadpleegd om dit deel
van mijn herinneringen voor te bereiden. Wat wel aanwezig is zijn allerlei
getekende impressies en daarvan heb ik een aantal aan de tekst toegevoegd. Daarbij
komen de verschillende plattegronden van de kampen. Ook nu heb ik geprobeerd
mijn verhaal niet al te saai te maken en te verluchtigen met grafische
toevoegingen.
Al eerder heb ik in het deel over het Goentoerkamp gemeld dat er
een duidelijk verschil in sfeer was tussen het verblijf in de Japanse kampen en
die in het Goentoerkamp. We voelden ons vrijer, dat is althans mijn subjectieve
beoordeling, dan onder Nippon. Het verschil was vermoedelijk niet alleen het
duidelijke cultuurverschil tussen de Japanners (geweldscultuur tegenover
‘minderen’) en de Indonesiërs, hun cultuur kenden we wel zo’n beetje, maar
misschien heeft ook een rol gespeeld dat we ons echt gevangenen voelden bij de
Japanners terwijl we wisten dat we door de Republik Indonesia in feite gegijzeld
werden om zo gunstig mogelijke condities te bewerkstelligen tijdens
onderhandelingen met Nederland. Dat we geëvacueerd werden gebeurde onder druk
van politieke machten en de publiciteit in Amerikaanse en Australische pers:
Indonesië kreeg een slechte reputatie omdat ze onschuldige burgers gevangen
hielden.
Over de factoren die de stemming en het moreel van de
kampbewoners in de Japanse kampen negatief beïnvloedden, heb ik slechts summier
geschreven. Uit allerlei aantekeningen kan ik in deze nabeschouwing een
redelijk overzicht geven van die factoren die vaak geleid hebben tot
collectieve maar vaker individuele wanhoop die soms resulteerde in apathie. Wie
de kamptijd het best overleefden, zonder al te grote schade aan geest en
lichaam, waren zij die een redelijk optimistische kijk op het leven hadden,
gepaard gaande met de vaste overtuiging dat er, hoe en wanner dan ook, een
einde zou komen aan deze overheersing.
Laten we de factoren eens bekijken, de volgorde waarin ik ze
noem is willekeurig:
angst voor de vreemde heerser. Die angst werd gevoed door het
cultuurverschil en de verhalen over en de confrontatie met wreedheden en
martelingen. Daarbij komt dat de Europese bevolking zich enorm vergist heeft in
de Japanse kracht. Voor de oorlog werden de Japanners gezien als mensen zonder
eigen ideeën die alles van het Westen kopieerden en overnamen: men keek neer op
‘de’ Japanner. Een andere fout is geweest dat men kennelijk de ogen sloot voor
de manier waarop Japan eerder al, in de dertiger jaren, Mandsjoerije veroverde
en hoe het daar tekeerging. Dat had al een duidelijke waarschuwing moeten zijn,
net zoals het optreden van de Duitsers in Polen dat had moeten zijn voor
Europa;
vervreemding heeft een grote rol gespeeld. Bekend is geworden
dat die behoorde tot de psychologische oorlogvoering in de strategie van de
Japanners. De verhuizingen van kamp naar kamp en verhuizingen binnen de kampen
zijn zeer duidelijk met opzet gedaan;
een zeker even grote rol heeft de honger gespeeld. Het valt niet
mee allerlei relatief zware corveeën te doen op een hongerdieet van pak weg
1300 Kcal per dag. En wie zich onttrok aan die corveeën onttrok zich ook aan
haar of zijn persoonlijke verantwoordelijkheid omdat dan een ander dat corvee
moest doen of erbij moest nemen. In hoeveel bochten werden sommige mensen in
die tijd gedwongen om toch een beetje zelfrespect te behouden? Overigens werd
geprobeerd de honger enigszins te compenseren: zowel in de vrouwenkampen als in
de mannenkampen werden door de kampbewoners recepten overgeschreven uit
kookboeken of uit door anderen overgeschreven recepten. Zo ontstonden zeer
persoonlijke kookboeken. In mijn kast staat een mapje waar in kriebelschrift de
door mijn vader overgeschreven recepten in staan. In dat zelfde mapje staan ook
zijn “Vragen aan God”;
naast de honger heeft het ontoereikende en onvolwaardige
voedsel, gepaard aan het gebrek aan medicijnen, geleid tot een toename van
ernstige ziekten en sterfte. Wie ziek werd kon vaak rekenen op een confrontatie
met de dood, eenvoudigweg omdat er geen medicijnen waren. Als je dan achteraf
hoort en leest dat die medicijnen door het Internationale Rode Kruis destijds
wel werden geleverd maar dat de Japanners die medicijnen zelf gebruikten dan is
het moeilijk niet boos te worden en hen niet voor gewetenloze schurken te
houden;
ook de ruimtebeperking die uiteindelijk leidde tot een ‘eigen’
ruimte van niet meer dan
gebrek aan inzicht in de voortgang van de oorlog leidde tot de
vraag “hoe lang nog?” Die vraag leidde dan weer tot geruchten in de trant van
“nog vier weken, echt, dan zijn ze er” en met ‘ze’ werden dan de Geallieerden
bedoeld. Een dergelijk gerucht leidde dan weer tot een tijdelijke opleving van
optimisme en tot een afgrond van wanhoop als de genoemde periode verstreken
was;
tot slot een factor die weinigen graag onder ogen zien.
Enerzijds was er in de kampen het besef van saamhorigheid en wederzijdse
loyaliteit. Maar een hongerige maag en wanhoop hebben soms ook geleid tot
diefstal en bedrog.
Degenen die zich daar schuldig aan maakten, hadden daarna bijna altijd weer
last van wroeging. Zij werden niet zelden een zielige afspiegeling van in
andere omstandigheden grootse mensen.
Uit latere ontmoetingen met kampbewoners van mijn leeftijd of iets
ouder blijkt dat we allemaal op de een of andere manier hebben geleden van het
oorlogsverleden. Ook is soms opvallend dat je, zonder het te weten, soms een
paar maanden niet alleen in het zelfde kamp woonde, dat overkwam me bij
‘Frouwien’en bij ‘Teun’, maar dat je soms ook een paar maanden in elkaars
directe nabijheid (op
Ik durf de stelling wel te verkondigen dat in alle oorlogen
situaties van barbarij, wetteloosheid en daarmee gepaard gaande rechteloosheid
regelmatig voorkomen. Natuurlijk, er is het oorlogsrecht, nog voor een deel
gebaseerd op de wat antieke conventies van Genève, aangevuld met verdere
bepalingen. Maar wat is een oorlogsmisdaad?
Theoretisch maakt de nerveuze infanterist, die op een patrouille
ziet dat zijn maatje naast hem wordt neergeschoten en in reactie daarop zijn
snelvuurwapen leegschiet op een groepje onschuldige mensen en kinderen die in
de buurt staan van de plek waar het schot vandaan kwam, zich schuldig aan een
oorlogsmisdaad. Maar geldt het zelfde niet voor de piloten die doelen
bombarderen waarbij je de potentiële tegenstander niet kunt zien terwijl zij
weten dat bij dat soort aanvallen ook onschuldige burgers het slachtoffer
kunnen worden. Dat soort massavernietiging op afstand, bevolen door een op een
nog veel grotere afstand opererende oorlogsstaf maakt de huidige vormen van
oorlog tot een haast technisch bedrijf en daardoor onmenselijker en barbaarser
dan ooit. De kans op vormen van genocide wordt door die vertechnisering in
dienst van de oorlogsstrategie mijns inziens vergroot omdat de mens in die
strategie nog maar een geringe rol speelt. Mensen en steden zijn verworden tot
‘targets’ met een liefst door een computer geleverde identificatie.
Ook kenmerken sommige oorlogssituaties zich door een tijdelijk
machtsvacuüm dat kan voortkomen uit antipathieke gevoelens en haat waardoor
militairen zich niet meer verplicht voelen zich aan de oorlogswetgeving of
morele normen te houden. Dat machtsvacuüm kan eveneens worden veroorzaakt door
onduidelijke instructies of volledig gebrek aan instructies. In dergelijke,
oncontroleerbare, ongecontroleerde of onbeheersbare situaties is het soms maar
een kleine stap naar immorele acties die deel uitmaken van de wetteloosheid
tijdens dat machtsvacuüm. En wetteloosheid schept de gelegenheid die kan leiden
tot rechteloosheid waar de onderliggende partij het slachtoffer van wordt.
Voorbeelden hiervan zijn er te over en kunnen variëren van volkerenmoord (Kosovo)
tot het gedrag van bewakers van gevangenissen (Iraq) en gevangenkampen.
Door de confrontatie met de wreedheid en excessen in deze
situaties en met de daders daarvan dreigen we te vergeten dat de daders in hun
daden vaak aangemoedigd worden door meelopers en passieve reacties. Dat geldt
overigens niet alleen voor oorlogssituaties: we zien het in de dagelijkse
berichtgeving over bij voorbeeld groepsverkrachtingen, drugshandel, witte
boorde criminaliteit, fraude op grote en kleine schaal en financiële en beursschandalen, om maar wat te noemen. Soms vraag je je af of
een mens zich alleen maar aan morele normen houdt als er overduidelijk toezicht
aanwezig is en overtredingen van die normen zwaar bestraft worden.
Slotopmerkingen
Mijn eerste slotopmerking betreft de capitulatie van Japan
waardoor de Tweede Wereldoorlog
beëindigd werd. Die capitulatie werd mede veroorzaakt door de atoombommen op
Hiroshima op 6 augustus 1945 en Nagasaki drie dagen later. Er is van de kant
van vele moraalridders veel kritiek geweest op het gebruik van deze wapens. Hun
visie gaat ervan uit dat de oorlog in feite al beslist was en dat de
capitulatie rustig afgewacht had kunnen worden. Een paar jaar geleden las en
hoorde ik dat de Amerikaanse inlichtingendiensten een Japans bericht hadden
onderschept dat ging over het plan de gehele kampbevolking te liquideren op 26
augustus 1945. Daarbij de kampcommandanten vrij waren in de keuze van
uitvoering van dit plan in hun kamp. Volgens een artikel van een Amerikaanse
journaliste had de toenmalige president (Truman) daarom toestemming gegeven de
bommen te gebruiken, ook omdat er vrij veel Amerikaanse krijgsgevangen en
burgers (duizenden of tienduizenden, dat weet ik niet meer) in de kampen
geïnterneerd waren. Mijn conclusie is dat wij, mijn Lief en ik, met vele
anderen, de doodsdans dus net zijn ontsprongen. Overigens zijn er cijfers
bekend over de geschatte aantallen slachtoffers die eventuele voortzetting van
de oorlog met bij voorbeeld een maand zou hebben veroorzaakt. Ik heb begrepen dat die
aantallen een factor groter zijn dan het aantal slachtoffers van Hiroshima en
Nagasaki bij elkaar..
Mijn tweede slotopmerking
is ontleend aan een niet letterlijk citaat uit het boek of het toneelstuk
“Korczak en de kinderen”. Het citaat luidt dat alle tranen zout zijn.
Verklaring gebruikte Maleise woorden
[1]
Aloen-aloen: stadsplein of dorpsplein of grasveld, meestal centraal gelegen
[2]
Laboe siem: flauw smakende vruchten van een slingerplant
[3]
Tjeremee en blimbing: zure kleine vruchtjes
[4]
Goedang: berghok, sommige afgesloten door een houten deur, andere door een deur
van gaas
[5]
Anglo: kookstoof, meestal gestookt op houtskool (arang)
[6]
Djongos: huisjongen, hield het huis schoon en bediende aan tafel
[7]
Apa ini? Letterlijk: wat is dit?
[8]
Lampoe senter: zaklantaarn, staaflantaarn
[9]
Bepek: (op heterdaad) betrapt.
[10]
Kolong: vrije ruimte onder iets, een huis, een bed een kast, een brits. Vaak
was dat de slaapplaats voor jonge kinderen (kolongkind, anak kolong).
[11]
Gedèk: wand van gevochten dunne, gespleten, bamboerepen
[12]
Kesilirmatras: matras bestaande uit een aantal dwarse kamers, gevuld met kapok.
Deze matrassen kon je heel
gemakkelijk oprollen. Genoemd naar het kamp Kesilir, het pretentieuze
project een landbouwkolonie aan te leggen.
[13]
Tampat: plek, plaats (plek waar plaats was)
[14]
Katjang tanah: letterlijk ‘aardpinda(s)’ (katjang=pinda, tanah=aarde). Het gaat
over een aanplant van pindaplanten.
[15]
Alang-alang: reuzengrassoort, woekerende plant, ‘sprieten’ zijn breed en lang
(tot wel
[16]
Kandji: behanglijm. Slijmerige kleurloze pap zonder veel voedingswaarde, zeer
tijdelijke maagvulling.
[17]
Gatrik: spel met twee ronde stukken hout, het ene stuk kort, het andere vrij
lang.
[18]
Kartoe pos: briefkaart
[19]
Kabar angin: letterlijk bericht via de wind (kabar=bericht, angin=wind). Een
gerucht dus.
[20]
Grobak: eigenlijk een ossenwagen met houten wielen. De door ons gekozen wagen
zag er uit als een kleine ossenwagen en kon daarom ook door een paardje worden
getrokken.
[21]
Belanda: bijvoeglijk naamwoord voor blanken waarmee altijd Nederlanders bedoeld
werden. Hier is het bijvoeglijk naamwoord zelfstandig gebruikt.
[22]
Sajoer rawon: donkerbruin tot zwart gekleurde soep, specialiteit van Oost-Java.
[23]
Kroepoek koelit: blokvormige ‘kroepoek’gemaakt van de gedroogde huid van een
buffel of koe
[24]
Selassie: bolvormige zaadjes die in water opzwellen en dan een gelatineachtige
buitenkant krijgen. Sealssie heeft vrijwel geen smaak maar geeft in de mond een
verkoelende sensatie. Heel lekker gevoel in bij voorbeeld vanillestroop.
[25]
Bingoeng: van streek, in de war, verbijsterd
[26]
Betoel: werkelijk, echt, waar
[27]
Tjintjangen: fijnhakken, in stukjes snijden
[28]
Koppi toebroek: koffie de gemaakt wordt door kokend water te schenken op een
flinke lepel fijngemalen koffie. Suiker of gecondenseerde gesuikerde melk zijn
favoriete toevoegingen Altijd blijft op de bodem van het glas of de beker
koffiedrab over.
[29]
Maling: “dieven”, “houd de dief”.
[30]
Tjelana monjet: hansop, letterlijk ‘apenbroek’ (monjet=aap)
[31]
Bersiap periode: ‘wees paraat/waakzaam’, periode van de Indonesische
vrijheidstrijd (1945 – 1949).