Dat schreef mevrouw T.Th. Woldringh-Leopold aan haar ouders na de oorlog. Een ontroerend verhaal, van een jonge moeder die met 2 kleine kinderen zonder man en zonder inkomsten zich moest redden. Zij stuurde dit verhaal naar haar ouders. Aanvankelijk was zij buitenkamper maar later bewoner van Ambarawa 9 en 6. Daarna nog eens de Bersiap. Na het lezen kun je alleen nog maar hulde betuigen aan onze moeders die, met mevrouw Woldringh, onder barre omstandigheden zich staande wisten te houden en voor ons zorgden.
Dit kampverslag, met brieven, is ter beschikking gesteld door de zoon van de schrijfster Drs. J.J.H. Woldringh. Waarvoor mijn hartelijke dank.
Theo Derksen
"Het kampverslag" behoort auteursrechtelijk toe aan de kinderen van mevrouw Woldringh. Gebruikmaking of welke vorm van kopiëren, vermenigvuldigen en/of publiceren etc. kan alleen met toestemming van de zoon van mevrouw Woldringh. De heer J.J.H. Woldringh. Verzoek daartoe kan via de webmaster. webmasterwo2@gastdocenten.com
Inleiding door de heer J.J.H.Woldringh
Hierbij het kampverslag van mijn moeder, dat zij niet lang na de capitulatie van Japan heeft geschreven, en dat ik tussen haar papieren vond. Zij is nu aan ‘t eind van haar leven, in een snel verslechterende fysieke en geestelijke toestand, opgenomen in een verpleeghuis, 88 jaar oud.
Zij bleek erg verheugd dat ik dit kampverslag had gevonden.
(Inmiddels is zij overleden, op Dinsdagmorgen 23 November 1999)
Voor een goed begrip is het noodzakelijk te vermelden dat zij en mijn vader (Klaas) eind Januari 1942 (!!) vanuit Zuid- Afrika in Nederlands-Indië waren aangekomen, samen met hun twee kinderen: Jaapje (ik), bijna 3 jaar oud, en Claartje, 1½ jaar oud. Wij werden trouwens gewoonlijk door hen Tops en Joek genoemd, maar dat vonden mijn grootouders maar niets, omdat wij naar hen waren genoemd. In Zuid-Afrika is Jaap een scheldwoord. Joek is een Japanse (!) naam die zij ook al in Z.A. kreeg, het dienstmeisje noemde haar zo: zij zag er volgens haar uit als een Japanse baby.
Het is tekenend voor de toen heersende blanke arrogantie dat de Nederlands Indische regering mijn vader beval zijn gezin mee te nemen, met de verzekering dat Nederlands Indië geen gevaar liep tegen Japan. En mijn vader deed dat, blij met de nieuwe baan die hij in Soerabaja kreeg als Elektrotechnisch ingenieur bij het Marine Etablissement.
In Soerabaja restte, na de val van Singapore, en de verloren zeeslag in de Javazee op 27/28 februari, de mensen van het M.E. niets anders dan de werven, en schepen die niet meer wegkonden, zoveel mogelijk te vernietigen, om te voorkomen dat de Japanners er gebruik van zouden kunnen maken in hun strijd tegen de geallieerden. Omdat de Japanners deze daad met de dood zouden bestraffen, zoals zij al elders in de archipel hadden gedaan (bijvoorbeeld in Balikpapan), werden alle M.E. ers door de regering verplicht om te vluchten via Tjilatjap, met achterlating van de gezinnen. Op 3 Maart vertrok de "Tawali" van de S.M.Nederland als laatste schip Tjilatjap, op de zuidkust van Midden Java, met de M.E. mensen aan boord, richting Australië.
De "Tawali" was een zeer gelukkig schip, onder een heldhaftige leiding: het was al eerder uit Tjilatjap vertrokken en juist de zeer gevaarlijke zone gepasseerd, waar het ene schip na het andere door de Japanse vloot en luchtmacht werden opgewacht, toen het bevel kreeg om weer terug te keren naar Tjilatjap om de M.E. mensen op te halen. Dat gebeurde, en zodoende is de "Tawali" tenslotte drie keer die gevaarlijke zone gepasseerd, waarbij het de drenkelingen van diverse minder gelukkige schepen uit het water viste. Mijn vader kwam trouwens niet in Australië aan: de "Tawali" kreeg opdracht om te keren (!) en naar Colombo te varen, omdat voor hen uit schepen werden aangevallen door Japanse onderzeeboten. Vanuit Colombo kwam hij uiteindelijk in Durban, Zuid-Afrika, waar hij zijn bijdrage heeft geleverd aan de oorlogsinspanning (repareren schepen, bouwen marinebasis te Mauritius in de Indische oceaan). Men kan zich indenken hoe mijn vader zich moet hebben gevoeld dat hij zijn gezin had moeten achterlaten, in handen van een, zoals bleek, soms meedogenloze vijand.
Na de oorlog en de gezinshereniging op 6 Februari 1946, na ons per militair vliegtuig van Semarang naar Soerabaja te hebben laten brengen, heeft hij zo goed als niets willen zeggen over die periode, en er ook niets over willen horen. Buitengewoon zwaar voor mijn moeder. Gelukkig dat blijkt dat zij wat heeft opgeschreven. Een in laconieke stijl, onopgesmukt verhaal, voor haar ouders, dat ik met zeer grote trots heb gelezen. Ik ken haar eigenlijk alleen als een heel bescheiden vrouw die haar eigen mening altijd op de achtergrond houdt.
Verrassend is dat zij nergens rept over waarom Japan heeft gecapituleerd. Geen woord over de atoombommen. Japan heeft gecapituleerd, en dat was genoeg.
Ik heb zoveel mogelijk haar ouderwetse spelling proberen te bewaren.
En bij het nalezen er talloze zelf gemaakte fouten uitgehaald.
Van mevrouw Tine Theodora Woldringh-Leopold.


Hierbij een heel beknopt verslagje van m’n kamptijd.
’t Blijft natuurlijk bij enkele flitsen. De sfeer is niet
weer te geven.
Wilt U ’t voor me bewaren?
(U: dat zijn haar ouders)
Kampverslag
Op 2 Mrt '42, 's middags om 2 uur, kwam Klaas thuis met 't bericht, dat hij om 5 uur moest vertrekken, bestemming Tjilatjap, misschien door naar Australië, en wij moesten achter blijven.
Ik zat sinds 2 dagen in een huis, sprak practisch geen Maleisch, de kinderen waren 3 en 1½ en ik kende geen mensch in Soerabaia. Dagelijksch eenige keeren luchtalarm, de vijand vlak om de stad. M'n buurvrouw, de eenige blanda in de omtrek, kreeg de raad, haar huis te verlaten en bij familie in te trekken. Ik besloot toen ook ergens anders onderdak te zoeken. Niet eenvoudig, daar Soerabaia toen overvol was, maar tenslotte vond ik een kamer in een pension. Daar ging ik 4 Mrt, naar toe, met achterlating van m'n groote bagage wegens gebrek aan vervoer. Naderhand bleek inderdaad dat ik in m'n huis niet safe geweest zou zijn.
8 Mrt val v. Soerabaia. Eenige dagen later bleek m'n huis grootendeels leeggestolen te zijn. Heb met veel moeite onder politie bescherming (de politie was nog veel zenuwachtiger dan ik) 't restant van m'n bezittingen uit 't huis gehaald en per ossekar naar 't pension laten brengen.
In dit hotel had ik 't, de omstandigheden in aanmerking genomen, nogal naar m'n zin. Een aardige kamer + voorgalerij en muskietvrije slaapkamer. Maar we kregen er steeds meer last van Jappen, die vrouwen zochten. Ik zat 's avonds altijd met alles dicht en op slot maar overdag, als ik op m’n voorgalerij zat, hield ik altijd eén oog op de weg, en als er Jappen naderden, vloog ik naar binnen en sloot de deur. Eéns hebben een paar officieren geprobeerd, m’n deur in te trappen, en eéns toen ik van de badkamer terug kwam, zag ik ze bij m’n deuren zoodat ik een andere kamer ingeschoten ben, totdat ze weg waren. Ons bestaan was op die manier erg onrustig. Na 4 maanden ben ik verhuisd ook al om wat goedkooper te leven. Salaris of ondersteuning werd niet uitbetaald, dus ’t was zaak zoo lang mogelijk met je contanten te doen.
Toen kwam ik bij mevrouw v.d. Schaar, wier man psychiater en leeraar a.d. N.I. artsen school, al in April als gouvernements ambtenaar, geïnterneerd was. Zij had 4 kinderen, toentertijd ongeveer 14, 13, 10 en 8 jaar oud. Ze bewoonde een ruim oud Indisch huis. Wij zijn samen blijven wonen tot ons vertrek naar Ambarawa, Oct.’43. Ik heb daar een goed tehuis gehad.
In September kwam in ’t paviljoen een vriend van Dr. V.d. Schaar, Ds. Eckenhausen, die beloofd had, Claartje (noot: waarschijnlijk heette ook mevrouw v.d. Schaar zo) te beschermen. Tot zijn interneering, Sept. ’43 heeft hij bij ons gewoond. Door hem zijn wij langen tijd buiten de vrouwenwijk gebleven. Die vrouwen die door een inwonende werkende man "beschermd" werden mochten er eerst buiten blijven. Later werd dat in zooverre veranderd, dat die man familie moest zijn, man, vader of broer. Toen raakten we onze permit kwijt, maar we kregen gedaan dat de paperassen betreffende onze interneering, wat achterin de map werden geschooven.
Begin September werd Eck geïnterneerd, en vlak daarna werden wij ’t huis uitgezet. Door marineofficieren, zoodat we alles mee mochten nemen. (als je door ’t leger uit je huis gezet werd, moest je ’t compleet gemeubileerd, met tafel- en bedlinnen, tafelzilver en servies, achterlaten.)
Wij verhuisden ±12 September en kregen drie dagen later een briefje van de politie, dat we 28 Sept. de wijk in moesten! We mochten matrassen, kussens en per persoon 2 hand koffers meenemen.
Geïnterneerd.
Op 28 September wandelden we de vrouwenwijk in Soerabaia binnen. Claartje en ik kregen een klein huisje toegewezen. Een week later werd er nog een heer (?) bij gestopt. Bedienden waren er niet in de wijk. Eén maal per dag rijst + groentensoep van de gaarkeuken. Melk- en brood distributie. Verder was er een winkel en een passartje. Waarschijnlijk, doordat we ons nog in weinig aanpasten, bv. kookten en geregeld streken en zoo, hadden we ’t erg druk.
Op 28 October werden we naar Ambarawa gebracht. D.w.z. we kregen twee dagen van te voren bericht, dat we op transport gingen. Waarheen onbekend, duur van de reis dito. Emmers, teilen, pannen e.d. mochten niet mee.
We stonden die 28 Oct. 7 uur aangetreden. Na een reis die ik nooit vergeet, de volgende ochtend om 10 uur op de plaats van bestemming. We hebben meer dan de helft van de reis de luiken dicht moeten houden. ’s Nachts lagen de kinderen aan weerszijden van me, met hun hoofdjes op m’n beenen en hun beentjes over vriendelijke buurdames. Ik ben nog nooit zoó stijf geweest, als die nacht. We hebben ergens een uur stilgestaan. Toen was eén van de kinderen wakker, verder hebben ze goddank heerlijk doorgeslapen. –
We kwamen in een volkomen leeg kamp. Ons transport bestond uit 500 vrouwen en kinderen, allen uit S’baia. We moesten zelf maar zien dat we onze bagage ter plaatse kregen. Lokalen werden ons aangewezen en daar mochten we plaatsen uitzoeken, of te wel, er ruzie om maken.
Het was ’t inlandsch internaat van een kloosterschool geweest.
De lokalen in de verschillende kampen waren vrijwel gelijk, variëerden alleen in grootte.
’t Eenige "meubilair" was per zaal drie lange tafels, twee langs elke muur en eén in ’t midden. Over de geheele lengte ± 1.90 m. breed. We keken daar allemaal nogal raar naar en wisten niet goed, wat de bedoeling was. Onze plaats op zoo’n tafel, toen ± 90 cm per persoon, was ons heele home. Je matrassen legde je er boven op, je bagage er onder en daar zat je. Onze eerste maaltijd was rijst met sambal uit een pisang blad. ’s Avonds al hadden we soep uit de kampkeuken. De keuken groep, die zich al zoó gauw gevormd had, heeft van ’t begin tot ’t eind wonderen verricht, altijd te weinig materiaal, en steeds instortende ovens. Later gebrek aan voedsel, water en brandstof.
’t Kamp lag in een mooie omgeving, waarvan veel door de omheining aan ons oog onttrokken werd. Binnen de schutting waren twee groote grasvelden, die we later moesten bewerken.
’t Sanitair was op inlandsche bewoners berekend, z.g. hurk-W.C.’s en open badkamers, alles met verspringende muurtjes, geen deuren.
De eerste maanden was ’t eten niet al te beroerd. Ook werden we toen niet erg opgejaagd. In Maart ’44 kwam ’t kamp onder militaire leiding, en daarna is ’t steeds slechter en onaangenamer geworden.
Eén van de eerste onplezierige instellingen was de nachtwacht. Van 10 uur ’s avonds tot 7 uur ’s morgens moest er door de vrouwen wacht geloopen worden. Twee aan twee, eén uur lang, verschillende groepen voor de diverse blokken. Als de Japansche controle kwam moest je in ’t Japansch zeggen "nachtwacht blok I (of ander no.) ik doe mijn ronde, er is niets bizonders" na gebogen te hebben natuurlijk. En als de vent verdween moest je hem weer een omslachtig afscheid toezingen. Zitten was streng verboden, evenals rooken. Elke fout kon je een draai om je ooren bezorgen, zooals trouwens alles wat de heeren niet aanstond, met slaan gestraft werd. Meer geluk, dan wijsheid maar ik heb nooit een klap gehad.
’t Was na elke wacht een opluchting, als je weer in bed kon kruipen. We kwamen ongeveer eens in de 6 dagen aan de beurt. Ik ging altijd zitten, maar dat was heel zenuw sloopend, je moest bar goed opletten.
Ongeveer Mei ’44 was ’t aantal kampbewoners gestegen tot 850. In November werd dit 1300. Dat gaf vele moeilijkheden en onaangenaamheden. ’t Kamp had een tekort aan water, doordat ’t erg hoog lag. Dat werd natuurlijk steeds erger. Er zijn tijden geweest, dat we per persoon per dag 2 liter kregen, voor drinkwater afwasschen, wasschen en baden! Meestal was ’t een klein emmertje ± 6 L. per persoon. Met ’t oog op dit watergebrek ben ik W.C. schoonmaakster geworden, dan had je recht op een volle emmer extra. De weinige kranen werden doorloopend bewaakt, de blokken kwamen om de beurt water halen. Die water misère was wel ’t ergste in dat kamp.
Zoowat midden ’44 begon de Jap ons
te dwingen tot tuin arbeid. Gras snijden, wieden en spitten. Dit laatste was
natuurlijk zwaar werk. Steeds meer menschen moesten eraan mee doen. Alleen op
dokters attest kon je er vrij van, en de doktoren kregen smoesjes, als ze te
veel briefjes schreven, dus deden dat niet voor wissewasjes. Ook ’t feit, dat
je een paar kleine kinderen had stelde je niet vrij. Door ’t klimaat, ’t
gebrek aan voedsel en de tegenzin, was ’t een zeer gehaat corvee. In de ergste
tijd 2(?) uur elke dag.![]()
Zoo nu en dan kreeg de kamp
commandant ’t eens op z’n heupen, en moest ’t heele kamp ’t veld op. Wie
zonder heel deugdelijke reden (bedlegerigheid of hooge leeftijd, boven de 55) op
de zaal bleef, werd eraf geranseld. Dan was ’t uren aaneen in de zon staan, om
beurten werkende. ’t Begon meestal met een langdurige toespraak in ’t
Japansch, door de tolk vertaald, waarin we uitgescholden werden voor dieren,
omdat we geen land meer hadden, dus hadden we ook geen rechten en ’t was pure
liefdadigheid, dat Nippon ons in ’t leven hield.
Al in ’t begin van ’44, moesten we al ons geld inleveren. Steeds werden we met de ergste straffen gedreigd, als er geld bij ons gevonden zou worden. Eenige keeren hebben we koffer onderzoek gehad. Er was nog meer, wat we niet in ons bezit mochten hebben, zooals electrische apparaten, flashlights, lucifers, kaarsen etc. Zoo’n onderzoek was iets vreeslijks. Totaal onverwacht (’t lekte wel een dag van ’t voren uit, maar lang niet iedereen hoorde zoo’n gerucht) joeg dan ’s morgens ± 8 uur de kamp commandant ons allemaal de zaal af, allen moesten bij elkaar op ’t veld staan, en meteen de zaal verlaten, zoodat je geen kans kreeg nog iets te verstoppen. En dan kwamen er heele horden binnen onder leiding van officieren, die alles doorzochten, waarbij ze met hun zware laarzen dwars over onze bedden liepen. Daarna steeds aanmaningen, om je geld alsnog in te leveren, eénmaal fouillering door onze eigen blokleidsters. Vele vrouwen konden niet tegen die dreigementen, en gooiden ’t geld zoo op ’t veld weg. Ik droeg ± f350.- in m’n haar.
In Mei ’45 werden we overgebracht naar kamp 6, ook te Ambarawa. Dat vertrek ging ook zoo mooi. Er gingen 3 groepen, eén naar kamp 10, eén naar kamp 11 en wij. We hoorden een paar dagen van te voren dat ’t kamp opgeheven werd, en bij welke groep we ingedeeld waren. Woensdag middag werd gezegd, de groep naar kamp 11 vertrekt Donderdag ochtend om 6 uur. 4.30 ’s morgens aantreden. [We rekenden met Nippontijd, in de natuur was ’t dan nog 1½ uur vroeger]. Donderdag bericht kamp 10 Zaterdag 4.30 aantreden. Toen Zaterdag morgens die groep weg was, en wij allen hadden geholpen met beneden brengen van matrassen, werd er gezegd: de menschen voor kamp 6 binnen twee uur vertrekken. Wij als gekken aan ’t pakken. Een half uur later order: allemaal op ’t veld komen. Daar werd gezegd: pak je kleine bagage en ga naar ’t plein voor de poort. Zoo werden we er uitgejaagd. Een groep van ± 100 vrouwen bleef achter om ’t kamp schoon te maken. Die hebben verder voor ons gepakt! De "werkmeisjes" uit kamp 6 hebben onze zware bagage opgehaald. ’t Was ± ½ uur loopen van ’t éene kamp naar ’t andere. Vanzelfsprekend hadden we als "kleine bagage" meegenomen, wat we maar torsen konden. ’t Moet een fraai gezicht zijn geweest toen we onze joyeuse entreé maakten!
De behuizing in kamp 6 was veél slechter. De eerste 14 dagen lagen we op de grond, een vochtige leemen vloer, daarna weer op de lange tafels, waarop de plaats tot 50 cm. per persoon gereduceerd werd. (In kamp 9 hadden we sedert November 60 cm. gehad) Een groote vooruitgang was dat we van de tuinarbeid af waren, en dat we achter in ’t kamp zaten, dat veel grooter was (4000 menschen), waardoor we bijna nooit een Jap zagen. De nachtwacht was daar 1½ uur, maar je kon rustig zitten, en mocht na afloop heet water voor een kop koffie halen, wat toen een enorme attractie was. Door gebrek aan brandstof kwam ’t vaak voor dat je geen druppel warm water kreeg. Ons rantsoen was 100 cc per dag! Je had toen een moord kunnen begaan voor een kopje koffie. We zaten toen met 150 lui op een zaal, waarvan 78 kinderen! Een zeer heterogeen gezelschap, wat veel ruzies gaf.
In ons oude kamp kwam na een poosje
een soort touw makerij, en daar moesten vrouwen uit ons kamp gaan touw draaien
van 9 – 5. Eerst zowat 1 per barak, later veel meer. Ook al had je kleine
kinderen, je moest toch je beurt meedoen. Eén keer ben ik er geweest. Daarna
zijn er vaste werksters gekozen, die er moesten wonen. Dat is ’t kamp geweest,
waar in November de inlanders binnengedrongen zijn. Al voor onze verhuizing
begon de honger periode, en dat werd steeds erger. Dikwijls kregen we twee maal
per dag als maaltijd een bord stijfsel. Je maakte dan zelf een papje van tapioca
meel met water en dan gingen we baraks gewijs naar de keukens, waar je uit
groote drums je portie kokend water uitgedeeld kreeg, en dan maar roeren. Een
eenvoudige kokerij! ’t Was afschuwelijk eten, maar ’t vulde althans je maag
even. ’t Ergste was ’s morgens die koude stijfsel. We moesten dan ’s
avonds voor twee keer maken.![]()
Tot zoover voorlopig. Er zal
langzamerhand ook wel eens iets gedrukt worden, over ’t kamp leven.
In groote
lijnen waren alle kampen ’t zelfde. En als jullie iets te vragen hebt, toe
maar.
Een bar gehate instelling, die ik nog vergeten heb te vermelden was ’t appél. Eén maal per dag (gedurende eenige maanden 2 x) moesten we allemaal aantreden. Twee rijen, voor de zalen langs. Keurig stil staan. Een paar dames, die zooiets als officier v/d dag waren, kwamen langs. De zaalleidster moest dan ’t aantal aanwezigen, ’t aantal zieken etc – opgeven, alles in ’t Japansch. En dan moesten we zelf tellen, ook in ’t Japsch. Soms stond je een half uur te wachten. Als er een Jap mee liep moest je strak voor je kijken en buigen. Als er officieren op bezoek kwamen ’t zelfde grapje maar dan stond je soms wel twee uur te wachten (50 % kinderen !) Alles ging dan nog veel strenger. Je moest gebogen blijven staan totdat de stoet heelemaal langs was.
In de kampen waar ik geweest ben zijn geen mishandelingen voorgekomen. Wel zijn er vrouwen geslagen, maar dat vond je geen mishandeling. Ik geloof daarom wel, dat ik de beste kampen getroffen heb. Misschien lezen jullie over ernstiger misstanden, dat zal dan in Batavia of Semarang geweest zijn.
Aanvulling Kampverslag
Wat ik schreef over de Jappen die vrouwen zochten, was bedoeld vóór de kamptijd. De Jappen beschouwden elk hotel als een publiek huis. Ze haalden de vrouwen niet weg, maar wilden ze een bezoek brengen, als in een bordeel. Er zijn natuurlijk wel vrouwen gelokt voor de "kastjes" maar niet op zoo groote schaal als eerst verwacht werd, en dan door tusschenkomst van Europeesche mannen of vrouwen. In Febr. ’44 zijn uit alle kampen een aantal vrouwen opgeroepen, van 17 – 28 jaar, getrouwd geen bezwaar. Niet alle kampen hebben die uitverkorenen laten gaan. Er zijn kampleidingen geweest, die heftig geprotesteerd hebben, en met succes.Bij ons niet aldus. Twaalf jonge vrouwen zijn weggebracht. ’t Heette naar speelhuizen, maar na de capitulatie heb ik van enkele gehoord, dat ze op kantoor gewerkt hebben. ’t Schijnt dat een hoogere vent, dan degene die ’t gelast had,er de lucht van heeft gekregen, en waardoor ze niet zoo kalm hun gang konden gaan, als ze gedacht hadden. Onze kampleiding was vuurbenauwd voor de Jap en er altijd op uit, ’t de heeren naar de zin te maken. ’t Was een kliekje met N.S.B.-neigingen.
Nu over die W.C. schoonmaak.
De "sanitaire installatie" was als volgt. Een lange goot, gemetseld ±
30 cm breed gemiddeld 1 m diep. Daarover heen hokjes van steenen muurtjes.![]()
(nagetekend)
In enkele hokjes stonden "doozen", kistjes van ± 30 x 60 cm, zonder bodem, met gat in de deksel, dit voor kinderen en oude menschen. In andere waren over de sloot op de plaats van ’t kruisje twee plankjes. ’t Systeem heet hurk-W.C. en is inlandsch. Je zet je voeten óf op de plankjes óf aan weerszijden van de goot en dan maar hurken jongens. ’t Went gauw, maar er zijn heel wat in de goot gevallen, vooral vrouwen die door ziekte erg verzwakt waren, en dan half flauw vielen. De bedoeling is bij dit systeem, dat door die sloot constant ruim water stroomt. Bij ons echter sloten de inlanders heel vaak de toevoer af buiten ’t kamp, om ’t water (van een riviertje) voor hun sawah’s te gebruiken. Dat was ellendig voor de schoonmaakploeg. Die moest dan water sleepen van beneden, om ’t door te spoelen en met een stok waaraan een dwarsplankje ’t vuil weg te duwen tot buiten ’t kamp. 80 emmers water was eigenlijk te weinig voor eén beurt! Verder moest de vloer gespoeld, geschrobd en gedweild worden. Dat lijkt niet erg, maar ’t is ongelooflijk, wat een smeerpoetsen de menschen zijn, er lagen altijd hoopen op de rand. En doordat er ’s nachts óf heel slecht licht óf helemaal geen licht was, en niemand dus kon zien, waar ze mikten, was ‘t ’s morgens ontzettend. Daarbij nog ’t feit dat zeker ¾ van de menschen chronisch buikloop had en er soms na bepaald voedsel of bij een bepaald weer ontzettende explosies van diarrhee waren. Al met al had de eerste ploeg ’s ochtends een ongelooflijke rotbaan. Ik hoorde bij de tweede ploeg. Dat was lang zoo erg niet. Een enkele keer moesten we de eerste ploeg helpen, als ’t heelemaal ondoenlijk was, of als daar veel zieken bij waren, maar dat was zelden. Uit hygiënisch oogpunt had dit systeem veel voor, behalve de doozen dan. Maar voor kleine kinderen erg lastig, zoodat ik altijd met ze mee moest. Een baan op zich zelf, van mijn zaal moest ik drie trappen van ± 10 treden op, en die wurmen moesten soms nogal vaak, en nooit tegelijk natuurlijk!
M’n geld droeg ik achter in m’n haar in een rol. Op je lichaam was ook niet safe, eens werden we gefouilleerd, wel door onze Hollandsche leidsters, maar onder toezicht van een Jap. Ik heb meegemaakt, dat iemand, toen we allemaal op ‘t veld stonden, en de Jap aan ‘t dreigen was, haar corset uitdeed en stomweg op de grond liet vallen, toen we ‘t veld verlaten hadden, vond de Jap ‘t! Weer andere probeerden naar de W.C. te glippen en lieten ‘t geld daarin vallen. ‘t Was echt de Japansche taktiek om je dood zenuwachtig te maken, en bij heel veel vrouwen had dat succes. In ‘t kamp waar ik in Mei ‘45 heen ben gegaan had iedereen openlijk geld. Zelfs zoo openlijk, dat ‘t soms mogelijk was voedsel bij te koopen. Eenvoudig, doordat ze ‘t zoolang verdraaid hadden ‘t in te leveren, en bloc, dat de Jap ‘t maar opgegeven had. Daar werd ook onder de vrouwen levendig gehandeld. Ik heb bijvoorbeeld een regenjas gekocht, en een wekker, schoenen, pakjes voor Jaap. Verschillende dames hielden een winkeltje. Daar kon je brengen wat je verkoopen wou, en je kon er koopen.
Verder over die matrassen. Heel
velen hadden evacuatie matrasjes, die toch 50 - 60 cm breed waren, ik had twee
matrasjes uit de kinderbedjes en een evacuatie matrasje. Toen we op 60 cm
moesten inschuiven heb ik dat laatste, dat toch al zoowat "op" was
gereduceerd tot een kussen om een kindermatrasje mee te verlengen en toen lagen
we met z’n drieën op die twee kleine matrasjes. Sommige gezinnen maakten de
matrassen smaller, anderen legden er twee op elkaar, maar je moest binnen je
grenzen blijven. Ik heb een zaalleidster gehad die ‘t vertikte haar matras
smaller te maken "dan moesten die menschen met kinderen maar wat minder
plaats hebben". Ze was zaalleidster dus ‘t lukte haar, de blokleidster
was ook een vrouw zonder kinderen, dus die was ‘t roerend met haar eens. In
dat laatste kamp waar ik zat waren ± 1300 menschen die er al van eind ‘42 af
in hadden gezeten en er met complete inboedels in waren gegaan. Die hadden
beslist meer plaats dan wij. Wie ‘t laatste kwam, had de minste rechten.![]()
Mijn beddeboel was zoo kapot, dat ik
alles in Semarang achter gelaten heb. Ik mocht trouwens niet
meer dan 20 KG per
persoon meenemen in ‘t vliegtuig.
De capitulatie en de daarop volgende maanden.
Augustus ‘45. Er gingen weer eens geruchten door ‘t kamp van een spoedige bevrijding, maar zelfs de hardnekkigste optimisten bleven sceptisch. We hadden dat al zoo vaak gehoord en ‘t bleek altijd onwaar te zijn. In Januarie was er een Hollandsch vliegtuig boven de kampen geweest, en had zelfs pamfletten uitgegooid. Toen geloofde iedereen dat we binnen 14 dagen vrij zouden zijn. Toen ook dat op niets uitliep en de Jappen overal représaille maatregelen namen tegen vrouwen die te verheugd waren geweest over dat feit, nam ik verder elk gerucht met erg veel korreltjes zout. In Mei moesten we verhuizen oftewel verkampen, in Juni werd een touwweefsters kamp opgericht, enfin, de Jap volgde precies z’n programma. Half Augustus werd bekend gemaakt, dat onze porties eten verdubbeld, en een week later vervierdubbeld zouden worden. Sceptisch geworden, zag ik dat aan voor zoo’n Japsche belofte, die ze toch niet hielden. De volgende dag inderdaad meer eten en er werd aangekondigd, dat Dr. Lodder, hoofd v.d. medische afdeeling, voór de oorlog directeur v.h. zendings ziekenhuis in Malang, een dankstond zou houden voor die voedsel vermeerdering. Nu kun je van een zendeling misschien veel verwachten, maar dat deze man een dankstond zou houden voor zoo’n belofte van de Nip leek me sterk, dat gaf echt te denken. Ik ging naar die dankstond toe. Hij zei o.a. dat eindelijk een eind was gekomen aan de hongerperiode, en hoewel voor talloozen te laat, voor heel velen nog tijdig. Hij gaf niet ‘t officiëele bericht van een capitulatie maar iedereen begreep dat er iets ongewoons aan de hand was, de opwinding in ‘t kamp steeg zoodanig, dat de kampcommandante besloot, ons op de hoogte te brengen. Ze had ‘t eigenlijk nog even moeten verzwijgen, waarom weet ik niet. Eén of twee dagen later mochten alle Indo’s het kamp verlaten. Een zaalgenoote van me kwam nog weer even binnen, nadat ze de poort al uit geweest was, en sprak over chaos en een proclamatie van de Indonesische republiek. Dat zei ons allemaal weinig. Japan was gevallen, dus we zouden wel gauw uit "de rotzooi" gehaald worden. Na een poosje kwam er een stel officieren, ik meen Amerikaansch, onze toestand eens opnemen. Ze verzekerden ons, dat we heel gauw "eruit"gehaald zouden worden.
Al gauw na de capitulatie ging de poort open. We mochten de straat op! Reuze sensatie. We konden toen voedsel koopen, eieren, tomaten vleesch, bananen, om ‘t voornaamste op te noemen. Ook kon je ergens gaan eten. De kooplui hadden over ‘t geheel liever kleeren en stof, bijv. lakens, dan geld. We gingen dus allemaal op stap met wat we maar konden missen om daarvoor voedsel te krijgen. We ontdekten al gauw, dat ‘t Jap. geld flink in waarde gedaald was. Voor een laken gaf de Chineesch bijv. f100,- maar wat je daarvoor koopen kon was, naar vooroorlogsche maatstaf, misschien f10,- of hoogstens f20,- waarde.
‘t Eten in ‘t kamp werd ook
beter, er kwam meer fruit binnen, summa summarum, we "vraten", en we
werden abnormaal dik en opgezet. Deze toestand duurde zoowat een maand.
Gedurende die tijd gingen er telkens transporten naar Batavia en Bandoeng en
eén keer naar Soerabaia, meest Indo’s of blanda’s die zich daarvoor
uitgaven. Ook kwamen er al gauw mannen in ons kamp, sommige uit de mannenkampen
gedrost, andere officiëel uitgezonden om onze zware baantjes over te nemen,
(waar ze over ‘t geheel een beroerder figuur mee sloegen dan de vrouwen.) De
eéne keer werd gezegd, dat die transporten officiëel door ‘t Roode Kruis
werden georganiseerd, dan weer werd er officiëel tegen gewaarschuwd, de kampen
te verlaten. Ik heb steeds gezegd dat ik tot ‘t bittere einde in ‘t kamp zou
blijven, omdat ik met die twee kleine wurmen geen risico wou nemen. En dat is
ook ‘t beste gebleken. Degenen, die ontijdig naar Soerabaia zijn gegaan, zijn
hier weer in de ellende geraakt. Eén vrouwtje, dat ik van de eerste kampdag
gekend heb, is hier vermoord. Van velen weet ik nog niets af. Er werd al eens
gezegd, laat ze toch eens opschieten met dit kamp te ontruimen, want die
nationalisten vergaderen avond aan avond tot diep in de nacht, die broeden iets
uit. Ongeveer 4 October begon de soesah. Opstootjes op straat, alle vrouwen naar
binnen, kampen dicht. Ongeveer 10 dagen lang mochten nog een stuk of 12 vrouwen
onder geleide naar de markt en deden dan voor ‘t heele kamp inkoopen, meest
fruit en eieren. Totdat ‘t zaakje goed aan de gang raakte. Waar ‘t precies
mee begon weet ik niet. Op een middag schoten de Engelschen, (er was inmiddels
een Engelse wingcommander met eenige Gurka’s gekomen) een zwaar kanon af, eén
schot: de heele passar weg, eén schot een stuk spoorlijn met halte en seinhuis
weg, enzovoort. Diverse objecten zijn er toen aan gegaan.![]()
De extremisten sloten ons water en
licht af. Na een dag was er weer water, dank zij die wingcommander. ‘t Licht
heeft niet weer gefunctioneerd. Voedsel werd er bijna niet meer gebracht. Soms
een beetje groente. Gelukkig waren er voorraden in ‘t kamp. De zakken rijst
werden uit de voorraad goedang gehaald en over alle barakken verdeeld, met ‘t
oog op een overval om voedsel te stelen. ‘t Schieten werd steeds meer. ‘t
Aantal Gurka’s vermeerderde wat. Je hoorde verhalen over de strijd in de
naaste omgeving, over de gebeurtenissen in Soerabaia, over Semarang. Op een
kwade dag een mortier granaat op een barak. Eenige dooden. Daarna steeds
luchtalarm. Later nog twee granaten op ‘t kamp. De Engelsche stellingen lagen
direct naast ons kamp, misschien was daarop gericht, misschien ook niet, wie
weet. Om eén kant van ons kamp te bestrijken moesten de Engelschen over ‘t
kamp heenschieten. Een heerlijk geluid!
Wij hadden onder de slaaptafels "schuilplaatsen" Matjes op de grond, matrassen op de tafel om scherven tegen te houden. Absoluut onvoldoende en zeer ongemakkelijk. Op onze zaal waren veel vrouwen, wier echtgenooten een "baantje" in ons kamp hadden. Toen ‘t flink doorzette waren veel van de mannen vrijwel permanent op de zaal, zogenaamd om bij hun gezinnen te zijn, maar wie ‘t eerst onder de tafel lagen, waren altijd de mannen! Dit is niet maar flauw schimpen. Dat wij ons zoo ergerden aan de houding van veel mannen, komt toch doordat we ‘t diep in ons hart anders verwachtten. En er waren ook anderen natuurlijk. De kampdoktoren sloegen een heel wat beter figuur dan vele officieren, exkrijgsgevangenen.
Eind November hadden de Gurka’s de weg van Ambarawa - Semarang en de naaste omgeving daarvan bevrijd van extremisten.
Ook was toen in Semarang plaats gemaakt voor zoowat 5000 vrouwen, zoodat toen de kampen in Ambarawa ontruimd konden worden. En hoog tijd. Er was al een aanval op ons kamp beraamd geweest, een naburig kamp was inderdaad aangevallen, drie granaat inslagen in de barakken. ‘t Was welletjes.
Op eén December begonnen de transporten, 5 Dec. ben ik gegaan. De dag daarvoor was eén van de terugkomende auto’s (dus leeg gelukkig) op een landmijn geloopen. Maar wat waren we blij toen Ambarawa achter ons lag! Dat we ons de bevrijding anders voorgesteld hadden, is te begrijpen.
Hieronder volgen nog enkele brieven die mijn moeder heeft geschreven. De eerste was getypt en bevat enkele typefouten, ongetwijfeld uit onwennigheid. Die heb ik zoveel mogelijk niet verbeterd:
Ambarawa 24 Sept
Lieve Menschen,
Eindelijk gelegenheid naar Holland te schrijven. Met ons drieen gaat het best. We zitten in spanning te wachten op berichten. Van Klaas heb ik nog niets gehoord. Van t heele Marine Establishment is nog niets doorgekomen. Dat dat zal wel komen als de bezetting op Java is. Ik hoop erg dat er van jullie ook gauw een briefje komt.De eerste post uit Holland is al binnen. Van Klaas hoorde ik sinds zijn zeer overhaast vertrek nooit meer iets .Van Riek zijn R. Kr formulieren doorgekomen, 1½ jaar na afzending, en uit eenige daarvan kon ik opmaken, dat Klaas in Z.Afrika zat.Deze kreeg ik pas na t bekend worden van den vrede. Op 23 Aug werd hier bekend gemaakt dat Japan gecapituleerd had. We zitten nu nog wel in het kamp maar onze omstandigheden zijn sinds dien zeer verbeterd , speciaal dan de voedselvoorziening.
Sinds eind Oct 43 zitten wij in een interneeringskamp Een half jaar geleden werden wij nog eens naar een ander kamp getransporteerd We hebben t erg goed getroffen . de kampen in Semarang waren veel beroerder.In dit laatste kamp hebben de beide kinderen dysenterie opgeloopen. Over Jaapje heb ik me eenige maanden zeer bezorgd gemaakt. Een maand geleden was hij een geraamte gelijk, spierwit en met groote holle oogen. Na den vrede konden ze cinetine? injecties krijgen en nu knapt hij gelukkig erg op.Claartje was niet zoo achteruit gegaan en ziet er nog goed uit , maar haar buik wil nog niet.Door die gevoelige ingewanden kun je ze niet zoo sterk bijvoeden als anders.Ik zelf ben dik en welvarend.De nieuwsberichten uit Holland zijn zoo dat we ons hier erg ongerust maken. Als jullie nog niet geschreven hebben doe t dan gauw.Deze tijd van afwachten vergt wel veel van je zenuwen. Misschien ga ik zeer binnenkort naar Bandoeng, daar worden huizen in orde gemaakt voor de marine vrouwen om ze uit deze beroerde behuizing vandaan te halen.Toch tot nader bericht naar dit kamp adresseeren. Dag lieve menschen, heel hartelijke groeten en n zoen van Tiny Jaapje
en Claartje
T.Th.Woldringh-Leopold nr 7007
Blok XI A
Kamp 6
Ambarawa Midden java
(op een afgescheurd velletje papier met op de scheurrand drie Japanse karakters half zichtbaar).
Op de andere zijde (met adres ontvanger) staat een poststempel van Amsterdam Centraal Station 1945 10.XII-0.
Ambarawa 28 nov.
Lieve menschen,
Even in haast een briefje dat wij alle drie nog in leven zijn, en vertrouwen, dat we te zijner tijd hier vandaan worden gebracht. Van jullie nog steeds niet gehoord. Ook van Klaas nog niet. Tot nu toe zijn we de oorlog uitstekend doorgekomen. Maar ik zal erg dankbaar zijn, als ik met m’n kinderen gezond en wel bij Klaas terug ben, waar ‘t ook zij
Dag lieve menschen een zoen
van ons drietjes,
Tiny
Semarang 7 Dec.
Lieve allemaal,
Wat was ik blij, de vorige week, met jullie brieven, die mij eindelijk uit de ongerustheid hielpen. Ik kreeg er ineens 6, de eerste brief van Ma heb ik nog niet.
Uit een van de brieven van Vader las ik over Klaas, waar ik verder nog steeds niets van gehoord heb. Enfin ik ben erg dankbaar dat hij nog leeft en contact komt ook wel. Jullie zult ondertussen ook wel begrepen hebben dat hier in Indië nog niet bepaald pais en vree is. We hebben in Ambarawa heel angstige dagen beleefd
Eergister 5 Dec. zijn we naar Semarang gebracht. Vanaf de 1e Dec gaan er dagelijks 2 transporten. De reis verliep zonder trouble. De avond voor ons vertrek is er om ons kamp ontzettend geschoten, met alle denkbare licht en zwaar geschut. Wij zaten midden in de Eng stellingen Er zijn in die weken 3 granaten in ons kamp terecht gekomen, 8 dooden.
In ‘t kamp waar we tot 4 Mei ‘45 hebben gezeten zijn de inlanders binnengedrongen en hebben de vrouwen en kinderen bij elkaar gejaagd en toen beschoten en met handgranaten gegooid Dat is ontzettend geweest.
Wij zitten nu weer in een kamp We meenden in Ambarawa dat we hier hoogstens 1 a 2 nachten over zouden blijven en dan naar Batavia zouden gaan. Maar dat blijkt hier een sprookje te zijn. Er is geen scheepsruimte voor ons. Wat behuizing aangaat, ben ik er erg op vooruitgegaan. Ik heb nu voor ons drieën een hokje van hoogstens 3 x 3. Een stoel om op te zitten heb ik nog steeds niet, sinds Oct ‘43 niet gehad! We slapen op de grond en zitten soms op ‘n stoepje
We kunnen hier gelukkig wat fruit bij koopen, alleen idioot duur,maar we hebben ‘t hard noodig, vooral de kinderen
We zijn anders goed gezond. Jaapje z’n ingewanden zullen wel lang z’n zwakke punt blijven, ‘t is een klein "bleekscheetje". maar heel fleurig en levendig. Wat hem betreft zou ‘t erg goed zijn als we eens naar Holland konden gaan, dat schijnt de eenige remedie voor amoeben dysenterie te zijn. Maar wat de bedoeling van ‘t gouvernement is met ‘t M.E. weet ik niet. We hooren hier ook nog telkens schieten, de extremisten concentreeren zich nu hier ‘t Is een hopelooze mixup.
Dit kamp wordt bewaakt door Japanners. In Ambarawa hadden we Britsch Ind troepen 4 verschillende rassen.
Ik was van plan alleen de niet bedrukte kant van dit papier, als postpapier uitgedeeld, te beschrijven. vandaar de verwarrende volgorde van de kantjes. Zeg Mams wat heeft Do gehad? Dat staat misschien in Uw eerste brief. maar die krijg ik misschien niet. Als daar nog meer bijzonderheden in stonden herhaalt U die dan nog eens. Wat vreeselijk van de Oosterbaans. Zeg ook tegen Han en Dolf en Kars en Dick en tante Marie dat ik hun brieven ontvangen heb. Wat eenig dat Han net zoo’n stelletje heeft als ik. Ik kan me die angstige momenten als er ‘n auto voor de deur stopte, voorstellen Han Dat had je hier net zoo. Wat bij jullie de Gestapo was, was hier de Kempetai. Ieders schrikbeeld De menschen durfden hun bedienden niet te ontslaan uit angst door hen aangebracht te worden. De naam waar Vader naar informeerde is mij onbekend. Kent U een zendeling de Graaf, familie van Oosterhof, die ambtenaar in Kollum was? Die heeft al die jaren bij de Kempé gezeten, is vlak voor de capitulatie "overleden". Hij had vlak na de inval van 42 op de Nipponsche vlag getrapt, wat ook door een bediende aangebracht is. Zijn vrouw ken ik heel goed, 3 kleine kinderen.
Massa’s politieke gevangenen zijn de laatste maanden voor de capitulatie vermoord
Vervolg zondag 9 Dec.
Wanneer er weer eens post naar Holl. gaat weet ik niet Maar ik stuur deze brief straks maar weg. Ik las ook dat we niet kunnen frankeeren maar dat in Holl. de port betaald moet worden enfin dat zullen jullie wel niet zoo heel erg vinden. Misschien helpt de machtspreuk ex p o w mail. ‘t Ziet er vrij hopeloos uit, wat ‘t vertrekken naar Batavia aangaat. ‘t Is te hopen dat er gauw een paar flinke schepen gestuurd worden willen ze niet net zoo’n échec hebben als in Soerabaya. Er is vannacht weer zwaar geschoten. De rust van m’n kamertje doet ons goed.na ‘t zaalleven. De kinderen zijn ook aardiger nu.Spelen leuk samen maar ‘t is hier wel erg warm. Ik heb erg geloofd (noot: moet duidelijk zijn: geboft) dat ik die 2 jaar in ‘n kouder klimaat heb gezeten. Overigens was Ambarawa berucht om z’n malaria.maar daar zijn we vrij van gebleven
Lieve lui, ik stop, ‘t papier is vol Heel veel liefs en zoentjes van ons Tiny.
