Organisatie -- Agenda -- Verhalen -- Documentatie  -- Links -- Een gastdocent vertelt -- Aanvraag gastles -- Index

 

Fransje   

 

 

 

 De meest trieste herinneringen in mijn leven zijn die aan de tijd in het Jappenkamp.Zeg mij nooit dat het zo erg niet was, want het kamp Lampersari in Semarang was het graf van veel vrouwen en kindertjes. Het was een plaats waar mensen opzettelijk gekweld  werden en niemand begreep waarom. Geen gaskamers, nee, maar wel een systematische uithongering. Wij kenden de buigende, beleefde Japanse kappers en fotografen van vóór de oorlog, maar niet de vreemde, arrogante militairen die Indië waren binnen gevallen. Ze begonnen alles te vernielen,dat door de eeuwen heen met hard werk tot stand was gebracht. En dat goed was.  De macht was hen duidelijk naar het hoofd gestegen, want ze vonden dat ze alles konden doen met de mensen die ze aantroffen in het land dat ze net onder de voet hadden gelopen.

In het huis dat ons in het kamp Lampersari was toegewezen woonden we in een open voorgalerijtje. Twee gedekwanden waren er in gezet,van die ruwe platen gevlochten bamboe, zodat het een kamertje was geworden met één opening naar buiten. s ´Nachts sliepen we op onze eigen bultzakken. Ze waren ons nagestuurd op vrachtwagens en toen bij de poort van het kamp zo maar op de vuile straat gegooid.

´s Avonds spanden we over de hele kamer de grote klamboe die eens over het bed van onze ouders had gehangen. We konden er met z´n drietjes onder.Nummer vier sliep op de koffers en nr vijf lag op het buffet. Elk had een plekje van vijftig bij 180 centimeter per persoon.Je raakt daaraan gewend, maar niet aan de honderden wandluizen die ´s nachts uit alle hoeken en gaten van de kleine ruimte naar ons toe kropen. Wij waren warm en zaten vol lekker bloed. In de kamer achter de onze hoorden we Fransje huilen. Fransje was een jongetje van twee jaar. Hij leek precies op zo´n kleine Egyptische kindermummie van de plaatjes in mijn Aardrijkskundeboek.  Fransje had net als dat kind van 4000 jaar geleden een veel te groot hoofd, een dun halsje en een uitgemergeld lijfje. Zijn ribbetjes zaten vlak onder het vel. Billetjes om op te zitten had hij niet, alleen wat los hangende lapjes. Zijn beentjes waren als twee takken. Het akeligste waren zijn ogen.Twee holle ingezonken oogkassen waar iets van blauw in schemerde. Overdag huilde hij van de honger en ´s nachts omdat de wandluizen hem beten en uitzogen. Hij huilde ook omdat hij ziek was en zijn dunne ontlasting niet  kon inhouden. Dan kreeg hij klappen. Als hij op het potje zat, huilde hij, want dan zakte zijn endeldarmpje er uit. Dat moest er met een washandje weer ingedrukt worden. Dat deed zijn oudere broertje meestal voor hem. Ach Fransje, klein blond jongetje. Niets had hij om mee te spelen en zijn leventje was één grote kwelling. Zijn moeder was een lange, broodmagere, afgetobde vrouw met stijl grijs haar. Ze leek meer op een grootmoeder van tachtig dan op de moeder van een jongetje van twee.

In het huis, waar twaalf vaderloze gezinnen bij elkaar woonden, werden de kinderen met liefde verzorgd en de moeders gaven hun kleintjes vaak het beste deel van de schrale kost die binnen kwam. Dat was niet zo met de moeder van Fransje.Ze verdeelde alles eerlijk tussen haar zelf en haar drie zonen. De twee oudere broers van Fransje waren hongerige jongens van zeven en negen jaar. Elke dag hing Fransjes moeder doodmoe over de teil met vuile kleren en luiers en waste en waste.Toen haar handen kapot gingen, sloeg ze het goed met een stok, want ze had geen zeep. Spoelen en wringen moest wel met de handen en dan legde ze alles op de bleek in de middagzon. Het gehuil van Fransje irriteerde iedereen in het huis, maar vooral zijn moeder werd er gek van. “Wees toch eindelijk eens stil!” bitste ze telkens Ze kon niet meer tegen de omstandigheden op. Ze was doodmoe en alleen wilskracht hield haar overeind om elke dag weer die luiers te wassen. Mijn moeder maakte een klein beertje voor het ventje, gehaakt van restjes katoen en met knoopjes als ogen. Zijn oude mannetjesgezichtje lichtte op en hij zat uren tevreden bij ons te brabbelen. Dan huilde hij even niet. Hoe heet beertje?vroeg hij. “Oersje” verzonnen wij. Hij vond dat prachtig en zonder Oersje wilde hij niet slapen. Op een dag was hij weer zo ziek dat hij zijn bedje en zijn hansop helemaal bevuild had. “Stuk ongeluk ” gilde de moeder “Akelige lastpost!” en ze gaf hem een pak voor de blote billen waarbij zijn lijfje helemaal doorboog. Hij knakte bijna doormidden en krijste en krijste, zodat zijn moeder nog bozer werd.

De reacties van de andere moeders in het huis was een afkeurend zwijgen. Ze liepen weg van de èmpèr als Fransjes moeder zo´n driftaanval kreeg, omdat ze alles weer opnieuw  moest uitspoelen. Ze smeet het matrasje van het kind naar buiten in de zon en begon snikkend al de luiers en lakentjes te spoelen. Ik zag haar hangende borsten als lapjes vel in haar veel te wijde jurk hangen.    Fransje poepte intussen opnieuw zijn broek vol. “Kun je niet zeggen dat je weer moet”siste zijn moeder en weer kreeg hij een pak slaag, waarbij ze rood aanliep van drift. Deze toneeltjes zagen we dagelijks, want Fransje had dysenterie. Wij zagen zijn angst en die was mateloos. Angst voor de nacht, angst voor al die dunne poep en angst voor zijn moeder. Ik heb haar het kind nooit zien liefkozen. Toen ik zelf moeder werd, heb ik mijn kleintjes geknuffeld en alle liefde gegeven die ik hen kon geven en ik ben nooit boos geweest als ze ´t in hun broek deden. Nooit.

Ik denk dikwijls aan dat zielige jongetje en aan die uitgemergelde moeder. Haar mogen we het niet kwalijk nemen dat het regime van de Japanners er op gericht was om haar – en ons allemaal – eerst te breken en dan te vernietigen. Maar het huilen van dat ondervoede zieke kind klinkt nog door in de eeuwigheid en in de ruimte van het heelal.

Een van mijn huisgenoten uit die kamptijd vertelde me daarover een heel merkwaardig verhaal. Ze was naar Java gereisd om alle plaatsen waar ze had gewoond nog eens op te zoeken. En zo kwam ze dan ook in Lampersari. Het huis stond er nog, maar het was helemaal verbouwd en bijna niet meer te herkennen. Ze stond stil bij het stenen muurtje voor het huis, om een foto te nemen. En toen kwam een Javaanse Mevrouw uit het huis naar buiten gelopen. “Hebt U hier gewoond? vroeg deze dame vriendelijk “Kom dan toch binnen, komt U binnen silahkan, alstublieft” Ze liet  het huisje  helemaal zien en hoe het verbouwd was. De Indonesische dame stond erop dat haar gast uit Holland nog even bleef om iets te drinken. Na een tijdje kwam ze heel schuchter met een vraag. Of Mevrouw alle mensen van indertijd had gekend. De mensen die in het huis hadden gewoond tijdens de Japanse bezetting.

“Was daar een kind bij?” vroeg ze “ Ik hoor hem aldoor huilen.” Ze zei het alsof het heel gewoon was dat je het huilen van een kind van vijftig jaar geleden nog kon horen Bovendien droomde ze vaak van dat kind. “Een klein blond jongetje? “ Dat moest Fransje zijn! Mijn huisgenote van “lang geleden” stond hier verstomd van . Hoe kon die Javaanse weten van Fransje? Toen vertelde ze over dat kind  en dat hij dag en nacht jammerde van angst en van de pijn in zijn magere zieke lijfje. Angst voor het “onbegrijpelijke” in zijn kleine leventje. Hoe was het mogelijk dat deze wildvreemde Javaanse vrouw hem zo precies kon beschrijven en droomde van de ellende van een kind dat ze nooit gezien had? Was het huilen van Fransje ergens in de kosmos blijven steken? Toefde de gekwelde ziel van dat kind nog ergens?

“We zullen een slamatan geven” zei de Javaanse toen ze het hele verhaal gehoord  had.   “Dat kindje moet los komen van al de vreselijke dingen die hij moest doormaken. “Lepas” ja. Los. We moeten hem helpen om los te komen en door te gaan. En mocht hij nog leven, dan zal het hem ook helpen.    

 Ik denk dikwijls aan Fransje en dan ben ik dankbaar dat mijn kinderen nooit honger en pijn hoefden te lijden in hun kindertijd. Dat ze nooit op een misdadige manier zijn gekweld en uitgemergeld door tekort aan voedsel. Ik hoop dat de Japanners  in het hiernamaals,voor straf in ongedierte veranderen en dan voor eeuwig zo rond moeten kruipen.

En Fransje? Ook als hij nog leeft en een man is geworden, zal de Selamatan  zijn  geest aanraken door de goede gedachten van die Javaanse vrouw in het voormalige kamphuisje in Lampersari.   

Justine Doorenbos-Swaving        
uit haar 2e bundel "Indische verhalen"